August 20th, 2007

Babar zingt Le Tango du Congo in Les Olivettes

Posted in: Journaal — admin @ 8:23

Om acht uur ’s morgens (zondag!) zijn we al op pad. En om half tien lopen we over de Pont des Arches in Luik. Het eerste doel is de markt aan

La Batte langs de Maasoever, een van de grootste markten van Europa. Zo ver het oog reikt rijgen zich de kramen aaneen. Veel groenten, fruit, kleding en prullaria. Maar ook culinaire lekkernijen van vooral Italiaanse en Franse herkomst: kaas, worst, wijn. Daartussen de ‘veemarkt’: kippen, ganzen, eenden, en honden. Alles is te koop. Het verbindende element is de warm van gebraden kippen aan het spit, dikke frieten, en zelfs zuurkoolmaaltijden die liggen te pruttelen is mansgrote, platte pannen.

Daarna het centrum in voor een terras, bij de kathedraal. De eerste Leffe Brune wordt naar binnen geschoven: het is amper elf uur in de ochtend. Voor de noodzakelijk volle aflaat lopen we ook nog even door de kathedraal. De ijle walm van wierook hangt nog na te hijgen van de hoogmis, die net is afgelopen. En dan weer na het andere gedeelte van het centrum: via de Place du Marché naar de buurt rondom de gerestaureerde Saint Barthelémy. Lopen door de verstilde impasses, een dorp in de stad. Met veel bloemen in pittoreske binnentuintjes. Om weer terug te keren op een terras op de Place du Marché voor een maaltijd met kip en friet. Buiten op het terras, want de temperatuur is fantastisch. Zo’n 23 graden.

 

En dan wordt je ineens binnengezogen in het meest bekende café-chantant van Wallonië, Au Jardin des Olivettes in de Rue Pied du Pont des Arches. Het bruine etablissement heeft de deuren wijd open staan vanwege het zomerweer, en een oude bebrilde, en in een roze bloemetjesjurk gestoken dame zingt op een half meter hoog podiumpje oude Franse chansons. Ik schat de leeftijd van de zangeres op minstens vijfenzeventig. Het café zit stampvol met – toegegeven – wat ouder publiek. De derde leeftijd zit te nippen aan grote kelken Leffe, Ciney of Duvel. Er wordt met enthousiasme geapplaudisseerd na afloop van elk chanson.

 

 

We vinden een plek aan een smalle houten tafel, met goed zicht op de bejaarde artiesten. Die zingen om beurt twee oude Franstalige chansons. Piaff , Montand, Bécaud en Brel zijn daarbij favoriet. De gemiddelde leeftijd van de zangers en zangeressen ligt, naar mijn inschatting, boven de zeventig. Ver in de vorige eeuw was er de eeuwige roem, soms regionaal, soms alleen in Luik tot en met de Vrijstaat Outremeuse. Maar hun inzet blijft er niet bij achter. Integendeel. En dat ondanks de soms fysieke hindernissen die genomen moeten worden.

Stéphanie (la petite maman des Olivettes), een hoogbejaarde chansonnière wordt met vereende krachten op de te krappe bühne getild. En daar op een houten stoel gepositioneerd. Dat zingt een stuk steviger. Geeft zelfvertrouwen. En je kunt je concentreren op tekst en melodie. Soms wordt bijna het oude niveau bereikt, soms blijft de chansonnier of chansonnière daar ver van verwijderd. Het volume staat op vol, ondanks de uitstekende geluidsinstallatie.

 

En van de zangeressen pompt Janine haar populariteit op door aan haar tafelgenoten haar zojuist op de marché aangeschafte strakke strings te showen. Zo sta je - geestelijk - in ieder geval niet in je blote kont te zingen. De heren die optreden hebben ter compensatie hun pantalon tot vlak onder de oksels opgetrokken, ook al wordt het afzakken sowieso al verhinderd door brede bretels. Vlak voor ons is Babar al een kwartier lang bezig om - met behulp van zijn bejaarde vriendin (eveneens ooit eens een bekende zangeres) - een meezinger van minstens een halve eeuw oud uit te zoeken. Babar (inderdaad, van het olifantje!), is een kleine, dikke en beweeglijke Liégeois, en nog even enthousiast als vijftig jaar geleden. Even later klimt hij verhit het podium op. Het wordt Le tango du Congo, een levenslied dat zijn weerga niet kent. Vroeger vertolkt door de beroemde Grand JoJo. Nu meegezongen door de hele tent. Tot op de Cour, de toiletten in de kelder, waar Madame Pipi zorgt voor bijpassende ondergrondse galm. Bovengronds maakt de vertolker van dit levenslied ondertussen alles uit zijn nog ferme klankkast. Maakt er zelfs ondersteunende, theatrale gebaren bij. En illustreert het nog eens met een veelzeggende mimiek. Het publiek kan er niet genoeg van krijgen. Les Olivettes gaat bijna uit zijn houten dak.

 

Aan de elektrische piano blijft de toetsenman maar onverstoorbaar doorspelen. Soms zijn hoofd in de richting van de artiest wendend om het tempo op elkaar af te stemmen. Ne tirez pas sur le pianiste. Nooit moe. Zijn wapperende haardos en dito snor bewegen nerveus boven de brede bretels die over zijn rug en buik gespannen staan. Zijn dikke vingers blijven onvermoeibaar roffelen over het toetsenbord. Zelfs een plaspauze zit er niet in in al die uren dat we in het café zitten. Soms zingt hij een versregel mee.

 

Au Jardin des Olivettes is imiddels een internationaal bekend café-chantant. Er werd zelfs een filmdocumentaire, La vie en chantant, over gemaakt die op het Prix Europa Filmfestival 2006 in Berlijn werd bekroond met de speciale Prix Europa-prijs.

De film is een documentaire over het café Les Olivettes in Luik, waar onder pianobegeleiding door de gasten chansons worden gezongen. ‘Met een gevoelige manier van filmen leidt de regisseur het publiek naar een Belgische wereld vol leven, liefde, ontroering en veel beroerde zangkunsten,’ aldus de jury.

