Brussel: van Marollen en Poechenellen, en Ah, Amadeo!
Om twaalf uur parkeer in mijn auto, op min vijf ondergronds, in de Parking Grote Markt, waar op dat ogenblik alles al in vol bedrijf is ter voorbereiding op de Brussels Marathon 2007. Eenmaal weer bovengronds word ik verwelkomd door een illuster gezelschap: Don Quichote en Sancho Panza. En dat in Brussel. Maar de lucht oogt Spaans: bijna onbewolkt en een temperatuur van 17 graden. Windstil.
Er is een afspraak op het Vossenplein met de rest van het gezelschap van de dag. Metro in, overstap op station Kunstberg, en weer opduiken bij Louiza, in de schaduw van het megalomane Palais de Justice. Op die hoogte ligt Brussel letterlijk aan je voeten. Glimmend in het strelende zonlicht van de Indian Summer. Dan afdalen met de lift, en in een andere wereld terecht komen.
Om kwart voor een heeft het gezelschap zich definitief geformeerd aan de rand van de dagelijkse vodden- en rommelmarkt in deze ultieme volksbuurt, de Marollen. Tot twee uur vindt hier dagelijks de markt plaats, alle seizoenen door. Het hele plein is volgestort met de meest populaire bric-à-brac die je je maar voor kunt stellen. Vandaag niet verkocht, dan morgen een nieuwe poging. Over overmorgen. Of volgende week. Zo niet, dan volgende maand. Perpetuum mobile.
Lunchtijd. Dan is er maar één adres dat meer dan welk eetadres de hele Marollen samenvat: de Skieven Architek. De naam van dit restaurant-café, gelegen aan het Vossenplein (in het Frans: Place du Jeu de Balle) in het hart van de Marollen, verwijst naar Joseph Poelaert, de architect van het Palais de Justice. Voor de bouw van dit dreigende gebouw werd eind 19e eeuw een groot deel van deze populaire wijk gesloopt. Het is daarom duidelijk dat Poelaert hier niet populair was en de term skieven architek een scheldwoord werd.
Het is moeilijk kiezen. De beruchte stoemp staat ook hier vooraan in de pikorde. Maar ook de paling in het groen en de waterzooi doen mee voor de hoofdprijs. Of toch maar een stoofschotel? Of ballen in tomatensaus? Of Brussels loof? Het duizelt even. Maar het de hele kaart wordt min of meer in bestelling gedaan. En ter consumptie met elkaar uitgewisseld. De bediening werkt zich in het zweet met het aanslepen van volle kommen stevige frieten. Zo hoort dat in een volkswijk. Ik werk mijn eerste kelk Leffe brune naar binnen. Die smaakt naar meer. Veel meer.
Als ik buiten kom is de markt aan zijn einde gekomen. De laatste spullen worden weer ingeladen. Of achtergelaten. Het sein voor de minst bedeelden uit het Marollen-quartier neer te strijken voor het verzamelen van wat overgebleven kruimels. Ook hier is te zien hoe sterk de Magreb vertegenwoordigd is in het hart van Europa. Maar ook het Belgische koloniale verleden is prominent aanwezig bij het scheiden van de markt. Hun fleurige, bonte kledij steekt zomers af bij de vaal neerhangende lappen van Noord Afrikanen. Als het de surveillerende agenten wat te gortig wordt, jagen ze de roedels, in bergen afval snuffelende paupers uiteen. Die vervolgens vijf minuten later weer terug zijn voor een hernieuwde graaipartij. Wat mij betreft verdienen ze meer sympathie dan al die Rijkman Groeninken bij elkaar.
Maar we lopen al richting Grote Zavel. Zon streelt de rug. De beschermengel van de oude Marollenwijk pakt je bij de hand. Leidt je langs pittoreske cafés, volle zonovergoten terrassen, de met prullaria volgestouwde winkels van de vele antiquairs, uitnodigende restaurantjes en al die onduidelijke neringdoenden die hier hun leven rekken. Brussel. De stad van Brel, maar dan 180 graden gekanteld. Brussel was toen nog een bruisende stad. Ook nu nog, Jacques, maar waar zijn die zinderende Brusselaars van toen gebleven? Op de kasseien rond de Sinte Kathlijn dansen de sleepjurken en de knevels. Maar de tegenwoordige sleepjurken en knevels zijn van Afrikaanse, meest Noord Afrikaanse origine.
