Paradise by the dashboard light
Zondag 25 januari. Om half twaalf word ik verwacht in ‘De Witte Hoeve’ in Venray. Daar zal tijdens een programma dat tot ongeveer twee uur zaal duren de (door het Literair Café Venray uitgeschreven schrijfwedstrijd) literaire prijs van de schrijfwedstrijd ‘De Raadselige Roos’ (uit een gedicht van Nijhoff, ‘Het lied der dwaze bijen’) worden uitgereikt. Eén voor poëzie, en één voor proza. Er zijn 122 deelnemers, keurig verdeeld over beide categorieën. Inzendingen zijn toegestaan door inwoners van Zuid Nederland. Belgisch Limburg en elders wonende amateurschrijvers die in Zuid Nederland geboren zijn. Deze zondag is het de 16e editie van de literaire prijs. Zelf heb ik meegedaan in de categorie proza, met het verhaal Paradise by the dashboard light. De prozastukken mogen maximaal 1500 woorden tellen. Het mijne is afgemaakt op 1496 woorden.
Het is een gevuld programma deze morgen. Met o.a. een optreden van de jonge Venlose dichter-performer Daan Doesborgh. De grote zaal zit vol, zo’n 250 mensen, schat ik. Voor de pauze wordt de afdeling poëzie afgewerkt, en na 13.00 uur is het proza aan de beurt. In beide categorieën zijn er drie prijzen (uiteraard maar 1 bronzen Raadselige Roos), en een stuk of vier eervolle vermeldingen. Iedereen (prijswinnaars en de eervolle vermeldingen) wordt vervolgens gepubliceerd. Het boek zal aan het einde van de sessie worden uitgereikt, en daarna in de verkoop gaan.
Wat de poëzie betreft is er, naar mijn mening, weinig vernieuwends te ontdekken. Dat zal ongetwijfeld ook veroorzaakt worden door het feit dat er maar relatief weinig jonge dichters hebben ingezonden. In de categorie proza is dat minder het geval. De ‘vertoonde’ poëzie heeft mijns inziens bij deze literaire Wettkampf een te hoog omagehalte.
Dan het proza. De winnaar van de bronzen Raadselige Roos is een Venlose auteur, Fons Wijers. Zijn korte verhaal Souvenir is volgens het oordeel van de jury een anekdotisch verhaal over een bergbeklimmer, in een aangename stijl en prettige taal geschreven. Je blijft doorlezen, de spanning is gedoseerd en het slot is verrassend. Volgens de jury de terechte winnaar van de Raadselige Roos 2008.
Inderdaad, het is een goed geschreven verhaal met een bijna perfecte spanningsopbouw, inclusief enkele – zelfs letterlijk te nemen – cliffhangers. Hij mag het zelf na de prijsuitreiking voor de volle zaal voorlezen. Negen minuten staan er voor. ’s Avonds lees ik het nog een keer, rustiger. Evenals de andere gepubliceerde bijdragen.
En daar hoor ik tot mijn verrassing ook bij. Want nadat de top drie is bekend gemaakt worden er ook nog vier eervolle vermeldingen uitgereikt. En daar hoor ik ook bij. Mijn verhaal is dus ook in de bundel 2008 opgenomen. Het juryoordeel luidt als volgt:
‘Paradise by the dashboard light’ van Gerard Staals uit Grubbenvorst is een origineel schrikbeeld van de toekomst, surrealistisch en spannend en een grappig uitgewerkt idee. Ook hier geeft het originele thema recht op publicatie.

PARADISE BY THE DASHBOARD LIGHT
Na de derde aanmaning was voor Herman de maat vol. Geïrriteerd propte hij de rode envelop van het Ministerie van Volksgezondheid in zijn binnenzak. En reed naar Dodewaard waar zijn moeder al sinds haar vijfenzestigste een klein tweekamerappartement bewoonde. Elke zaterdagmiddag kwam hij op bezoek om te controleren of alles wel goed ging. En om de meest noodzakelijke levensmiddelen af te leveren.
Twee jaar geleden, toen zich bij zijn moeder de eerste tekenen van dementie vertoonden, had hij het gas afgesloten. En een magnetron geïnstalleerd. Niet dat ze dat apparaat kon bedienen, maar het gaf hem in ieder geval rust. Tot het moment dat de oproep van het Ministerie op de deurmat zou vallen. Dat was nu drie maanden geleden. Precies op de dag dat zijn moeder vijfenzeventig werd. Als officieel supervisor van zijn moeder werd sinds vijf jaar alle officiële post naar zijn huisadres gestuurd. Zoals de afrekeningen voor energie, telefoon en de huur.