La Vie en chantant: documentaire van Patrick Bisschops  De regionale TV van L1 zond de documentaire al een keer uit, in april van dit jaar:

In Les Olivettes treden geen professionele artiesten op, maar de vaste gasten. Zij zijn er voor even ster en vinden er de broodnodige erkenning die zij zoeken. En zingen kunnen ze. Het hele repertoire van Brel, Bécaud, Montand en Piaf komt voorbij. Enkelen hebben inmiddels illustere bijnamen verworven als Het meisje van Parijs, De smalle taille met het grote talent, de Luikse Rudolph Valentino en La petite maman des Olivettes (de 83-jarige Stefanie)…

Les Olivettes heeft een eigen website. Met foto’s en andere wetenswaardigheden. Zelfs de prijzen van de verschillende consumpties zijn er te raadplegen. Ga naar www.lesolivettes.eu 

 

  

 

August 17th, 2007

Een volle aflaat bij Sainte Marie in Outremeuse

Posted in: Journaal — admin @ 8:12

In Nederland is in de jaren zestig van de vorige eeuw Maria Hemelvaart bij het grof religieus vuil gezet. Gelukkig is het Belgische episcopaat niet voor modieuze tijdsdruk, flowerpower en ontkerkelijking gezwicht, en heeft ze Sainte Marie recht overeind kunnen houden. Gelukkig maar, want je kunt het je toch gewoon niet voorstellen, dat het kloppende hart zomaar wordt weggerukt uit de jaarlijkse feestkalender van de République Libre d’Outremeuse in Luik.

Daarom ben ik al ruim voor het middaguur in Outremeuse, samen met Jo en John. De auto parkeer ik gratis op het Place du Congrès, waar de bronzen buste van Georges Simenon, c.q. commissaire Maigret, midden in het bloemperk van het ronde plein, de hele dag zal blijven waken over mijn oude Mazda 626 Cronos. Aan wie kun je je bezit beter toevertrouwen?

De processie hebben we weliswaar gemist. Want die was al voor dag en dauw, om kwart voor tien, vertrokken vanuit de Eglise Saint Nicolas. De tweehonderd kilo wegende Zwarte Maagd Maria van Outremeuse wordt dan door padvinders de kerk uitgedragen en vervolgens in de processie door de straten van de République Libre gevoerd. En dat al sinds de 16e eeuw. Traditie is de ziel van een bevolking.

 

 

Die volle aflaat – door het bijwonen van de processie – ben ik dus misgelopen. Maar ik zal het goedmaken door de rest van de dag me in volle hevigheid te storten in het feestgewoel. En het organiseren van feesten, dat kun je moeiteloos aan de bevolking van deze vrijstaat overlaten. Tegen het middaguur wordt er nog volop opgebouwd. Eet- en drinkkramen worden van stevige dekzeilen voorzien, want de dreiging van een bui blijft. Podia worden van apparatuur voorzien. De vaten bier worden nog naar binnen gerold. En fraai uitgedoste muzikanten en danseressen eten nog snel een stevige zak Belgische frieten leeg, want tijdens de grote optocht halverwege de middag zal daar geen tijd meer voor zijn. De eerste pékets (Waalse jenever) worden naar binnen gekieperd. Ze worden met hele barquettes (een smal wit plastic bakje waarin vier of vijf kleine plastic ‘glaasjes’ staan) te koop aangeboden. Tegenwoordig wordt de péket bijgekleurd met frambozen-, aardbeien en andere vruchtenextracten. Ook de péket gaat met zijn tijd mee.

 

 

We laten de boel even voor wat het is. Komen wel terug als vanmiddag, zo rond een uur of drie, de grote folkloristische optocht door de straten van Outremeuse zal gaan trekken. Op weg naar de Place du Marché lopen we, voor de eerste volle aflaat van de dag, langs de taveerne van Tchantchès et Nanesse, de oerkinderen van Outremeuse. Eromheen staan in slagorde de rijen houten tafels en banken al klaar om de dorstige bevolking te laven. In een kleine tent opzij staat het blauwe gipsen beeld van de Vierge des Pauvres  in alle bescheidenheid toe te zien of het wel allemaal goed zal gaan. Maar ook zij vertoont geen spoor van twijfel.

Op de Place du Marché drinken we onze eerste kelk Leffe Brune. Op het terras van A Pilori, onder een flauwe zon. Die smaakt. Ook hier zijn er – het is immers een vrije dag in België – toch al heel wat mensen op de been. De temperatuur klimt ondertussen op tot een graad of  22. Niet slecht, want de voorspellingen waren niet al te best gisteren.

 

 

 

Na deze kelk tot de bodem te hebben leeg gedronken – ook een volle aflaat? – gaat het richting Les Olivettes, misschien wel het meest bekende café-chantant van België. Het is er nu nog niet vol, maar dat zal in de loop van de dag zeker anders worden. Bij binnenkomst zie ik al bekenden, die een paar dagen geleden ook al de pannen van het houten dak zongen. De energieke Janine, en de nog energiekere Babar met zijn brede bretels strak over de dikke bierbuik gespannen. En andere artiesten waarvan de glorie misschien wel enigszins verbleekt is, maar het enthousiasme dat meervoudig weet te compenseren. Beurtelings klimmen ze op het krappe podium en laten hun klassieke Franse chansons knallen.

La Ballade des Gens Heureux. Of O, Champs Elysées. Chansons met eeuwigheidswaarde. We zingen mee, waar we kunnen. De kelken Leffe functioneren daarbij als legale epo.

Allengs schuifelen er meer gasten naar binnen, aangelokt door de Sirenen van Les Olivettes, waarvan de deur en de ramen uitnodigend wijd open staan naar de Straat, de Rue Pied du Pont des Arches.

 

 

Na Babar zijn er weer andere artiesten die de roem van vroeger weer als de geest uit de fles naar boven proberen te krijgen. De vergeelde zwart-wit foto’s van nóg grotere chansonniers die aan alle muren zijn opgeprikt, kijken goedkeurend toe. Aznavour, Montand, Brel. Natuurlijk Brel, wie anders?

