ON THE ROAD
een Odyssee per fiets naar Santiago de Compostela

Albergue langs de Camino
Eindelijk is dan het zover! Mijn boek over mijn fietstocht, de Camino naar Santiago de Compostela, van 24 april tot en met 29 mei 2010, is af. En het gaat gedrukt worden. Voorlopig in eigen beheer bij F&N Uitgevers te Amsterdam. Ik het volledige manuscript vooraf laten lezen en beoordelen door een voormalig uitgeversredacteur van uitgeverij De Bezige Bij. Hij vindt het absoluut publicabel.
De verschijningsdatum ligt in de tweede helft van januari 2011.
Het boek On The Road – een odyssee per fiets naar Santiago de Compostela is niet alleen een verhaal geworden over de periode van de meer dan vijf weken – waarvan 31 dagen om in Santiago de Compostela te arriveren – die ik met fietscompañero Peter Mommers onderweg was. Het boek bevat tevens een lange intro waarin ik in ga op de drijfveren die me tot de fietstocht hebben aangezet. Daarnaast breng ik een periode van bijna een heel jaar, zijnde het hele voorbereidingstraject, in kaart. En ten slotte ga ik aan het einde dieper in op datgene wat de Camino me uiteindelijk gebracht heeft.
Voor de meer technisch en praktisch geïnteresseerde lezer bestaan de laatste hoofdstukken vooral uit data: de kosten, zowel vooraf als tijdens het fietsen, en per dag in kaart gebracht, fietsgegevens over afstanden, gemiddelde snelheden en andere gegevens die uit de fiets-GPS waren af te lezen, een overzicht van alle plekken waar een stempel in mijn credencial geplaatst werd, de lijst van logeeradressen inclusief de kosten die daaraan verbonden waren, en ga zo maar door.
Het is vooral het verhaal van een ervaring die diepe indruk op me gemaakt heeft. Over barre weersomstandigheden, fysieke ongemakken, abominabele onderkomens, maar ook over fantastische ontmoetingen, onvergetelijke hotels, hallucinerende landschappen en zomerse temperaturen. Een verhaal over diepe dalen en hoge toppen.
Het boek (groot formaat paperback, 15 x 23 cm.) telt bijna 300 pagina’s, waarvan 25 pagina’s met foto’s in full colour. De prijs bedraagt € 22,95. Om er bij voorbaat zeker van te zijn dat ik de minimaal te drukken oplage van 50 exemplaren door belangstellenden kan laten afnemen, verzoek ik je – als je interesse in het boek hebt – een voorintekening te plaatsen. Een eventuele verzending per post zal te zijner tijd een klein bedrag aan extra porto kosten.
Als je het boek wilt aanschaffen vraag ik je dit per mail te bevestigen. Voor diegenen die het boek per post willen ontvangen verzoek ik dit in diezelfde mail aan te geven.
Als ´opwarmertje´ alvast een aantal tekstfragmenten uit een van de hoofdstukken. Het is fietsdag 26. Het doel, Santiago, is in zicht. We starten die morgen in Carrión de los Condes, precies halverwege de Spaanse hoogvlakte, de oneindige meseta, die zich uitstrekt van Burgos tot León.

Dorp langs de Camino
Stalag 2010 in León – Big City Blues
dag 26: woensdag 19 mei 2010, Carrión de los Condes – León, 101,48 km.
Als pelgrim ben je min of meer een openbare figuur, in de verte verwant aan de dorpsgek. Misschien is het een erfenis uit de tijden dat pelgrims sterk op de plaatselijke bevolking waren aangewezen. Duizend jaar trekken zij al over de Camino, maar nog steeds is de nadering van een pelgrim een gebeurtenis in deze afgelegen gehuchten. In Ligonde, waar Karel V en Philips II nog hebben overnacht op hun tocht naar de Apostel, hoor ik, lang voordat ik de eerste huizen bereikt heb, een kinderstem: ‘Llega un peregrino!’
