Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 18
Voet aan wal in het Parque Nacional y Natural de Doñana
Opnieuw geen wolk aan de lucht vanmorgen. En heet: 35 graden. Pas aan het einde van de dag zal een lichte bries, de levante, voor nauwelijks verkoeling zorgen. Het is niet anders. We zijn er na een paar weken wel aan gewend geraakt.
Vroeg uit de veren. Al om kwart over acht zitten we aan het desayuno. We moeten nog naar de haven lopen om op tijd te zijn voor de geplande boottocht met de Real Fernando naar het Parque Nacional. Samen met het annex gelegen Parque Natural de Doñana, is het gebied goed voor 85.000 hectare beschermd natuurgebied. We zullen slechts dertien kilometer stroomopwaarts de Guadalquivir volgen en op twee plekken aan land gaan voor een korte wandeling en een blik op de natuur. Vertrek vanaf de aanlegsteiger aan de Bajo de Guia. Alles bij elkaar zal de tocht een uur of vier in beslag nemen.
Het Nationaal park Doñana (Parque nacional de Doñana) is een nationaal park gelegen aan de Atlantische Oceaan, aan de monding van de Guadalquivir in Andalusië. Het gebied ligt in twee provincies, Huelva en Sevilla, en vormt een soort natuurlijke barrière tussen deze provincies. Er lopen namelijk geen wegen door de Doñana. Menselijke bebouwing en bewoning is op enkele uitzonderingen na niet toegestaan. De schaarse bewoners die in het natuurgebied wonen, leven er op natuurlijke wijze, zonder moderne voorzieningen zoals elektriciteit. De oppervlakte van Doñana - alleen het Nationale Park, dus - bedraagt 50.720 hectare. Het gebied wordt gevoed door de rivieren Cano del Guadiamar, een zijtak van de Guadalquivir en de Arroya de la Rodna.
Het gebied is belangrijk vanwege de vele trekvogels die er een rustplaats vinden op hun tocht van zuid naar noord. De moerassen in de rivierdelta zijn voor deze vogels ideaal.
Aan de bovenstroom van de Guadalquivir ligt het mijnbouwbedrijf Boliden, dat mijnstoffen wint en chemisch zuivert. In april 1998 brak een reservoirdijk door, waardoor 5 miljoen m3 zwaar giftige metalen de Guadalquivir instroomden. Naar schatting 80 miljoen dollar aan oogst werd vernietigd, en 5300 hectare landbouwgrond is voor tientallen jaren onbruikbaar. De natuurramp in Doñana bleef beperkt, omdat het gif door de rivier langs het park naar zee werd afgevoerd.
Jaarlijks vindt er door La Doñana een bedevaart ter ere van de maagd van El Rocío plaats, met als bestemming het plaatsje El Rocío (gemeente Almonte), waar de stoet op Tweede Pinksterdag ’s ochtends aankomt om het beeld van de Maagd te begroeten. De bedevaart start in Sanlúcar de Barrameda, waar de Guadalquivir wordt overgestoken, om vervolgens het park in te trekken. De tocht met klassieke huifkarren en een kleurrijk uitgedost gezelschap duurt drie dagen, met elke avond een feestelijk samenzijn.
Vanaf de boot hebben we een goed zicht op de oevers en op het landschap daarachter. Soms lijkt het op een duinlandschap, dan weer zijn het uitgestrekte wetlands. Ook passeren we pijnboombossen en steppeachtige vlaktes. Veel vogels, echte wilde dieren zullen we niet te zien krijgen. Wel flamingo’s, vooral bij de eerste stop. Na een korte wandeling houden we stil voor een gebied dat overbevolkt is door allerlei vogels, las Salinas geheten. Bij vloed lopen grote gedeeltes ervan onder water, zodat het voor al die vogels letterlijk smullen is, want allerlei vissoorten en kreeftensoorten blijven bij het terugtrekkende water achter. Een heel eind verder aan de oostkant glinsteren de witte zoutbergen. Zout is een van de producten die op grote schaal gewonnen mag worden aan de rand van het Parque Natural. In het Parque Nacional daarentegen is alle ‘productie’ verboden.