Toch was het even slikken, toen hij de eerste rode envelop opengemaakt had. Maar het was nu eenmaal niet anders. Sinds de regering in 2010 besloten had het ouderenprobleem drastisch aan te pakken waren veel ouderen van vijfenzeventig en ouder geëmigreerd. Naar Afrika. Of Zuid Amerika. In alle westerse landen waren inmiddels dezelfde wetten van kracht. Behalve in Zwitserland. Dat land hield al een paar jaar de grenzen hermetisch gesloten voor buitenlanders. Alleen tegen betaling gigantische bedragen konden buitenlandse ouderen een klein chalet kopen in een van de streng bewaakte after-live ressorts. Een luxe die uiteraard slechts voor weinigen was weggelegd. Ex-profvoetballers, popmusici, CEO’s van multinationals, dan had je het wel zo’n beetje gehad. Niet voor zijn moeder, dus.
Haar leven lang had ze al moeten sappelen. Na de dood van zijn vader was het helemaal geen vetpot meer geweest. En drie jaar geleden was ook nog eens de BUS, de Basis Uitkering voor Senioren die in plaats gekomen was van de AOW, gehalveerd. Pensioen ontving ze niet.
De broekriem moest stevig worden aangehaald volgens de regering. De dure olie die in 2011 na de aanslagen op de palmeilanden en de Burj Al Arab in Dubai in prijs explodeerde, werd aangewezen als de boosdoener. ´De kleine man is altijd de lul´, mompelde hij binnensmonds, terwijl hij zijn auto parkeerde langs het trottoir.
´Wat zit er in die koffer, ma?´ Zijn stem klonk als droog geblaf. ´Je hebt alleen maar je identiteitsbewijs nodig, hoor.´ Zijn moeder bleef ondertussen wat kippig door de kleine slaapkamer scharrelen. Haar ogen ricocheerden door de kamer. ´Moet dat allemaal nou echt, jongen?´ Bijna onhoorbaar kwamen de woorden uit haar nauwelijks bewegende mond. Herman reageerde er niet op. Elke week zag hij tegenwoordig op tv gruwelijke voorbeelden van hoe het niet moest. Ouderen die met geweld uit hun huis werden gehaald. En afgevoerd. Huilend, gillend, met onmachtige en zinloze armgebaren. Natuurlijk waren de maatregelen van de regering hard. Maar wel zonder onderscheid des persoons. Uiteindelijk had hij er vrede mee. Het was cremeren of prepareren. Hij had gekozen voor het laatste. ´Ik kan het ook niet helpen, ma. ‘Wet is wet.´
Eenmaal in de auto scheen zijn moeder tot rust te komen. Strak zat ze voor zich uit te kijken. Zagen de koplampen de weg aftasten. Het uur tussen hond en wolf was al voorbij. Hij moest nog stevig doorrijden om op tijd te zijn. Ondertussen viel het flauwe, veelkleurige palet van de dashboardverlichting over het asgrauwe gezicht van zijn moeder. Diepe voren in haar wangen en voorhoofd. De mond scherp getekend. Verbeten, zelfs. Als door de zon gebleekt crêpepapier.
Herman zocht niet meer naar woorden. De praatsessies waren voorbij. De laatste maanden waren die alleen maar op ruzie uitgelopen. En kreeg hij de volle laag. Verwijten dat het hem een rotzorg was wat er met zijn moeder gebeurde. Niet te geloven. Terwijl zijn zussen hun bezoeken al jaren geleden hadden gestaakt.
Na bijna een uur draaide hij de ruime parkeerplaats op van de Stichting Metempsychosis, gevestigd op een van de uit de kluiten gewassen bedrijventerreinen van Nijmegen. In elke stedelijke agglomeratie waren het afgelopen decennium in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid de identiek vormgegeven gebouwen van deze stichting verrezen. Veel glimmend glas en staal. Voor de afgelegen plattelandsgebieden, zoals in de oude Groningse veenkoloniën, werden van regeringswege mobiele units beschikbaar gesteld. Even efficiënt, maar wel aan de krappe kant. Vorige week was er nog een in brand gestoken, herinnerde Herman zich. De daders waren de volgende dag al gegrepen door de nogal fanatieke bedrijfspolitie van Metempsychosis. Deze speciale eenheid stond er bekend om zich te gedragen als een soort KGB uit de voormalige Sovjet Unie. Zelfs gewone burgers waren doodsbenauwd voor deze geprivilegieerde groep geheime agenten. Maar van de regering hadden ze absolute volmachten gekregen.
Hij parkeerde zijn oude Honda Civic. Zijn moeder maakte geen aanstalten. `Kom`, zei hij, terwijl hij de deur voor haar opende, `het is zo ver. We zijn mooi op tijd’.