(Herman Vuijsje, Pelgrim zonder God)
Nog voor negen uur rijden we Carrión de los Condes uit. Stralend zonnig weer. In de loop van de dag zal de temperatuur oplopen tot dertig graden. Bij het vertrek is het echter nog fris, maar de fleece trui kan al na een half uur uit.
De Spaanse meseta is saai. Maar het woord ‘saai’ doet de streek groot onrecht. Het ontbreekt er weliswaar aan exuberante natuur en evenmin zijn er imposante bergen te zien. Ja, heel in de verte, de aaneenschakeling van de besneeuwde toppen van de Cordillera Cantábrica. Maar in een ander opzicht is het kale landschap indrukwekkend. Het moet de ruimte zijn. Het grenzeloze. Het onmetelijke. Dit oneindige landschap met nauwelijks begroeiing werpt je volledig terug op jezelf.
[…]
Onze route loopt nagenoeg de hele dag evenwijdig aan het pad van de lopers. Nog niet zo lang geleden is deze looproute met veel Europees geld aangelegd. Immers: de Camino behoort tot het Europees cultureel erfgoed. De escorterende jonge bomenaanplant moet over een aantal jaren voor schaduw gaan zorgen. Dat zal straks letterlijk een verademing zijn voor de zomerse pelgrim. Sommige wandelaars hebben het nu al zwaar. Ze strompelen. Mankepoten. Kreupelen. Maar er zijn er ook die stevig doorstappen. Alsof ze pas vijf minuten geleden gestart zijn. Ik vind het opvallend dat veel relatief nog jonge vrouwen sola de Camino afleggen.
En dan is er ineens die Californiër uit Sausolito, vlakbij San Francisco. Hij komt me zwaaiend tegemoet lopen en vraagt of we geen Amerikaanse langs het pad hebben zien zitten? Ergens. Een paar kilometer terug. Het is me niet opgevallen. De vrouw die hij bedoelt, moet met loopproblemen te kampen hebben. En ze heeft volgens hem ook nog eens geen cellphone bij zich. En dat voor een Amerikaanse! Haar zus zou ver vooruit lopen. Mét cellphone. Of we haar dan willen waarschuwen als we haar voorbij fietsen. Beloofd. Nog voor ik weer op de pedalen stap zeg ik hem zwaar te benijden vanwege zijn home aan de Pacific. Sausolito. Jaren terug reed ik er vanuit San Francisco over de Golden Gate Bridge naar toe. Ik vraag waarom hij zijn aards paradijs verlaten heeft. I like the road, man! That’s why.
Een paar kilometers lang houd ik nauwgezet het Caminopad in de gaten. Maar oude baardige mannen, een groep Fransen, een Braziliaan, en twee jonge meiden met strohoed kunnen die Amerikaanse mét cellphone niet zijn. Sommigen halen de schouders op, omdat ze mijn Engels niet helemaal volgen. Hoe het nu verder moet met de gestrande Amerikaanse, weet ik ook niet. Maar het bizarre is, dat ik nog nooit een Amerikaan of Amerikaanse ontmoet heb zonder cellphone. Kortom: ik zal haar niet treffen. En vervolg licht gefrustreerd mijn eigen weg.
Later op de dag komen we bij de nadering van León oude bekenden tegen: onze IJslanders. Bij het binnenrijden van Mansilla de las Molinas, een historisch vestingstadje aan de Río Esla, is er ineens die blik van herkenning, als de blonde Björg Árnadóttir me op haar mountainbike op de laatste helling voor het dorp voorbij fietst. Niet aan hitte gewend – ondanks die spugende vulkaan – staan ze er met zijn vieren ’s zomers gekleed op: naveltruitjes en korte broeken. Even bijpraten, voordat onze wegen zich weer van elkaar scheiden.
