Hermitage: het zomerpaleis van Nicolaas II aan de Amstel
Het ziet er niet erg zomers uit als Gemma en ik vanuit het Centraal Station naar buiten stappen. Uit de zware lucht valt een Hollandse moessonregen naar beneden. Maar na het ophalen van een stadsplattegrondje (2 euri; in het buitenland zijn die dingen gewoon gratis) in het Tourist Information Office annex Noord-Zuid-Hollands Koffiehuis wordt het al droog. En dat zal de rest van de dag zo blijven. Sterker nog: ’s middags gaat de zon tekeer en is er een run op de Amsterdamse terrassen.
Alle reden dus om, in plaats van het openbaar vervoer te nemen (ik speur nog even naar de Stop and Go bus), via de financieel bodemloze Metrobouwputten gewoon het Damrak op te lopen. De verrommeling is er niet minder op geworden. Integendeel. De friet van Manneken Pis concurreert er minstens zo hevig met het opwekken van primaire lusten als het vlakbij gelegen Sex Museum. En bij de bliepende speelhalautomatenhallen zijn de koersverliezen minstens zo scherp als bij overbuurman Berlage. Welcome to the Netherlands! Voor me uit loopt de plaatsvervanger van Jezus op aarde. Zijn rode hesje schreeuwt het uit: Bidden helpt! Het heeft nog niet veel geholpen, als ik zo om me heen kijk.
Op de Dam krioelt het van de Japanners (hoezo kredietcrisis) en moddervette duiven. Voor de ingang van Madame Tussaud staat een sliert jongeren die een schoolreis maken. Even een slok cultuur, en daarna snel naar de Wallen. Het Rokin is al een even grote bouwput als het plein voor het Centraal Station. Nepjuweliers en belwinkels staan met de rug tegen hun door zichzelf ontsierde gevels. Dan buigt onze wandeling naar links. Het water van het Rokin bassin. De smalle boog van de doorgang naar de huisnummers 88 tot en met 98 heeft er geen goed woord voor over. Beatus qui intelligit, super egenum & pauperem. In die mala liberabit eum, Dominus. Psalm XLV:j. Maar de gouden kalveren worden hier al aanbeden vanaf de 17e eeuw. En het ossenbloedrood van de deuren riekt nog naar de vleespotten van Jan Steen.
Inmiddels lopen we langs de Binnen Amstel. Schuin naar links het gedrocht van de Stopera. In de loodkleurige knipschaar van de Amstel en de Zwanenburgwal weerkaatsen de witte marmeren gevelcarrés De zon schijnt zoals op de 17e eeuwse stadsgezichten. Wolkenpartijen doen nog denken aan hun zojuist verjaagde waterzware broers. Trap- en klokgevels spiegelen zich in de plassen water op straat. De Blauwbrug doet zijn naam geen eer aan. Maar het blijft een van de meest imposante bruggen van de stad. Weliswaar geen Parijse Pont Alexandre III, maar de vergulde keizerskroon van de Romanovs en de hoog opklimmende lantaarns nodigen uit tot een bezoek aan het Russische hof. Pas om 14.00 uur zal het bal worden geopend. De bakstenen gevels van de Hermitage aan de Amstel ogen nog gesloten als een oester. Dorpse rust. Alsof er nooit tot op het scherp van de snede gevochten is. Geen woning, geen kroning. De Slag om de Blauwbrug heeft alleen maar winnaars opgeleverd. Lees maar na, in de annalen van de Geldropse Adri. Nu rijden ze op dure bakfietsen. Krakersnageslacht voorin. De Metro in de binnenzak. Tandeloze Tijd.
Het Waterlooplein biedt deze ochtend nauwelijks kooplustigen. De helft van de kramen is zelfs niet bemand. Iedereen heeft alle tijd. Maar voor de echte liefhebber is er altijd wel iets te vinden. Van gasmasker tot modern kunst. Dat de ideeën van Geert Wilders hier nog geen voet aan de grond gekregen hebben, blijkt uit het veelkleurige palet van neringdoenden en kooplustigen. De keurige zilverkleurige hooggehakte lady naast de blingbling uit ons koloniale verleden. Mar toch: geen hoofddoek te zien deze ochtend.