 

Het is half drie. We moeten nog wat eten na al die kelken Leffe. En om drie uur moeten we terug in Outremeuse zijn, als de stoet door de straten gaat trekken. We eten een stevige zak Belgische frieten op de Place de l’Yser waar het publiek al massaal staat te wachten op het begin van le grand cortège folklorique. Daarna posteren we ons tegenover Le Randaxhe, het fameuze café-bar-restaurant waar bij zonnig weer de terrassen breed uitwaaieren over het plein. Mocht het gaan regenen, dan hebben we ons ook nog van een droge plek verzekerd omdat we onder het zeildoek staan van een kraam waar de veelkleurige pékets staan te wachten op dorstige klanten.

 

De stoet wordt vooraf gegaan door metershoge poppen van de helden van Outremeuse, zoals Tchantchès et Nanesse. Maar zelfs die worden afgetroefd door de sluwe, doch beminnelijke commissaire Maigret, de verbeelding van die andere held van Outremeuse, Georges Simenon.

Vervolgens is de beer los. En is het een eindeloos voorbij trekken van fanfares, harmonieën, folkloristische groepen, dansers, carnavaleske wagens, vuurspuwende draken en roze varkens. Zelfs ezels en paarden zijn van de partij. Het veelkleurige publiek mengt zich soms met de groepen die zelfs uit Stavelot of Malmédy hier naar toe gekomen zijn. Danst en zingt met hen mee. Met glas bier in de hand. De vijf minuten regen kunnen de pret niet drukken. Integendeel, het lijkt wel of het extra energie geeft.

 

 

 

Als je om je heen kijkt zie je pas hoe divers het publiek hier naar toe is getrokken. Natuurlijk, de wijk Outremeuse is sowieso al een mengelmoes van rassen. Het Belgische koloniale verleden is hier opvallend aanwezig. Voor Bar Le Safari zitten pikzwarte Congolezen met pretogen, en in bonte kledij achter een houten stamtafel. Maar ook Noord Afrika, vooral Marokko, is prominent vertegenwoordigd. Soms gehoofddoekt, maar meestal in volkomen geïntegreerde, dus westerse kledij. Dat laten die mooie zwartharige meiden zich niet meer afpakken. En verder gaat het, van Vietnam en India naar Zuid Europa. En allemaal hebben ze hun plek, en hun eigen restaurants gevonden in deze wijk. Maar vandaag verkopen ze allemaal péket. Ook dat is een vorm van integratie. Sainte Marie als Maria Middelares. Een volle aflaat voor iedereen die hier zijn kop laat zien vanmiddag. En dat zijn er tienduizenden, misschien wel honderdduizend alles bij elkaar.

 

 

Na afloop van de cortège dromt het publiek naar de lange houten drinktafels of naar de al overvolle cafés. En altijd kom je bekenden tegen. Zoals Maurice en Djoeke, die ineens ook voor Le Randaxhe staan, met een vol glas Jupiler in de hand. Meedrinken, dus. Later op de avond zullen we ze nog een keer treffen. In de Rue Roture. Ook dan met een glas Jupiler in de hand. Wij hebben dan al een tijd op een ander terras doorgebracht, in de Rue Jean d’Outremeuse. Waar we het bier konden laten wegdrinken bij de muziek van ambulante bandjes. Hara Krishna en Django Reinhardt op één muzikale hoop. Het kan. Op andere plekken hebben zich op tientallen, nonchalant verspreide podia andere muziekgezelschappen geposteerd. Er wordt gedanst. Er wordt gezongen. Er wordt gedronken. Vooral veel gedronken. De dag van morgen is nog ver. Maar die zal zwaar zijn voor de meesten. En dan te bedenken dat het feesten nog doorgaat tot in het weekend. Dat levert een veelvoud aan volle aflaten op. De Moeder Gods is royaal deze week.

 

 

Drinken maakt hongerig. En dan biedt de Rue Roture de helpende hand. Hoewel we de eerste hand moeten laten glippen. De couscous-tent die we op het oog hadden, zit afgeladen vol. En alleen door het genieten van de naar buiten golvende Arabische muziek kan de honger niet stillen. Maar in de Rue Roture zit je nooit voor een gat gevangen. Een paar deuren verder is het wel raak. Een standaard menu met tomates-mozarella vooraf, en mousse chocolat na. En daartussenin uiteraard de fameuze boulettes liégeoises met friet. Uiteraard met een glas Jupiler. Weer buiten word je onmiddellijk weer meegezogen in de massa die het drinktempo enigszins lijkt te hebben opgevoerd. Het begint al te donkeren, en dat komt niet alleen vanwege het zware wolkendek. Op straat lijkt het nog drukker dan een uur geleden. Jong en oud, exotisch en burgerlijk, lelijk en mooi, legaal en illegaal, zwart en blank, katholiek en islamiet: zelden heb ik een bonter allegaartje bij elkaar gezien. Het kan. In Outremeuse in ieder geval.

 

 

Omdat ik nog een lange reis naar Noord Limburg voor de boeg heb, en achter het stuur alcohol niet de juiste combinatie is om zonder gevaar de 125 kilometer weg te werken, besluiten we langzaamaan naar de auto te wandelen. Maar dan wel via de kermis die staat opgesteld in de buurt van de Eglise Saint Pholien. Inderdaad, de kerk waar Georges Simenon zijn pendu aan opknoopte. Omdat het nagenoeg donker is, zijn de bewegende en knipperende lampen van de attracties zowel een feest voor het oog als een caleidoscopische duizeling voor diegenen die al wat glazen achter de kiezen hebben. En dat is bij de meesten inmiddels wel het geval. We bereiken de Place du Congrès via de Rue Georges Simenon. Hoe zou het ook anders kunnen. Zijn bronzen kop staat nog even onbeweeglijk als vanmorgen. Maar mijn auto heeft hij niet uit het oog verloren. Die heeft voldoende rust gehad. En het kost dan ook geen moeite hem weer in beweging te krijgen. Halverwege de terugrit plenst de regen met bakken uit de donkere lucht. Sainte Marie zij geprezen.

