SLEEPLESS IN MANHATTAN 6

Koude wind over het vochtige asfalt van Fifth Avenue in de nacht
Oh, do you feel the breeze from the subway? Isn´t it delicious?Marilyn Monroe, as The Girl, in The Seven Year Itch
Zodra ik het dek van de oranjekleurige Staten Island Ferry op loop trekt de lucht snel dicht. Meer grijs dan blauw. En er steekt een felle wind op die in stevige snokken je als het ware het ruim inblaast. In tegenstelling tot de overtocht van vorig jaar hebben we nu een dichte boot. Geen open dek, of een reling waarlangs je van voor- naar het achterdek kunt lopen. Alleen aan de voor- en achterkant (waar zich de ‘oprit’ bevindt) zijn er plekken met open zicht op het water. Alleen raast daar de wind over je kuif. De passage van het Vrijheidsbeeld is weliswaar indrukwekkend, maar met een beetje zon zou het allemaal nog een stuk spectaculairder zijn. Dat geldt minstens zo voor het zicht op Manhattan. Daar moet een felle lage zon uit elkaar spatten op de glazen gevels van de verschillende wolkenkrabbers. Maar misschien ben ik al te verwend. Denk ik nog teveel aan de staalblauwe lucht boven Manhattan in oktober 2008.
De overtocht is gratis. En de boot is nog niet voor de helft gevuld met deels toeristen, en deels inwoners van Staten Island die terugkeren van hun werk. Ook hier opvallend veel orthodoxe Joodse families aan boord. Het zal allemaal wel te maken hebben met de 100e verjaardag van de relatie New York – Tel Aviv die blijkbaar groots wordt gevierd dit jaar.
Met dezelfde boot retour naar de terminal op de meest zuidelijke punt van Battery Park, c.q. Manhattan. We gaan daar ondergronds, nemen de subway tot Penn Station. Ook nu weer constateer je hoe weinig eigentijds de New Yorkse metrostations zijn. Vooral de zitbanken doen me bijna vooroorlogs aan, en misschien zijn ze dat ook wel: houten bakken die als een soort legbatterijen verspreid staan over de te smalle perrons. Mayor Mike Bloomberg heeft verordonneerd dat komend weekend het volledige metrosysteem een grote onderhoudsbeurt gaat krijgen. Het past allemaal naadloos in het actieprogramma van zijn herverkiezing in november. Consequentie van de grootschalige onderhoud is dat het nauwelijks de moeite loont om gebruik te maken van de subway-lijnen om je te verplaatsen in de city. Dan maar lopen. Of de yellow cab.
Dat Mike Bloomberg herkozen zal gaan worden, daar twijfelt eigenlijk niemand aan. En een opgeknapte subway helpt daaraan mee. Tot nu toe waren alle taxichauffeurs die ik gesproken heb op zijn hand. In de New York Times staat vandaag een vergelijking met hoeveel geld industriële reuzen als Procter & Gamble en General Mills uitgeven aan reclame voor hun producten. Het is even veel als Bloomberg, de rijkste man van New York en de op zeven na rijkste Amerikaan, spendeert aan zijn herverkiezing. Het zal niet verbazen dat Bloomberg gigantisch veel meer uitgeeft dan zijn democratische tegenstander, William Thompson. De verhouding is 16 op 1. Think Big!
De bekendmaking van de cijfers vrijdag leidde tot kritiek van Democraten en onafhankelijke democratische actiegroepen. ”Dit verstoort op zeer serieuze wijze de democratie van de stad. Hij geeft geld uit als een dronken zeeman, of beter, een miljoen dronken zeemannen”, zeggen democratische actiegroepen. “Obsceen”, roept Thompson.
Voordat we om een uur of zes Hotel Stanford binnen lopen, valt mijn oog op een tweetal brandweerwagens op de hoek van de Avenue of the Americas en 34th Street. Even checken of inderdaad de namen van de gesneuvelden op 11 september 2001 op de zijkant vereeuwigd zijn. Ladder 26 levert het bewijs. Deze wagen heeft vier brandweerlieden verloren in de hel van de WTC torens. We vergeten ze nooit. In memory of FF Dana Hannon, FF Robert Spear, FF Paul Tegtmeier Eng 4, FF Paul Pansini Eng 10, 9-11-2001.
Het wordt tijd om John eens te pakken (immers: altijd dorst). Op het moment dat hij de internetruimte van het hotel induikt om zijn mail te checken, sluipen Gemma, Rianne en ik de bar van het hotel binnen. Een chique, halfdonkere ruimte waar op dit vroege tijdstip nog nauwelijks klandizie zit. Een half ontblote jonge Koreaanse wijst ons op een vrije zithoek. En wil gelijk de bestelling opnemen. De dames gaan voor een stevig glas Spaanse wijn. Ik bestel in alle nederigheid een Brooklyn Lager. Bier, dus. De sluikharige zwarte blootjurk serveert met gratie. Na tien minuten stormt John naar binnen. Was ons kwijtgeraakt. “Waar zaten jullie?” Hier dus. Het Koreaanse decolleté en het Brooklyn Lager wakkeren zijn dorst tot onstuimige hoogten aan. Die afkoeling komt net op tijd. De onkosten voor de vier consumpties bedragen 45 dollar. Exclusief tip. “Geld moet rollen”, zegt John. Hij heeft gelijk: de dollar is nog nooit zo goedkoop geweest.