En dan sta je ineens voor de laatgotische Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk. Voor een deel gemaskeerd, want al een hele tijd in restauratie. Maar eerst wurmen we ons door de antiekmarkt op het pleintje voor de kerk. Hier is, in tegenstelling tot het Vossenplein, de uitgestalde waar van hoge kwaliteit. Lampen, meubilair, tafelzilver, glaswerk, schilderijen, kortom alles wat in de Brusselse topzaken ook te vinden is. De prijzen zijn er dan ook naar. Het publiek is in stijl gekleed. Nog net geen madammen in bontjassen. Maar dat kan ook aan de temperatuur van deze zondagmiddag liggen. Ik hou de hand op de knip. En wend de steven richting kerk. De gevels zijn grotendeels al ontdaan van hun zwarte roetlaag en ander fijnstof. Boven de hoofdingang steken de zandstenen koppen van heiligen en bijbelfiguren hun koppen met trots het zonlicht in. De deuren staan uitnodigend open. Naar binnen, dus. De heilige Wivine verwelkomt je in een waas van etherische was die verbrand wordt door een eskadron waxinelichten aan haar voeten. Een gouden (of is het toch koper?) schrijn, dat in processies in de stad wordt rondgedragen. Bijna veertien meter hoge glas-in-lood ramen. Een fraai bewerkte houten preekstoel. Een bijna Spaans aandoende moeder Gods. De hoedster van deze Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk.
Er is de Grote en de Kleine Zavel, op een steenworp van elkaar. Zeer waarschijnlijk won men hier in het verleden zand (zavel is kleihoudend zand). In 1304 verkocht het Sint-Janshospitaal dit terrein aan de gilde van de kruisboogschutters die hier een kerk bouwden. De Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk valt op door haar
Tegenover de kerk ligt het kleine intieme pleintje, annex parkje van de Kleine Zavel. Misschien is het wel het mooiste parkje van Brussel. Pas in 1890 werd het geopend. Het smeedijzeren hekwerk rondom de groene oase wordt onderbroken door 48 gotische zuilen die elk een standbeeld dragen van de verschillende Brusselse ambachten. Elk standbeeldje draagt de typische klederdracht en attributen van het betrokken vak. Zo uitgedost stappen de leden van de ambachten jaarlijks mee in de jaarlijkse Brusselse Ommegang.
In het midden van de Kleine Zavel staat het standbeeld van de graven van Egmont en Hoorn. Onrechtvaardig veroordeeld door de Hertog van Alva en onthoofd te Brussel op 5 juni 1568, meldt de gouden plaquette op de sokkel, die tevens versierd is met de wapenschilden van de twee graven. Hun hoofden rolden op de Grote Markt. Rond Egmont en Hoorn staan tien standbeelden van bekende figuren uit de XVIde eeuw, waaronder onze eigen Willem van Oranje.
Uiteindelijk beland je altijd bij Manneken Pis. Wagonladingen Japanners en Oost Europeanen zijn ter plekke gelost en staan nu meer dan driehonderdvoudig de kleine zwarte pik digitaal vast te leggen voor het nageslacht. Het Manneken pist ondertussen onverstoorbaar door.
Tegenover, in de Poechenellenkelder, is het een stuk rustiger. Het is een echte Brusselse kroeg, versierd met echte theaterpoppen, de zogenaamde poechenellen (stangpoppen). Vroeger was er aan het café trouwens een echt poppentheater verbonden. In de kelderruimte staat dat poppentheater in museumstand.