 

 

 

 

August 14th, 2007

Last post uit Andalusië 17: slot

Posted in: Travels — admin @ 8:20

Dit was het dan, het verslag van de reis naar Andalusië, van 7 tot en met 23 juli 2007. Het was het tweede bezoek aan deze meest zuidelijke streek van Spanje. In oktober van het vorig jaar waren we er ook al twee weken. Toen met het accent op de steden Grenada, Córdoba en Sevilla. Nu met het accent op de periferie en het landelijke gebied. Beide keren logeerden we het grootste gedeelte van het verblijf in het schitterende, authentieke Casa García Lorca in El Borge, in de prachtige streek die de Axarquía heet. Toen een week in El Borge, dit jaar zelfs twee weken. Het is prima bevallen. Na de herfst (oktober 2006) en de zomer (juli 2007), is het misschien ook wel goed om de streek ook een keer in de lente te bezoeken. Dat het leven in El Borge en in Andalusië per jaargetijde nogal van elkaar verschilt, hebben we tijdens onze tweede vakantie zelf kunnen ervaren.

 

 

Ik denk dat de gemiddelde (maximale) dagtemperatuur in de zeventien dagen dat we in Andalusië waren, zo’n 35 graden Celsius bedroeg. En toch was het te doen. Ik denk vooral vanwege de zeer lage luchtvochtigheid. De droge lucht mat minder af dan je in zo’n heet klimaat zou verwachten. Natuurlijk is het verstandig de grote steden te mijden, want daar is het ongelooflijk heet. Vooral in Córdoba hebben we dat aan den lijve ervaren. Dan was het aan zee, maar ook in het gebergte vaak wat aangenamer. Ook al omdat er vaak een lichte bries stond. Die zag blijkbaar geen kans om in het centrum van Córdoba door te dringen.

 

 

Na elke reis hou je indrukken over die je wilt herbeleven. Vooral Cádiz en de Woestijn van Tabernas maakten indruk. Beide plekken zou ik graag nog een keer willen bezoeken. En op dat verlanglijstje staat dan tevens een oversteek naar Tanger, waar we – vanwege tijdsgebrek – in Tarifa niet meer aan toe kwamen. Maar het zou niet goed zijn alle wensen tegelijkertijd vervuld te hebben. Er moet nog wat overblijven. Een goede reden om naar Andalusië terug te gaan.

 

 

 

 

August 13th, 2007

Last post uit Andalusië 16: Aan alles komt een eind - Andalucía: hasta la vista!

Posted in: Travels — admin @ 7:48

Vandaag is het – voorlopig – onze laatste dag in Andalusië. Zeventien dagen die omgevlogen zijn. Vanwege de vele indrukken? Vanwege de hitte? Vanwege de grote variatie aan landschappen? Vanwege de hartelijkheid van de bevolking van El Borge? Vanwege de rust in het Casa Garcia Lorca? Wie zal het zeggen. Maar de werkelijkheid valt rauw op het dak: aan het einde van de middag zal de Boeing van LTU ons optillen en pas weer in het Duitse Düsseldorf aan de grond zetten. Maar laten we de uren niet weg geven, maar zo lang mogelijk zelf in de hand houden. Eerst maar eens voor ons desayuno naar het terras van El Reloj. Daar zitten meer ontbijtgasten van hun café con leche en hun tostadas te genieten.

 

 

 

Marbella komt op deze maandagochtend langzaam op gang. De kleine bestelauto’s laden de kratten frisdranken uit en leveren ze op steekwagentjes af in de verschillende horecagelegenheden rondom het pleintje waar we het ontbijt nuttigen. Straatvegers nemen hun eerste rustpauze van de dag, en posteren zich op hun kont in een portiek om wat bocadillos weg te werken met een slok frisdrank. Een postbode sjouwt met zijn knalgele correos langs de adressen waar hij post af moet leveren. Keurig in het pak gestoken beambten haasten zich – waarschijnlijk wat verlaat – naar kantoor. Want de tent, ook in de hete Andalusische zomer – moet natuurlijk gewoon doordraaien.

 

 

 

We knabbelen ondertussen rustig ons ontbijt weg. We hebben immers nog alle tijd. Tijd om nog even door de straten van het centrum van Marbella te slenteren, nadat we eerst de rekening hebben betaald van

La Morada Mas Hermosa en  – per taxi – onze koffers in de auto hebben gezet. Gemma krijgt het nog in haar hoofd een schoenenwinkel binnen te stappen. En met drie paar naar buiten te stappen, waarvan twee paar hooggehakte nieuwe. De dozen laten we maar achter: teveel ballast voor in het vliegtuig. Daar sjokken we dan even later mee door de Gil y Gil-stad.

 

 

 

De temperatuur is inmiddels tot 30 graden opgelopen, als we tegen het middaguur de Ford Focus rojo tango de sporen geven richting Málaga. Voordat we daar arriveren, slaan we autoweg af bij Guadalmar. En gaan op zijn naar het sublieme Argentijnse restaurant, waar we vorig jaar de meest malse biefstuk van het noordelijk halfrond gegeten hebben. Na even rondrijden en zoeken, treffen we het restaurant

La Vinoteca aan in de Calle Rogelio Oliva, gewoon op de vertrouwde plek. En het is open. 

 

Per abuis bestel ik niet de grote sappige bieflap, maar het mindere broertje ervan, de Argentijnse kotelet. Het is weliswaar een stuk vlees waar je je handen bij aflikt, maar speelt niet in de eredivisie van het vlees. We zitten binnen, de airco snort, en de hitte dringt niet door tot binnen. De zaak is rustiek van inrichting, met veel hout en parafernalia die verwijzen naar stoere bandoleros. De bediening is charismatisch, en de vrouwelijke diensters zingen mee met flamencoachtige muziek die vanachter de balie de eetzaal wordt ingestuurd. Volledig op kracht verlaten we na zo’n anderhalf uur

La Vinoteca. Tot een volgende keer, maar dan zal ik me niet vergissen. Dan wordt het weer de vertrouwde megabiefstuk, waar je smaakpapillen van blijven lekken.