John heeft in zijn New York Gids een Koreaans restaurant in 33rd Street ontdekt. Het zoeken levert echter niks op. Wel voldoende seksshops, Irish Pubs en ander volksvermaak, zelfs fast food. Maar geen Koreaans restaurant. Tot twee keer toe lopen we de straat op enneer. Dan maar voor zeker: Korea Way. Waar we wonen. 32nd Street.
We hoeven dit keer niet al met een menukaart in handen buiten in de rij te staan. Kun Jip, dus. Authentic Korean Cuisine, in the middle of Korea Town. Kleine tafeltjes die zullen worden vol gezet met allerlei gerechten in kleine schoteltjes. Het meest smakelijk vind ik de hele kleine gegrilde sardientjes met een spicy smaak. Knapperig zijn ze. Als hoofdgerecht wordt voor John en Gemma een grote casserole vol vlees, groenten en rijst op tafel gezet die vervolgens door het bedienend personeel als was het een betonmolen door elkaar gehusseld worden. Jacyook Doo Boo Kimchi, of wat het ook moge zijn. En Bul Nak Jun Gol. Gooi maar in mijn pet. Rianne doet het wat rustiger aan met een schotel waarvan de ingrediënten nog wel te herkennen zijn. Voor mij een Jap Che, Korean starch noodles fried with vegetables and seafood seasoned in soy sauce. Bruine, glazige noedels. Lekker. Ik eet het weg met authentieke Koreaanse stokjes. Het is weer even wennen, maar het lukt. Om de maaltijd toch nog enige vorm van herkenbaarheid te geven, bestellen we er maar een fles vaderlands Heineken bij.
Niet dat de maaltijd zwaar op de maag valt, integendeel, maar een fikse wandeling door nachtelijk New York kan er natuurlijk nog wel bij. Alsof we vandaag nog niet genoeg gelopen hebben vandaag. Come on, just a little tour! Nog maar een keer Fifth Avenue af, richting Madison Square Park. Even verderop doemt het Flatiron Building op. Vroeger een beruchte plek voor gluurders die vanwege de altijd aanwezige wind er speciaal voor naar toe kwamen om de jurken van het passerende vrouwvolk te zien opwaaien. Nee, niet Marilyn Monroe, want die ging boven het hete rooster van de subway staan om haar blote benen aan het volk te tonen. De wind blaast fel en koud over de brede asfaltstrook. De yellow cabs hebben er geen last van, en zoeven als vanouds als een perpetuum mobile over de as van Manhattan. Retour via Herald Square. De vuurtoren van het Empire State Building baadt in oranje licht. Een baken in de nacht. Een nacht die later weer onderbroken zal worden door korte wake-ups, om 02.55 en 04.48 uur. In New York hoor je ook niet te slapen.
Wat die oranje verlichting betreft, het volgende. Een paar weken geleden werd die door onze eigen kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima ‘ontstoken’. In het kader van de feestelijkheden rondom 400 jaar Hudson. Het is gebruikelijk dat het Empire State Building symbolische kleuren aanneemt als er in de stad een groot evenement plaatsvindt. Normaal gesproken is het Empire State Building (het ESB) ’s avonds wit gekleurd, maar bij belangrijke nationale dagen in de Verenigde Staten neemt de top van het hoogste gebouw van New York de rood-wit-blauwe kleuren aan van de Amerikaanse vlag. Op St. Patrick’s Day is het ESB groen, de kleur van Ierland. Vanavond is het dus de beurt aan oranje.
In welke van de vijf stadsdelen (bouroughs): Manhattan, the Bronx, Queens, Brooklyn of Staten Eiland je ook woont, de hele nacht door kun je de sirenes horen van de NYPD, de New York Police Department, de NYFD-New York, Fire Department of de ambulances, die op veel hoeken van straten met draaiende motor standby staan. Zoals bij Herald Square waar we vlak voordat we terug liepen naar het hotel konden zien. In het hotel zelf dringt geen enkel geluid van buiten naar binnen.
The city that never sleeps, heet het, maar in het grootste gedeelte van Manhattan is het behoorlijk rustig ’s nachts. Bijna dorps. Dat geldt natuurlijk niet voor het Theater District waar we in Hotel Stanford tegenaan schurken. En ook op andere plekken zijn voldoende uitgaansgelegenheden te vinden. Maar in de buurten rondom Central Park kun je bijna een kanon afschieten. Ik lees nog even in een van de dagboeken van Hans Warren. Vanwege het contrast. Ik had natuurlijk beter naar Tom Wolfe of Paul Auster kunnen grijpen.