Het Brusselse woord poechenel betekent zoveel als marionet, en daarvan zijn er in dit café een hele verzameling te bewonderen. Hoewel vlak naast het ultra-toeristische Manneken-Pis gelegen, blijft het een van de meest authentieke cafés van de Brusselse binnenstad. Het is dan ook niet te verwonderen dat heel wat Brusselse verenigingen hier op geregelde tijdstippen “vergaderen”, getuige de grote houten plaquette boven een van de stamtafels. Toefel van de Gewueners, staat er op te lezen, hetgeen een garantie is van een stevige inname van Belgische bieren. En die zijn hier in alle soorten en alcoholpercentages. Ik hou het op een tweetal Leffe Brune, stevig in een glazen kelk verpakt. En met een dichte, twee centimeter schuimkraag uitgeserveerd.
Na meer dan een uur daar gezeten te hebben, is de tank weer voldoende gevuld voor opnieuw een stuk wandeling door de Brusselse binnenstad. Op de Grote Markt legt ING de oranje loper uit voor de finish van de Brussels Marathon die morgen gelopen zal worden. Televisiemaatschappijen rollen hun draden vanuit de zijstraten over een lengte van meer dan honderd meter en in bundels over de kasseien richting Grote Markt. Even later meandert een bedwelmend trommelend, dansend en zingend een bont geleurd en gekapt Hara Krishna gezelschap een van de mooiste pleinen van Europa op. De mannelijke geestdoders zorgen voor de muziek. De haremdames wervelen als buikdanseressen in de Indiase Here voorop. De meest oranje doorzichtige kledij wappert in de najaarszon. Maar het is geen ING-oranje. En met de marathon heeft het ook al niet van doen.
Langzaam zakt de zon achter de fraai vergulde gildenhuizen naar het einde van de dag. Tijd voor de maaltijd. Na een kort bezoek aan het art nouveau café Cirio, tegenover het Beursgebouw, stranden we in de Sint Kathelijnestraat. Restaurant Amadeo ontvangt ons met open armen. Op tafel staan de flessen wijn al klaar. Die wordt zal na afloop worden afgerekend per gedaalde centimeter. Het is een brede, donkere pijpenla waarvan de lange wanden van beneden tot boven zijn ingericht als boekenkast. Een vreetbibliotheek, dus. Tienduizenden boeken staan hier te chambreren in de braadlucht van de spare-ribs à volonté, want daar is het restaurant voor gekend. Restaurant Amadeo bestaat al lange tijd, maar is voortgekomen uit het Patershol te Gent. Sinds het jaar 2000 is er een vestiging te Brussel, vlak bij de Vismarkt. Het imposante en gezellige interieur dat een mengeling is van Vlaamse en Oosterse stijl. Zeg maar: een ratjetoe.
De menu’s zijn persoonlijk te selecteren bij een uitstalling in de nabijheid van de keuken. Alle ingrediënten liggen per menu tentoongesteld op een houten plankje. De prijs staat er bij. Het wordt een grote plank met allerlei soorten gegrild vlees (schaap, varken, koe). En twee vuisten grote gestoofde aardappel, gewikkeld in aluminiumfolie, en het binnenste – naast de aardappel – ook nog eens gevuld met speciale sauzen, wordt na een half uurtje opgediend. Op een houten plank. En met toeristengarnering die bestaat uit een snelle salade. En als toegift
Het is goed dat er nog een stevige digestieve wandeling volgt naar de Grote Markt Parking. Zo krijgt de vleesbetonlading in ieder geval de kans stevig in te dalen. Voordat we weer ondergronds gaan, grijnzen Don Quichote en zijn ezelberijder Sancho Panza ons ietwat gemeen toe. Hollandse Holle Bolle Gijzen, hoor ik ze denken. Die kunnen we wel aan. Weerloze hobbits in Belgiëland. En windmolens, die kennen ze daar in de Lage Landen ook al niet meer. Maar voordat hij zijn paard de sporen geeft, ben ik al op niveau min vijf van de parking. Van mijn stuk gebracht door de trillende lans van ridder Quichote mis ik ook nog een belangrijke afslag. En even later rij ik het nachtelijke Schaerbeek binnen. Allochtonië. Want alle boven alle straten schommelen de verlichte parafernalia van het voorbije Suikerfeest. Soms heb ik moeite de pardoes overstekende zwarte schimmen van gedomesticeerde Berbers te ontwijken. Maar misschien is dat slechts verbeelding. En verbeeld ik mij een eigentijdse Don Quichote te zijn. Nog