 

 

 

Ik lever de auto af bij het kantoor van Malagar.com, vlakbij de luchthaven. De formaliteiten zijn in minder dan een oogwenk vervuld. Nog voordat we goed en wel de koffers hebben uitgeladen, wordt de wagen al weggereden voor een wasbeurt. Nachecken of alles wel in orde is met de rojo tango, blijkt niet nodig. Maar met een all risks verzekering is dat inderdaad overbodig. Na een paar minuten rijdt de shuttlebus al voor om ons naar de luchthaven zelf te brengen.

 

 

We zijn ruim op tijd. Inmiddels heeft zich echter al een lange rij gevormd voor de LTU incheckbalie. Aanschuiven, dus. Maar het gaat redelijk snel. Even later worden de koffers gewogen. We hebben exact een halve kilo over, want per persoon mogen we – zonder bijbetalen – twintig kilo meenemen het vliegtuig in. De teller blijft steken op 39,5 kilo. Zwaarder dan toen we aankwamen. Maar dat zal wel komen door die droge worsten van El Pozo, of de queso manchego kazen, de gekneusde aceitunas en andere Spaanse lekkernijen.

 

 

Exact op tijd, om half zes stijgt de Boeking op van de hete betonplaten van Málaga Airport.

 

 

 

Om vijf over acht hopt de Boeing 320 over de Duitse landingsbaan. In volledig andere weersomstandigheden. De azuurblauwe Andalusische luchten hebben plaatsgemaakt voor dikke, grauwe wolkendekken, en het regent licht. De temperatuur is cold turkey gedaald van 32 graden naar 18. De neiging om onmiddellijk rechtsomkeert te maken is groot, maar dat zou vervelend zijn voor Maurice en Karlijn die helemaal naar Tussendoor gereden zijn om ons op te halen. Als we door de schuifdeuren de aankomsthal inlopen staan ze daar al. Andalusië: hasta la vista!

 

 

August 12th, 2007

Last post uit Andalusië 15: Nogmaals Marbella, maar dan met hamaca y sombrilla

Posted in: Travels — admin @ 19:41

Marbella heeft voor sommige mensen een wat bedenkelijke reputatie. Dat is ten onrechte, zeker voor wat betreft het oude centrum. Natuurlijk is het zo dat de ‘regeringsperiode’ van burgemeester Jesús Gil y Gil indertijd de badplaats een niet al te beste naam bezorgd heeft. Corruptie, charlatanerie en patserdom vierden hoogtij. Een mix van dikke olie-Arabieren, filmsterren, omhooggevallen makelaars, en zelfs criminelen van de Russische en Joegoslavische maffia wisten van gekkigheid niet wat voor riante onderkomens ze moesten kopen in de directe omgeving van Marbella. En dan vooral aan de nieuwe haven van Puerto Banús, waar de nouveau chic heeft afgemeerd.

 

Na een korte nacht – mede vanwege de airco, c.q. de grote waaier boven het bed – zitten we om half tien aan het ontbijt op het terras van El Reloj, waar we de afgelopen nacht ook geëindigd zijn. Een paar stevige tostadas en de dag kan al niet meer stuk.

Op deze zondagochtend blijkt er een bric-à-brac markt gehouden te worden op de

Paseo de

la Alameda. Grijpgrage vrouwen van middelbare leeftijd graaien in stapels goedkope kleding en/of lingerie. De mannen houden het op verschillende soorten apparaten van dubieuze kwaliteit. Ik kan Gemma er nog net van weerhouden zich een opzichtige flamencojurk te laten aansmeren. Al met al is de beschaduwde, met veel bomen en planten gestoffeerde paseo een verademing in de toch wel drukke stad. Maar we lopen al verder. Via de Dalí-beelden die als serie de benamingLa Libertad de Expresion hebben meegekregen, lopen we playa-waarts. Eerst maar eens de ligbedden en de parasol veilig stellen voor de dag. José Ravira Díaz verhuurt daar hamaca y sombrilla. Aaneengesloten in slagorde zijn ze opgesteld, vier rijen dik. En met minder manoeuvreerruimte dan op andere stranden.

De ligbedden op het Playa

La Venus , het centrale strand van de stad,  blijken voorzien van een extra dikke matras, waar je bijna in wegzakt. Ja, Venus pakt het rigoureus aan. En laat niets aan het toeval over. En dat slechts voor 16 euro voor de hele dag. Dat geregeld zijnde, sjokken we terug richting boulevard voor een kop café con leche. De dag is immers nog lang. En de zon is gegarandeerd. Evenals de temperatuur die tot een acceptabele hoogte van zo’n 33 graden zal opklimmen vandaag.  

 

 

Na een uurtje relaxen op Venus strijken we om een uur of half twee opnieuw neer aan de boulevard voor een lunch met tostadas, jamón y tomate. In de verte zien we boven de bergen een dikke grijze rookwolk omhoog komen. De helikopters met een grote waterzak eronder die even laten komen aanvliegen, en zich richting gebergte bewegen, doen vermoeden dat het om een bosbrand gaat in de sierra. De rook blijft vanwege het ontbreken van wind op de plaats hangen, met alleen een soort horizontale trechter in de richting van de zee.

Terug op het strand bellen we eerst met Maurice en Karlijn. Karlijn wordt vandaag 26 en beiden zullen ons morgenavond (bah, nu al denken aan de terugreis!) ophalen in Düsseldorf. Daarna nog een telefoontje naar Lucien, want die vertrekt morgenmiddag naar de Costa Brava; we zullen hem dus niet meer zien voordat we terug zijn.

En vervolgens gaan we weer horizontaal. De zon beukt ongenadig op de sombrilla. Maar die geeft geen krimp. Zo nu en dan even afkoelen in het zeewater, waarvan de temperatuur zo’n 23 graden bedraagt. Zo is het leven wel een tijdje vol te houden. Leven als God in Spanje. Op het Venus-strand in Marbella.

 

 

 

 

 

Ik heb wel de pest in dat mijn digitale camera steeds meer kuren gaat vertonen. Alle opnamen blijven behoorlijk onderbelicht. En bovendien gaat de flits automatisch af, ook bij volle zon. Bovendien vertoont zich een rare vlek op het beeld die ik niet weg krijg. Gelukkig is de vakantie bijna voorbij, want twee weken eerder was het pas echt vervelend geweest.