Verder gaat het weer. Op weg naar de oneindigheid. Bloedheet is het geworden. Nog een geluk dat we niet tegen een bult omhoog hoeven te trappen. Het landschap is in zijn eenvoud fascinerend. Vlak hoogland. De factor Tijd lijkt niet meer te bestaan. Alleen het moment telt. De rode aarde kraakt en krimpt. Jong, iel gras en minuscule donkerrode bloemen zover het oog reikt. De door het leem van de meseta heen slingerende arroyos snakken nu al naar water, en de zomer moet nog beginnen.
We stoppen in El Burgo Ranero voor een fotosessie. En een slok water.
[…]

Kathedraal Leon
León komt in zicht. Eerder dan gedacht zijn we er. Met een vaart van 37 km per uur maak ik de lange afdaling naar de stad. Slechts een paar minuten volgen we een pad langs de Río Bernesga, hier een tot kanaal verkrachte rivier. We draaien León in, een typisch Spaanse stad met ook hier brede boulevards. Naar het centrum. Waar we opnieuw Gaudí tegen komen als we zijn bijna middeleeuws aandoende gotische Casa de Bottines voorbij fietsen. Het Officina de Turismo levert twee adressen van albergues. Het dichtstbijzijnde dan maar, de Albergue van Santa Maria de Carbajal, behorend tot het Monasterio de las Benedictinas. Aan de Plaza de Santa Maria del Camino. Kan het mooier? Het zal een vergissing blijken, deze nonnenalbergue.
Het is een drukte van jewelste op de binnenplaats. Overal pelgrims. Zittend. Liggend. Pratend. Voor zich uit starend. Ik vraag door schade en schande wijs geworden naar een kamer voor twee personen. Ja, die is er, beweert een half analfabete bejaarde oproepkracht. Met twee bedden, dos camas, check ik nog een keer. Sí, sí! Maar het wel de laatste, zegt hij. Want alles zit vol. En de prijs voor een nacht mag je zelf bepalen. Royaal dumpt Peter 20 euri in de gleufdoos die hem wordt aangereikt door een medewerkster van de administratie. Het ontbijt is inbegrepen. Pelgrimeren hoeft niet duur te zijn, denk je. Snel de bagage afladen dan maar. En een douche. We kunnen ons geluk niet op, een kamer voor twee in een grote albergue. Sint Jacob zij geprezen.
Opnieuw erin gestonken! Mijn vloek moet tot aan de hemelpoort te horen zijn geweest. De tweepersoons kamer blijkt Stalag 2010 waar minstens honderd suf gelopen wandelaars en fietsers, slaven van de Camino, in dubbeldeks stapelbedden worden opgehokt voor de nacht. We beschikken deze keer beide over een hemelbed, hoog op de dubbeldekkers. Maar die 20 euri zijn er 19 te veel. Terug naar de administratie beneden op de binnenplaats. Want we hebben geen slaapzakken bij ons, en dekens worden in Stalag 2010 niet uit voorraad geleverd. De señora verwijst me weer naar onze behulpzame oude misleider. Die dekens, dat moet geen probleem zijn, bezweert hij. Santiago is zijn getuige! Hij zal ze nog voor acht uur persoonlijk in het ernaast gelegen klooster onder de zusters Benedictinessen vandaan trekken en op onze bedden leggen. Straks als we terug komen uit de stad zullen ze er liggen! Niet, dus! En als ik bij terugkeer uit de stad op zoek ga naar die Oude Luis blijkt hij onvindbaar. Blijkbaar geen nachtdienst vandaag.
Een geluk bij een ongeluk om deze nacht niet onder een klamme paardendeken te hoeven liggen, want het is bloedheet in Stalag 2010. Bovendeks nog heter dan benedendeks. En wij liggen bovendeks. Je kunt het uitleggen alsof Santiago toch nog een beetje op mijn hand is. Maar vertrouwen doe ik hem niet meer.