Een kop slechte cappuccino op de brug bij de Antoniebreestraat met uitzicht op de Montelbaantoren in de felle zon. De Raamgracht over. En dan door de dodenpoort naar het plein rondom de Zuiderkerk. Van februari tot augustus 1945 was deze kerk de Gemeentelijke Doodenbewaarplaats, meldt de plaquette. Door ontbering, honger en duits geweld stierven te Amsterdam in het laatste oorlogsjaar meer mensen dan begraven konden worden. Hier was hun tijdelijke rustplaats. Ook nu ademt het intieme plein een serene rust.
In een van de zijstraten haal ik een broodje ciabatta met mozzarella, tomaat en pesto. Eet het op aan de Staalkade. Op een bankje met zicht op de Blauwbrug en de Binnen Amstel. Een enkele meeuw klapwiekt over het glad getrokken water. Woonboten worden er overwoekerd door uitbundige plantengroei. Achter me, op huisnummer 5, kan ik me aanmelden voor een cursus Salsa Caliente Salsa Cubana y mas. Ik aarzel, want over een half uur moet ik me melden aan de poort van de Hermitage. Voor een bal aan het Russische hof. En daar wil ik niet te laat komen. Want ik haalde de Afrikaanse zangeres Oumou Sangare op 20 mei in Paradiso ook al niet, laat me het achtergebleven affiche op de kade weten.
De controle is streng. Stalinistisch bijna. Via een nauwe doorgang in het geblindeerde hekwerk rondom de Hermitage beland je binnen het tsaristische rijk aan de Amstel. Die wordt op dit ogenblik voor een groot deel overschaduwd door een megapodium in aanbouw. Over drie dagen zullen hier koningin Beatrix en de president Medvedev van de Russische federatie hand in had luisteren naar muziek en verblind worden door een spetterend vuurwerk. Dat alles bij gelegenheid van de officiële opening van de dependance van het winterpaleis in Sint Petersburg. Mijn uitnodiging wordt ingenomen. Maar even later stappen Gemma en ik de binnentuin in. Niet fotograferen. Ze schiet op me af, de geüniformeerde museumakela. We willen niet dat er al foto´s in de pers verschijnen voor de officiële opening. Ik begrijp het.
Even later zitten we in het al bijna volgestroomde auditorium. Het aantal stoelen matcht perfect met het aantal genodigden. En dat blijken vooral mensen uit de bovenlaag van de Amsterdamse hotelwereld te zijn. En uit de toeristische sector. En uit kunstminnaars. Zoals wij. De ruimte is stemmig. Het publiek heeft weliswaar een hoog high heels gehalte, maar zover ik het kan overzien zijn omhooggevallen makelaars en de rest van de onroerend goed maffia vandaag niet van de partij.
De burgemeester van Amsterdam, Job Cohen himself, doet de aftrap. Gevolgd door een toespraak van Ernst Veen, de directeur van de Hermitage. Na nog enkele huishoudelijke mededelingen van een andere medewerker kunnen we ons melden aan het Russische Hof. De expositie is voor het grootste gedeelte ingericht in de twee grote vleugels van het paleis, waartoe ik ook alle zijvertrekken reken. Het museum biedt na de ingrijpende verbouwing enorme ruimtes nu de bodem letterlijk is weggeslagen tussen de vroegere eerste en tweede verdieping van het voormalige 17e eeuwse verzorgingshuis. Andere ruimtes heten nu regentessekamer, kerkzaal of vriendenlounge. Die laatste wordt nog stevig onder handen genomen, maar zal op 20 juni zeker klaar zijn. Helaas is deze middag het luxe café/restaurant Neva vanmiddag nog niet geopend. Ik had er graag al even een Russische bloody mary achterover gekieperd.
Aan het Russische hof, Paleis en protocol in de 19e eeuw, is de titel van de tot 31 januari 2010 durende expositie. Beide vleugels zijn er voor ingericht. Na een paar seconden waan je je al volledig opgenomen in de familie van de Russische tsaren. Zelfs de baljurken maken walsbewegingen binnen het beperkte kader van hun glazen kooi. En anders kijk je wel door de ramen naar de toenmalige jetset bij weer een familiefeestje van de Romanovs. Ingelijst hangen ze aan de wanden. Maria Fjodorovna. Olga Nikolajevna. Anastasia Nikolajeva. De tsrevitsj Aleksej. En natuurlijk het oppertsarenkoppel Alexandra Fjodorovna en Nicolaas II. Het overlijdensjaar is voor het keizerlijke stel, inclusief hun vijf kinderen, gelijk: 1918. Wat een timing. Het vervolg is bekend. Nieuwe burgertsaren met namen als Lenin of Stalin dienen zich aan. Over drie dagen zal de voorlopig laatste telg van deze burgerdynastie, Dmitri Anatoljevitsj Medvedev, zich melden aan de poort van de Hermitage aan de Amstel.