 

Op de terugweg naar

La Morada Mas Hermosa vallen we nog even neer op het nagenoeg lege Plaza de los Naranjos. Met een omweg via het castelo en een aantal bloemenstraatjes bereiken we tegen zessen het kleine hotel.

Op internet even geverifieerd of de tijd van de terugvlucht niet gewijzigd is (het hotel biedt gratis internetfaciliteiten). Maar alles is nog volgens het al maanden eerder vastgestelde vluchtschema van LTU. Wat in de koffers kan, gaat er alvast in. Dan hoeven we dat morgen niet meer te doen. Na een douche terug het centrum van Marbella in.

 

 

Het eten is iets bescheidener dan gisteravond. En misschien geldt dat voor meer Marbella-gangers. Er zijn zelfs, op deze zondagavond, een aantal restaurants gesloten. Maar de gegrilde vis smaakt er niet minder om. En ook de glazen tinto die we na afloop bij El Reloj drinken smaken naar meer. Maar helaas, Marbella is bijna verleden tijd. En erger nog, dit verblijf in Andalusië zit er bijna op. Om middernacht gaat de gong voor de laatste ronde in paradijs Marbella.

 

Rik Zaal die een fantastische reisgids over Spanje geschreven heeft, formuleert de situatie in Marbella met burgemeester Gil y Gil als volgt:

 

In 2000 […] kreeg Gil een zoveelste hartaanval,  mocht hij van de rechtbank niet meer op zijn kantoor van Atlético Madrid verschijnen, liepen er tientallen rechtszaken tegen hem en gebeurden er nog veel meer rampen in het leven van de grootste patjepeeër die Spanje ooit heeft gekend, maar zijn erfenis, de Vrijstaat Marbella in het Koninkrijk Spanje, zal nog lang een werkelijkheid blijven, bijvoorbeeld onder leiding van zijn zoon Miguel Ángel, zijn privé-advocaat José Luis Sierra en de andere leden van zijn hofhouding.

In dit Marbella hebben we nu al bijna twee dagen rondgestruind. Maar hoe je het ook wendt of keert, het blijft een bijzondere ervaring.

 

 

 

August 11th, 2007

Last post uit Andalusië 14: Logeren in La Morada Mas Hermosa in Marbella

Posted in: Travels — admin @ 12:23

Onze twee weken in El Borge zijn ten einde. Helaas, want het was wederom een fantastische ervaring in dit pueblo blanco te verblijven. En dan ook nog in het Casa Garcia Lorca, dat naast alle comfort ook nog eens een fantastisch uitzicht biedt op het dorp en op de omgeving. We zullen het missen.

Vandaag rijden we naar Marbella. Vorig jaar waren we er ook al eens een dag, maar deze keer hebben. We hebben voor twee nachten een suite gehuurd in

La Morada Mas Hermosa, volgens de Thomas Cook reisgids Het beste middenklashotel in Marbella, mooi gerenoveerd met vijf individueel ingerichte suites aan een kleine binnenplaats. De prijs bedraagt 95 euro per kamer per nacht. Dat belooft wat.

 

 

 

Nadat we de koffers naar de auto hebben gesleept, maken we nog een praatje met wat buurtbewoners. In het pasgestorte beton van de nieuwbouw zijn afdrukken van hondenvoeten verschenen. Juan is bezig ze dicht te smeren. Maar dan is het zover. Celina, bij wie we de sleutel moeten achterlaten, blijkt echter afwezig. Gelukkig is haar dochter op te sporen die de honneurs kan waarnemen. En Celina is volgens haar bezig op de campo. We dragen haar op de hartelijke groeten over te brengen. En laten als kleine attentie een fles moscatel achter. Om kwart over tien rijden we het dorp uit.

 

 

Eenmaal tegen het middaguur in Marbella aanbeland doet zich het gemis van een tom-tom gelden. Ik weet weliswaar wel ongeveer waar het hotel ligt, maar vanwege al die een richting straten is het niet meteen gemakkelijk om met de neus in de goede richting te staan. Op een gegeven ogenblik parkeer ik de rojo tango maar op een pleintje (Calle Vasquez Delgado) dicht tegen het oude centrum aan. Het hotel kan niet ver zijn. Navraag bij een bejaarde autochtoon bevestigt mijn vermoeden. De man loopt een honderd meter voor en wijst dan waar zich het hotel bevindt. En dat ligt in een straat, waar zelfs helemaal geen auto in kan rijden.

 

Wel een fraai straatje overigens, die Calle Montenebros. Alle witte gevels zijn bijna bedolven onder kleurige bloemen die in al even kleurrijke bloempotten aan de gevels opgehangen zijn. We melden ons. En laten vervolgens een taxi bellen. Ik rij met de taxi terug naar de parkeerplek om de koffers op te halen. Klus geklaard. De kamer is echter nog niet vrij, zodat we eerst maar in de buurt gaan lunchen.

 

Die lunch gebruiken we om de hoek, op het terras van een Italiaans restaurant. En die lunch mag er zijn. Eerst wat verkennend geknabbel vooraf met geroosterd brood, dat flink met knoflook en olijfolie is besmeerd. Na de standaard salada mixta wordt een voortreffelijke spaghetti carbonara op tafel gezet, met flink wat stukken zalm erin verwerkt. De tiramisu maakt de Italiaanse maaltijd tot een feest. De totale schade, inclusief de drank, bedraagt 40 euro voor twee personen. De start in Marbella kan zonder meer geslaagd genoemd worden. Wat ze er ook over zeggen.

 

 

De stad komt ons nog steeds bekend voor. Het oude centrum is dan ook niet zo ingewikkeld of uitgebreid. Vanuit

La Morada Mas Hermosa is het nauwelijks tien minuten lopen naar de boulevard. En passant heb je dan al een paar fraaie stukken van de stad meegenomen. De Plaza de los Naranjos, het sinaasappelplein, dat in de avonduren wordt omgetoverd in één groot openluchtrestaurant. Meestal druk, maar halverwege de middag, blijkt ook het plein van zijn siësta te genieten. Nog rustiger is het in het schitterende parkje dat tussen het oude centrum en de boulevard langs het strand ligt, de Paseo de

la Alameda. Zelfs de Spaans betegelde zitbanken zijn leeg. Terwijl het heerlijk zitten moet zijn met een krantje in de schaduw van de palmen, de bananenbomen en al die andere exotische vegetatie.