Op de terugweg over de Guadalquivir is er een tweede stop bij het Poblado de la Plancha. Her en der bevinden zich over het gebied verspreid lage houten huisjes met daken van riet. Sommige ervan zijn nog bewoond door zogenaamde guardians die ook zorg dragen voor de bewaking van het park. Omdat er geen gas, water en elektriciteit vanaf het vasteland mogen worden aangevoerd, wordt de energie geleverd door zonnepanelen op de rieten daken. Zelfs worden er kippen gehouden, want honger heeft de gemiddelde guardian natuurlijk ook regelmatig. In de huisjes mag vuur gemaakt worden.
Voordat we aan land gingen bij het poblado hebben we ons op aanraden van de gids helemaal bestoven met een antimuggen spray. Hoewel het er bloedheet is op het terrein, is het vergeven van de muggen. Ik hoor ze zoemen in mijn oorschelp. Maar het middel blijkt effectief. Geen enkele muggenbeet.
Een paar honderd meter van de huisjes verwijderd staan in slagorde bijenkorven opgesteld, en zijn er houtskoolbranderijen te zien. We zien echter niet één bewoner opduiken. En toch klinkt er uit een van de huisjes muziek. Het zal wel een transistor zijn die werkt op batterijen. De rust en de desolaatheid nemen het echter weer snel over als we verder lopen.
Om half twee retour op de kade van Sanlúcar. Etenstijd. En het is niet ver naar Chiringuito la Orilla. Het recept is te voorspellen: een aantal raciones met tapas, en een paar glazen bier. Voldoende energie om de twee kilometer lange wandeling naar de Posada de Palacio af te ronden, zij het met een korte tussenstop op een van de vele terrassen in het centrum. Daar heerst nog de rust van de siësta. Sommige horecagelegenheden gaan zelfs voor een aantal uren op slot. Pas tegen half zeven is alles weer vol in bedrijf. Tot ver na middernacht. Bij temperaturen die steeds aangenamer worden.
Op de laatste avond in Sanlúcar de Barremeda ben je bijna verplicht om nog eens de parade van de verschillende manzanilla’s af te nemen. Zo vanaf een uur of half acht lijkt het daarvoor de meest geschikte tijd te zijn. Aperitieftijd. Dus maken we de ronde langs verschillende terrassen en bars en proberen daar achtereenvolgens de merken van de verschillende sherrybodega’s uit: Gitana, Solear, Bobadillas. Het spul smaakt te lekker. Vooral als ze ijskoud zijn. Maar het maakt ook hongerig.
Om de cirkel rond te maken eten we de ultieme maaltijd bij La Truca. Zoals gebruikelijk zijn het vooral zeebeesten die we naar binnen werken. Na de ensalada mariscos volgt de espada (zwaardvis), in porties die meer dan groot zijn. Het spreekt voor zich dat we na afloop niet aan de verleiding kunnen weerstaan om de weg omhoog posada-waarts te onderbreken met verantwoord terrasbezoek. Heel Sanlúcar lijkt aan de wandel, want het is een niet aflatende stroom die aan ons voorbij trekt.
Het meest deprimerende is altijd het weer inpakken van de koffers. Maar het is niet anders. Morgen tegen het einde van de middag zullen we ons weer moeten melden bij de incheckbalies van Air Berlin in Málaga. Dat moment kan gelukkig gerust uitgesteld worden tot middernacht. Daarna nog een douche en figuurlijk onder de wol. Want van een Arctische zomer is hier geen sprake. Morgenvroeg na het ontbijt oostwaarts. Met die gedachte in mijn kop dommel ik in. Misschien ook wel nagenietend van de zoute smaak van de manzanilla in mijn mond. In het belendende restaurant is er vanavond geen gekletter van borden en bestek te horen. Een voordeel, als je met het raam open slaapt. Blijkbaar hebben ze het spul al eerder in de vaatwassers gedumpt.