Na een snelle douche de stad in. Want om 21.30 uur is het nachtappèl. Dan sluiten de beheerders, in dit geval de Benedictinessen van Santa Maria del Carbajal, Stalag 2010 hermetisch van de boze buitenwereld af. Als we dat tijdstip nog te vroeg vinden om naar bed te gaan, bieden de nonnen je de mogelijkheid tot deelname aan de pelgrimszegening. La hospitalidad es una característica esencial en la espiritualidad benedictina, la que nuestros padres en el seguimiento de Cristo, copiaron de las páginas de la Sagrada Escritura, propageert deze albergue de peregrinos, midden in het hart van León.
León. Voormalige koningsstad van Castilië. Die grandeur heeft de stad nog steeds. Zeker in het centrum rondom de kathedraal. We staan ervoor, opnieuw in bewondering. Het rechthoekige Plaza ligt half in de schaduw, half in het verblindend witte zonlicht. De imposante kathedraal Santa María de León, of de la Regla zoals ze ook wel genoemd word, overheerst het plein. Een symfonie van licht en steen wordt wel eens gezegd, en dat is ook zo. Van buiten niet erg Spaans, meer Frans. Amiens of Reims. Maar van binnen is er geen woord Frans bij. Daar is het pure Spaanse passie: rood, goud, geel, warme lichte kleuren. Hoge gewelven. Indrukwekkend.
De stad van 150.000 inwoners maakt zich op voor de dagelijkse paseo. Van zeven tot tien ’s avonds behoort de stad, net als overal elders in Spanje, aan de burgers. Jong en oud. En dat is te zien. Voetballende jongetjes voor de kathedraal. Giechelende meiden. Opvallend goed en modern gekleed. Trotse jonge moeders paraderen met hun baby´s in de kinderwagens. Oma´s die ook hun zondagse kleding hebben aangetrokken, en hopen op een Spaanse vert galant. We ploffen neer op een van de vele terrassen. Pinchos, tapas dus, en een gevuld glas. Geen rioja deze keer, maar gewoon een caña. Koel bier.
Vanaf het terras hebben we zicht op de helderwitte kathedraal. Een strakke azuurblauwe lucht daarboven. Een fraaier uitzicht kan bijna niet. Alle fysieke schoonheid van León vertoont zich hier op de catwalk van het plein. Strak in het vel. Lentebruin. Jong. Tacones Lejanos. High Heels – in plaats van Verre Hakken, zoals de eigenlijke filmtitel vertaald zou moeten worden – om het maar eens met de Spaanse cineast Pedro Almodóvar in het Engels te zeggen. Een niet ophoudende parade van het aantrekkelijkste vlees dat de stad te bieden heeft.
Maar misschien ben ik nog wel meer geïntrigeerd door de twee oude heren die, vanaf hun plek in de schaduw, leunend tegen een of ander toeristisch informatieplateau, in volledige zwijgzaamheid het gekrioel op het plein zwijgend gadeslaan. Een komisch duo dat bij toerbeurt wisselt van positie, een nieuw perspectief bij hun observaties van die tsunami aan chicas guapas. Zonder een spier te vertrekken. Een fantastische pantomime act. Hoogwaardig straattheater.
Na een eenvoudig menu del día hebben we nog net een half uur tijd om een glas rioja te drinken op het plein van het bijna dorpse Plaza de Santa Maria del Camino, vlak tegenover de ingang van Stalag 2010. Huizen die gestut worden door houten palen en op die manier curieuze arcaden vormen. Aan de andere kant de Romaanse ‘dorpskerk’. Grote granieten klinkers plaveien het plein. Langzaam sluipt de schemering dichterbij. Het uur van de wolf. Er wordt gepraat, gedronken, genikst. Dit is het mooiste moment van de dag. Mijn tweede glas rioja is één minuut voor half tien verdwenen. Nóg een glas zou beter zijn, maar het leven van een pelgrim gaat niet over rozen. Ik moet me melden bij Moeder Overste. Om precies half tien zijn we binnen. Oef! Moeder Overste staat al klaar om ons de dagelijkse completen te laten beleven. Samen met een grote groep andere pelgrims. La presencia es masiva en el rezo de las Completas. De completen, dus.