Aangekomen op de Avenida del Mar, steken de beelden van Salvador Dalí als vanouds scherp af tegen de azuurblauwe lucht. En dan is daar tenslotte het brede zandstrand, het Playa

La Venus.

 

 

Omdat we nog geen zin hebben in een ligbed annex parasol, wandelen we de hele boulevard oostwaarts af, langs het Playa de

la Bajadilla tot aan de Puerto Pesquero. Het is weliswaar warm (32 graden), maar het is goed te doen. Zo nu en dan genieten we op een bank gezeten van de zee en de zon.

Het loopt inmiddels al weer naar de avond, als we – terug in het oude centrum – in een soort receptie op het Plaza de

la Iglesia bij de parochiekerk, de Templo de Dios, terecht komen. Daar is het plein aardig volgelopen met de jetset van Marbella. Die is op komen draven voor een huwelijk, dat in de nabij gelegen kerk wordt voltrokken. We lopen ter verificatie even binnen. Het bruidspaar zit geknield, vlak voor het hoofdaltaar. En de witgesluierde bruid geeft net het jawoord aan de bruidegom. We mengen ons maar weer tussen de gasten op het plein. De dames allemaal in het lang. De jurken waaieren kleurrijk om de slanke tailles. De schouderpartijen blijven grotendeels onbedekt. En zo hoort het ook. De heren zijn bijna zonder uitzondering in een stemmig donker kostuum gestoken. Glas in de hand. Of de lippen op een vrouwelijke wang gedrukt. Omdat ons geen gevuld glas wordt aangereikt, bekostigen we er ten slotte zelf maar een op het even verderop gelegen Plaza de los Naranjos.

 

 

 

Op hetzelfde plein komen we ’s avonds terug, maar dan om te eten. Het zit bijna afgeladen vol als we tegen een uur of half negen op zoek zijn naar een restaurant. De stemming op het Plaza de los Naranjos is bijna uitgelaten. Obers draven af en aan met volgeladen dienbladen. Op de hoeken van het plein wordt er live muziek gepleegd. En iedereen zit in luchtige, zomerse kledij de etenswaren naar binnen te werken. Of de glazen te legen. Bij dit, nogal toeristische gezelschap voegen we ons.

 

De aftrap wordt, na een glas montilla, gegeven met een ensalada tricolor, waarbij de driekleur slaat op de mix van tomaat, avocado en mozzarella. Vervolgens komen de gegrilde vissen aanzwemmen: een lenguada plancha voor Gemma, en ik houd het bij een rape plancha salsa ajos. Inderdaad, met knoflooksaus. De wijnkeuze valt op een Faustino V Reserva. Het al allemaal slechter gekund. Aan het einde van het culinaire uitspatten reikt de ober mij de cuenta aan: 77 euro.

Maar nog is de dorst niet gelest. Want tot ver na middernacht laten we ons op het terras van El Reloj verschillende glazen tinto voorzetten. Kijken naar het publiek van alle leeftijden, maar vooral naar de spannende meiden die zich op wankele stilletto’s voortbewegen richting disco. De nacht is pas begonnen.

 

 

 

August 10th, 2007

Last post uit Andalusië 13: El Borge, en een uitgebreide siësta van twee dagen

Posted in: Travels — admin @ 8:06

Op de ‘normale’ tijd (om half negen) opgestaan vanochtend. Het lijkt wel of je met de dag wat luier wordt. De zon staat al witheet op ons slaapkamerraam te beuken. Maar we tarten hem nog even, en laten ons niet zomaar het nest uitroken.

Maar de koperen beul krijgt het toch voor elkaar. We besluiten om vandaag maar eens niets substantieels te ondernemen. De Woestijn van Tabernas even te laten bezinken. En gewoon een boek te gaan lezen na het ontbijt. Het wordt de biografie van James Joyce, geschreven door de Antwerpse hoogleraar Geert Lernout. De temperatuur werkt zelfs een beetje mee; de Spaanse weerpoes kondigt voor deze streek een 32 graden aan. Een flinke afkoeling na de hitte van de afgelopen tijd.

Tot aan de lunch blijf ik dus met de benen omhoog in relax-stand liggen of zitten op het achterterras. Nauwelijks voorbijgangers. Want ook El Borge houdt zich overdag redelijk muisstil. Lijkt collectief met zomerreces. Inmiddels hebben we ook hagedissen in ons huis gesignaleerd. Een typisch huisdier, dat wel.

 

 

Na de lunch gaat het naar de playa van Torre del Mar. De ligbedden en parasols worden met de dag goedkoper. Ze doen nu nog maar 6 euro per persoon per dag, terwijl er een week geleden nog 8,50 euro voor gevraagd werd. De branding is woest deze middag en de golven gaan wel tot twee meter hoog. Gemma raakt bij zo’n hoge golf een van haar slippers kwijt, maar vindt hem – na aanbidding van de heilige Antonius – terug, een heel eind verderop. Met de wind en de golven meegevoerd. Na een paar uur hebben we weer voldoende solaire vitaminen opgedaan, en keren terug richting El Borge. Halverwege de afstand duiken er ineens twee wolven tevoorschijn. Toch eens nakijken, of dat überhaupt wel mogelijk is in de Axarquía.

 

Eenmaal terug bij het Casa Garcia Lorca word ik door een van de werklieden bij de bouw verzocht mijn auto maar niet te parkeren op de vertrouwde plek. Morgenvroeg om acht uur wordt de eerste wagen met beton verwacht. De vloer van de benedenverdieping zal gestort worden, een karwei dat zowat de hele dag zal duren. Ik praat nog even met de opdrachtgever: een vader die voor zijn twee zoons twee aan elkaar geschakelde woningen bouwt, twee verdiepingen hoog. Een paar dagen geleden stond hij ook al bij ons aan de achterdeur, toen hij kwam waarschuwen dat mijn auto wat rottig geparkeerd stond, omdat er een vrachtauto niet langs kon.