Er is veel moois te zien op deze tentoonstelling. Met dank aan het Russische volk. Die hun eigen Icesave hadden in het Winterpaleis aan de Neva. Ik loop langs de magistrale schilderijen van Winterhalter en Repin. Langs de gepolitoerde jachtwapens en de met goudstiksel geborduurde weitassen. Langs een hele vitrine met keizerlijke damespumps. Imelda Marcos heette vroeger tsarina. Vergulde meubels. Zelfs de keizerlijke troonzetel is ingevlogen voor deze expositie. En verder gaat het weer: tientallen kilo’s juwelen, snuifdozen, serviezen, waaiers, vazen. Er lijkt geen einde aan te komen. Bijna zou je de schitterende vormgeving van het museum over het hoofd zien. De met een wit-gouden kleur bestreken wanden van de grote zalen zorgen voor een warme uitstraling en zorgen voor een perfecte balans tegenover het koele glas en staal van de trappenhuizen.
Om vijf uur worden we terug verwacht in het auditorium. Daar gaan de gevulde glazen al rond als we binnen stappen. Na een paar uur gewalst te hebben aan het Russische hof is het tijd om even te relaxen met een glas helder fonkelende witte wijn. Even later gaat ook nog de bittergarnituur rond, maar dat oogt wat ordinair in deze ambiance. Maar niet dus. Of was net steeds het plateau leeg als de serveerster in de buurt was? De hoffotograaf schiet zijn plaatjes. Een kunstminnend vrouwtje vraagt me of ik weet waar in Amsterdam garnalenkroketten te koop zijn. Ik moet het antwoord schuldig blijven. Doe maar asperges, zeg ik, het witte goud. Ze komt niet van het platte land, zoveel is wel duidelijk, als ze beweert dat het seizoen toch al voorbij is. Ik help haar uit de droom. Want pas op 24 juni, met Sint Jan, is het zover. Zouden ze aan het Russische hof ook regelmatig asperges gegeten hebben? En zou Peter de Grote ze hoogstpersoonlijk hebben gekocht bij de boer in Grubbenvorst. Ongetwijfeld niet. Hij zou ze hebben gevorderd.
Terug de stad in. Het einde van de middag is warm en zonnig. Dat wordt dus een terras aan de Nieuwmarkt, met zicht op de Waag. De Amsterdamse Leffe blonde smaakt alsof je gewoon in de Belgische Ardennen zit. Alleen met al die voorbij schietende, met jong grut gevulde bakfietsen weet je dat het niet zo is. Even daarvoor liepen we Theofiel Jetten tegen het lijf. Achter een bord Thais voedsel op een klein terrasje aan de Kloveniersburgwal. De wereld is een dorp. Na de dood van zijn vader Maurice, vijf jaar geleden, niet meer gezien. Woont nog steeds in Amsterdam, bij het Vondelpark. We wisselen mailadressen uit, ook vanwege het boek dat ik aan het schrijven ben over vijftig jaar Blariacumcollege, waar zijn vader de eerste rector van was. Hij kan het restaurant Raan Phad Thai en het voedsel aanbevelen. Om een uur of kwart over zes zullen we er neerstrijken. Op zijn advies. En dat klopte.
We schampen de hoerenbuurt en lopen via de Zeedijk richting station. De trein van zeven over zeven. Voor Breukelen staan we een half uur stil, midden in de zompige graslanden. In de trein voor ons is brand uitgebroken. De melding komt na een kwartier. Ja, wel truttige verjaardagswensen door de intercom over de passagiers uitbraken. Maar snel correcte informatie doorgeven, ho maar. Service, heet dat. En als er mededelingen gedaan worden zijn die ook nog eens onverstaanbaar. De reis zal uiteindelijk een uur of drie duren. Nederland is groter dan je denkt. Maar in diezelfde tijd vlieg je naar Sint Petersburg. Naar het winterpaleis in de zomer. Maar het zomerpaleis ligt hier. Niet aan de Neva, maar aan de Amstel. Beatrix en president Medvedev zijn er geweest. En die spreken altijd de waarheid. Net als de Romanovs. Destijds. Tot 1918. Nu zijn er alleen nog de stille getuigen. In de Amsterdamse Hermitage. Niet te geloven.