[…]
De groep devote pelgrims, onder wie Peter en ik, begeeft zich schuifelend naar het voorgeborchte van de kapel. Moeder Overste heft een sereen gezang aan. Aan het einde van het lied loeit Peter het Allelujah! uit volle borst mee. Moeder overste uiteraard uit twee. Daarna volgen er meer gezangen. Hoewel Moeder Overste aan dit Babylonische gezelschap pelgrims tracht uit te leggen op welke pagina het te zingen lied te vinden is, slaagt nog geen tien procent er in haar aanwijzingen met succes te volgen. Geen nood. Doen alsof je de tekst uit het hoofd kent levert je ook credits op voor het hiernamaals. Aan het einde van het inzingen gaat de deur naar de kapel open, het Domus Dei zoals boven de ingang staat. Het Huis van God. Sesam! Twee rijen nonnen zitten in slagorde in de koorbanken. In het zwart. De zwartgekapte hoofden blijven nederig gebogen de gezangen in volle overgave meezingen. Soms worden de gezangen onderbroken door stichtelijke woorden van een van hen. Waarna aan het einde Moeder Overste haar pelgrimszegen uitspreekt over de verzamelde pelgrims. La “benidición del peregrino” y unas palabras de Madre Abadesa los anima a reemprender el Camino en la próxima jornada siguiendo las huellas de quien es Camino, Verdad y Vida, Nuestro Señor Jesucristo. Om gesterkt je Camino te kunnen vervolgen. Ze heeft haar best gedaan. En zal in volle tevredenheid verantwoording af kunnen leggen aan de hemelpoort. Straks, aan het einde van haar eigen levens-Odyssee.
In Stalag 2010 is het aardedonker als we er naar binnen sluipen. De meeste pelgrims hebben de pelgrimszegen niet afgewacht. Liggen al op een oor. Of draaien zich om. Snurken. Ik moet uitkijken niet over de stapels rugzakken te vallen. Maar mijn oog went snel aan het duister. Nog voordat we de stad in gingen, heb ik uit voorzorg een stoel naast mijn dubbeldekker geschoven. Zodat ik nu een opstapje heb om in het donker op de bovenverdieping te komen. Dat komt nu van pas. Op de tast vind ik mijn Jakobsladder. Mijn bedgenoot van beneden knort enigszins verstoord als hij mij in het bovenbed hoort woelen. Met wat improvisatie rommel ik wat met mijn kleren met als doel er een soort kussen van te fabriceren. Maar slapen? Meer dan een uur lig ik wakker. Mijn doosje Ohropax, 12 Stück Ohrschutz gegen Lärm, heb ik niet durven opzoeken in de donkere stapel fietstassen en rugzakken. Het zit diep verborgen in mijn toilettas. Ergens. Er naar zoeken in deze barak zou de hel en verdoemenis nog ondraaglijker maken voor mij.
Het is bloedheet in de barak. Overdag zweten, en ’s nachts ook nog eens. Maar misschien moet ik het anders bekijken. Ik mag me gelukkig prijzen dat die Oude Luis zich niet aan zijn woord gehouden heeft om dekens onder Moeder Overste vandaan te trekken. Hier onder de beloofde vlooiendekens liggen, dat zou waarschijnlijk de verstikkingsdood tot gevolg hebben gehad. Peter heeft blijkbaar minder last van deze infernale hitte. Zijn lichte gesnurk doet me sterk denken aan het geluid van een wat slecht afgestelde airco. Met enige fantasie zou je kunnen denken dat dit aangenaam snorrende geluid verkoeling brengt. Maar dan moet je fantasie wel op de maximale stand staan afgesteld.

Korte metten met de nonnen