Hij haalde de brief uit de rode envelop. Aan de balie wist de medewerkster onmiddellijk wat haar stond te doen. ´Ik had ook graag het identiteitsbewijs van uw moeder´, sprak ze op neutrale toon, terwijl ze op het computerscherm wat gegevens controleerde. Zijn moeder reikte het hem aan. Hij zag dat haar hand trilde en gaf het identiteitsbewijs snel door aan de medewerkster van Metempsychosis. ´U kent de procedure uiteraard, meneer Styx?’ ‘Uiteraard, mevrouw.’ ‘Dan moet u dit nog even ondertekenen. Leest u het gerust allemaal even door.’ Ze schoof hem een gelig, al volledig ingevuld formulier toe. ‘Ik zal een van onze medewerkers laten komen om uw moeder te begeleiden.’
Twee weken waren voorbij gegaan. Overdag was hij zonder rust in zijn lijf. En elke nacht zocht zijn moeder hem op in zijn slaap. Warrige beelden. Zijn moeder die zich luid gillend aan hem vastklampte. Totdat twee potige medewerkers van Metempsychosis haar ruw onder de arm namen. En met haar achter de klapdeuren verdwenen. Het gekrijs was nog minstens een halve minuut te horen geweest.
Vier dagen daarna was zijn moeder weer bij hem afgeleverd. Nauwelijks veranderd. Misschien zag ze zelfs iets jonger uit. Maar haar ogen stonden flets. Kunstogen. Bijna niet van echt te onderscheiden. De rest van haar lichaam oogde als een pop. Die een hol geluid produceerde als je er op klopte. Niet meer dan een kilo of zes woog ze nog. De preparateurs van de Stichting Metempsychosis hadden hun werk voortreffelijk gedaan. Gisteren had hij de beschrijving nog eens nagelezen. Op verschillende plekken werd de huid open gesneden en binnenste buiten gekeerd. Waarna de vlees- en vetresten werden verwijderd. Vervolgens werd de huid in verschillende desinfecteer- en looibaden gelegd, gewassen en gedroogd. Ten slotte werden de geprepareerde huiddelen weer terug geplaatst op een vooraf door de computer ontworpen, en in alle verhoudingen exact gelijkend model van kunststof. Helemaal aan het einde werden de naden bijgewerkt. En leek de huid weer intact.
Maar ergens knaagde iets in hem. Van slapen kwam niets of nauwelijks iets terecht. In en uit bed. Van ellende stapte hij dan maar in zijn auto om wat rond te rijden. Zette de autoradio aan. De muziek leek van onder water te komen. Gepoft geluid. Ondergedompelde stemmen uit de verte. Opgejaagde wanhoop. Though it’s cold and lonely in the deep dark night. I can see paradise by the dashboard light. Hij voelde koude grimassen als hagedissen over zijn gezicht kruipen. Voor hem uit rolde het zwarte, glimmende tapijt van de weg. Soms werd hij verblind door snel naderende lichten van een auto. En bevroor hij als een konijn. So now I’m praying for the end of time. To hurry up and arrive.
Van de Stichting Metempsychosis had hij, toen ze moeder kwamen afleveren, een telefoonnummer gekregen voor eventuele nazorg. Als hij zijn moeder zag staan op zolder kwam de twijfel. Maar in zijn binnenste wist hij dat de nieuwe ouderenzorg van de regering wel zo moest zijn. Nadat eerst vanwege noodzakelijke miljardenbesparingen was ingegrepen in het uitvoeren medische huzarenstukjes had het Ministerie van Volksgezondheid het daarna snel voor elkaar gekregen alle burgers te voorzien van een zogenaamd life voucher. Dat iedereen recht gaf op een leven van maximaal vijfenzeventig jaar. Korter was toegestaan. Langer niet. Een paar maanden voor het bereiken van de terminale dag ontvingen alle ouderen de inmiddels beruchte rode envelop. En een beschrijving van de handelingen die door de Stichting Metempsychosis vervolgens zouden worden uitgevoerd. Toestemming over hergebruik van organen na de dood was al een paar jaar eerder afgeschaft. Het Ministerie eigende zich toe wat nodig was.
Zweet parelde op zijn voorhoofd. Ongemerkt was hij in slaap gedommeld onder de grote parasol. Zijn mond voelde droog aan. Moeizaam stond hij op. En terwijl hij naar de keuken slenterde om zich een glas cola in te schenken hoorde hij het dichtslaan van de brievenbus. Met zijn glas nog in de hand slofte hij naar de gang om de post op te halen. Op de mat lag de een rode envelop. Als een rechthoekige plas bloed.
