Gisteren was er al een post te lezen over een van mijn favoriete schrijvers, de Franse auteur Louis Ferdinand Céline. Ik raak maar niet uitgelezen. Lees en herlees. En als je eenmaal het ritme te pakken hebt loopt het als een trein. Die dendert. Voort dendert op het ritme van de taal van Céline. Bewonderaars in Nederland zoals wijlen de schrijvers W.F. Hermans en Gerard Reve hebben de schrijver dan wel niet nagevolgd, maar zijn er wel degelijk door geïnspireerd. Reve heeft er zelfs ooit een compleet tv-programma aan gewijd.

Maar opnieuw vandaag een post over zijn meesterwerk VOYAGE AU BOUT DE LA NUIT (Reis naar het einde van de nacht) uit 1932, als heel Europa in rep en roer begint te raken. En ten slotte ook Céline wordt ingehaald door de werkelijkheid. Met de Duitsers slaat hij op het einde van de Tweede Wereldoorlog op de vlucht, want in Frankrijk was hij zijn leven niet meer zeker vanwege zijn BAGATELLES POUR UN MASSACRE, een antisemities pamplet waar de honden geen brood van lusten. Terug naar de VOYAGE, ga mee op REIS. En daarnaast - voor de geïnteresseerde Céline lezer - een beknopte biografie.

LOUIS-FERDINAND CELINE (1894-1961)
Op 1 juli 1961 overlijdt de Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline aan de gevolgen van een hersenbloeding. Op 4 juli wordt hij in de Parijse voorstad Meudon begraven. Frankrijk haalt opgelucht adem. De gehate antisemiet en beruchte pamflettist is onder de zoden gewerkt. Het collectieve Franse geheugen kan zich eindelijk schoonwassen.
Céline is een van de Franse schrijvers die van wereldformaat zijn. Als schrijver bewonderd en van een eenzame klasse, maar als mens ideologisch totaal ontspoord en uitgespuugd door bijna iedereen. Waarom ik dan toch Louis-Ferdinand Céline lees? Omdat het meeslepende literatuur is, vernieuwend proza en met een eigen idioom. Als je Céline leest herken je daarna bij het lezen van andere teksten van hem al na een paar woorden de hand van de meester. Jachtig proza, in de haast neergekrabbeld door een paranoïde gek.

In 1975 schrijft Louis Ferron: Er zijn maar enkele schrijvers die ik met de regelmaat van de klok steeds maar blijf herlezen. Eén van deze schrijvers is Louis-Ferdinand Céline. In Nederland is inmiddels het grootste gedeelte van zijn werk uitgegeven (bij Uitgeverij Meulenhoff) en bestaat er zelfs een ‘Celine Genootschap’, dat zich ten doel stelt de belangstelling voor het literaire werk van Céline te stimuleren.
In de eerste Nederlandse vertaling (1934) van zijn VOYAGE AU BOUT DE LA NUIT
door J.A. Santfort schrijft Professor Dr. P. Valkhoff in zijn inleiding op de vertaalde tekst het volgende:
Van het begin tot het einde gaan we met de auteur door de somberheden van het leven, door materiële en morele ellenden, ellenden van oorlog, kolonisatie, Ford-bedrijf en prostitutie, armoede en ziekte, moord en macabere beroepen. En even later: De "helden" van Céline zijn voor het merendeel paria’s, gedeclasseerden, verwordenen, slappelingen met criminele lusten, maniakale doktoren, geldzuchtige kleinburgers.

REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT is een nachtmerrie, een hallucinatie die in 1932 Céline bijna de prestigieuze Prix Goncourt opleverde (hij kwam slechts 3 stemmen tekort). Sinds de verschijning ervan waren de meningen over Céline en zijn ‘REIS’ niet alleen verdeeld volgens de geijkte tweedeling pro of contra, er waren schakeringen en er vonden verschuivingen plaats. Zo wendde links bij iedere nieuwe uitgave van Céline het hoofd af: een racist, een antisemiet, een collaborateur met de Moffen. Maar vanwege Célines pacifisme heeft datzelfde links later, tevergeefs, getracht hem binnen te halen. Rechts, daarentegen, was van mening dat hij onvoldoende had gecollaboreerd. en bovendien was het een vuilschrijver.
Céline werd dus voornamelijk verguisd. En dat was precies waar hij op uit was. Hij was immers voornamelijk gaan schrijven om zich te bevrijden uit het benauwende wereldje van de kleinburgers waarin hij leefde. Céline oogst stormen, hoewel hij beweert geen wind te hebben gezaaid. Hij provoceert. Zijn schrijftalent is luidruchtig, buitensporig. In feite weet hij dat hij slechts schrijft (of leeft) om te worden verguisd. Pas bij zijn laatste ademtocht zal hij daarmee ophouden. Net als Robinson.
Wie zoiets leest wordt op zijn minst geprikkeld om te gaan lezen. Maar eenmaal begonnen hang je eraan vast. Voorgoed.
Wie was deze Louis-Ferdinand Céline? Een korte biografie:
1894 Hij wordt op 27 mei als Louis-Ferdinand Destouches geboren in de Parijse voorstad Courbevoie (bijna op de plek waar nu de Grande Arche van Mitterand het pronkstuk van het Manhattan van
La Défense staat te zijn). In het gezin heerst ‘nette armoede’, maar later zal Céline de Passage Choiseul, waar zijn moeder een garen- en kantwinkeltje drijft, bijna als Dantes inferno afschilderen.
1912 Na enkele verblijven in het buitenland (Duitsland en Engeland) om de taal te leren tekent hij voor drie jaar als vrijwilliger voor het leger. Niet de meest gunstige tijd, want de Eerste Wereldoorlog staat op uitbreken.
1914 In het Vlaamse Poelkapelle wordt hij gewond aan zijn rechterarm. Het levert hem een militaire medaille op, maar ook voor de rest van zijn leven oorsuizingen en hoofdpijnen.
1916 Ondanks zijn recente huwelijk vertrekt Céline naar Cameroun om er voor een Franse koloniale firma te werken. Doodziek door de malaria en een hardnekkige ingewandenontsteking komt hij terug naar Frankrijk., waar hij zich inschrijft aan de universiteit om de Medicijnenstudie te gaan volgen.
1920 Een tweede huwelijk brengt hem naar het Bretonse Rennes, waar hij vestigt zich als arts. Geboorte van dochter Colette. Dokter Destouches lijkt een burgermansleven te gaan leiden.

1925 Hij verlaat vrouw en kind om te gaan werken voor de Volkenbond. Er volgen reizen naar de Verenigde Staten, Cuba, Canada en West-Afrika. ervaringen die hij later in zijn boeken nodig zal blijken te hebben.
1928 Na een tweede scheiding vestigt hij zich als arts in de Parijse armenwijk Clichy. Een tijd van armoe vanwege schulden en gebrek aan klandizie die zal duren tot in 1932, als zijn vader sterft
1932 Maar 1932 is ook het jaar dat dat in één klap de naam van Céline als groot schrijver voorgoed zal vestigen. Met veel tumult verschijnt zijn eerste grote roman VOYAGE AU BOUT DE
LA NUIT , die in
1934 in het Nederlands vertaald zal worden onder de titel REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT.
1936 Zijn tweede grote verschijnt (MORT A CREDIT), de roman over zijn jeugd. Hij bezoekt de Sovjet-Unie en ontmoet een nieuwe vriendin, die later zijn derde vrouw wordt.
1939 Door links uitgespuugd, door rechts gewantrouwd ondanks zijn antisemitische pamfletten (de Tweede Wereldoorlog staat op uitbarsten), raakt Céline in een isolement. Hij wordt als arts benoemd in Sartrouville, waar hij tot 1944 zal blijven.
1944 Celine vlucht met andere collaborateurs mee naar Baden-Baden en vervolgens naar het Zuidduitse Sigmaringen, waar de Franse Vichy regering van maarschalk Pétain haar toevlucht had gezocht.
1945 Met zijn nieuwe vrouw Lucette Almanzor vlucht hij naar Denemarken, waar hij hoort dat zijn moeder inmiddels is overleden en zijn Parijse uitgever is vermoord. Celine wordt, in afwachting van zijn uitwijzing, gevangen gezet.
1947 Hij komt vrij, maar niet uitgeleverd te worden. Nieuwe hallucinerende boeken verschijnen zoals DE BRUG VAN LONDEN en KANONNENVOER.
1951 Celine keert met zijn vrouw terug in Frankrijk. Het wordt tenslotte de Parijse voorstad Meudon, waar het tot het einde van zijn leven zal blijven wonen.
1960 Céline heeft de jaren schrijvend doorgebracht, nauwelijks zichtbaar voor buren en kennissen. Maar in dit jaar verschijnt NORD, dat samen met de latere romans RIGODON en D’UN CHATEAU L’AUTRE de zogenaamde ‘Duitse Trilogie’ genoemd zal worden, omdat er onnavolgbaar zijn vlucht vanuit Frankrijk door Duistland naar Denemarken beschreven wordt.
1961 Op 1 juli sterft Louis-Ferdinand Céline. Postuum zullen nog een aantal minder bekende (en misschien ook wel literair mindere) romans verschijnen. Vanaf dit moment is Céline niet meer uit de Franse literatuur weg te denken. Nederlandse schrijvers als Willem-Frederik Hermans en Gerard Reve hebben veel aan hem te danken.