 

 

De volgende dag, vrijdag, verloopt niet veel anders. We doen in de ochtenduren de laatste inkopen bij hypermercado Eroski. Voor thuis slaan we een liter gekneusde olijven, aceitunas, in (met pepers en knoflook), en ook een stuk of vijf droge El Pozo worsten. ’s Middags weer een paar uur in Torre del Mar. Op weg daar naar toe stop ik nog even bij een drogerij voor druiven (pasas), langwerpige bedden van zand, die schuin tegen de berghelling aanliggen en helemaal gericht op de hete middagzon. Ik maak foto’s en praat een tijd met een oude baas die in de schaduw zijn siësta zit te houden. Het blijkt de pasa-drogerij te zijn waar hij, in ieder geval in september, werkzaam is. Ik maak dus ook nog een foto met hem erbij, en beloof de foto naar hem op te sturen. Als hij maar even zijn adres voor me opschrijft. Dat blijkt eerder gezegd dan gedaan. Bibberige, onleesbare letters verschijnen op het papier dat ik hem voor houd. Dat wordt dus niks. De man blijkt gewoon analfabeet. Ik neem de klus van hem over. Hij noemt zijn naam en adres en ik toon hem wat ik opgeschreven heb. Het blijkt te kloppen.

 

Omdat het vrijdagavond is maakt de bevolking van El Borge zich op voor het weekend. In de diepte klinkt al muziek. Verschillende dorpsbewoners dalen, in hun zondagse kleren, af naar een van de twee overbleven kroegen die open zijn vanavond. Jong en oud, het weekend blijkt een collectief gebeuren. Ze groeten vriendelijk al ze voorbij ons terras lopen: buenas noches. En die nacht duurt behoorlijk lang, want pas uren na middernacht houdt het feestgedruis een beetje op. Zelfs de honden hebben geen zin om vannacht de uitdaging aan te gaan boven dit geluid uit te komen. Wij hebben ondertussen onze laatste voorraad flessen Viña Albali Reserva 2001 leeg gedronken. Morgen verkassen we naar Marbella.

 

 

August 9th, 2007

Last post uit Andalusië 12: Alhama de Grenada, een bezoek meer dan waard

Posted in: Travels — admin @ 12:33

Op een koele dag hoef je in juli in Andalusië niet te blijven wachten. Het is als Wachten op Godot. Die kwam ook nooit. En eigenlijk wist iedereen dat al bij voorbaat. Ook vandaag zal het weer een graad of 36 worden. En voor tien uur zijn we al op weg naar Alhama de Grenada. Het dorp ligt een aantal tientallen kilometers van het grote Grenada en de tocht gaat door het schitterende berggebied van de Sierra de Tejeda. Het ruige landschap begint al aan de voet van het stuwmeer dat we na een half uurtje passeren, het Embalse de

la Viñuela.

Dan wordt het behoorlijk klimmen. De weg is druk vanwege de vele vrachtauto’s die op weg zijn naar een of andere steengroeve. Of er juist, volgeladen met grote brokken rots, vandaan komen. Het is dus uitkijken geblazen, vooral op de vele bochten in de weg naar boven. Intussen doemen machtige, rotsige bergen uit het landschap omhoog.

Zodra we de bergpas gepasseerd zijn, gaat het landschap over in een soort plateau, en is er weer tuinbouw mogelijk. Bevloeide akkers met meloenen, artisjokken, sla en bonen zover het oog reikt. En er werken, zo te zien, nogal wat seizoenarbeiders op het ogenblik dat we voorbi rijden.

Daarna wordt het opnieuw glooiend. En maakt de tuinbouw plaats voor andere producten, zoals graan. De pasgemaaide, gele akkers worden afgewisseld met olijfgaarden. Het doet me denken aan het glooiende landschap van het Italiaanse Toscane.

En dan ineens ligt daar Alhama de Grenada in de diepte. Op een moment dat je denkt dat het er niet meer van komt. Het ligt er bloedheet in de middagzon. Ik parkeer de Ford rojo tango op het dorpsplein. Eerst maar eens een terras opzoeken voor een verfrissende consumptie. Daarna een wandeling door het nogal uitgestorven stadje. De korte wandeling voert langs het rode Moose kasteel tot aan de romaans-barokke Iglesia de

la Encarnación. Op weg daar naar toe, in de schaduw van de bomen, heb je al een prachtig zicht op de canyon waar nogal wat toeristen op af komen. Op de terugweg zakken we daadwerkelijk de helling af om een korte wandeling door de machtige canyon te maken. Het is er bloedheet, uiteraard vooral op de plekken waar geen schaduw is. De machtige, steile wanden imponeren. Ver boven je zie je de gevels van de huizen als het ware in één beweging loodrecht uit de rotswanden omhoog rijzen. Onder een gigantisch rotsblok ligt een kudde schapen hun siësta door te komen. Met hun poten in het ondiepe water van een riviertje dat nauwelijks die naam verdient.

Vanwege de hitte besluiten we de Ruta de los Angeles maar voortijdig af te breken. De verzengende hitte in combinatie met een knorrende maag hebben voldoende overtuigingskracht om de moeizame klim naar boven aan te vangen. Het valt niet mee. En behoorlijk in het zweet staan we een tijd later weer op het dorpsplein, het Plaza de

la Constitución.

 

Op het terras van Bar Andaluz is het weliswaar ook heet, maar we zijn al blij met een zacht briesje dat zo nu en dan onder de parasol door waait. Het wordt – uiteraard – het menu del día. Voor een prijs die we nergens lager hebben aangetroffen in Andalusië. Voor slechts acht euro per persoon eet je een volledige maaltijd. Als voorgerecht: ajo blanco (een koude, witte soep met knoflook en stukjes komkommer).  Die eet ik. En Gemma neemt een revuelta de setas (paddestoelen met scrambled eggs), die wel iets te zout is. Bij het hoofdgerecht zijn we eensgezind: carne al horno. Grote brokken gestoofd vlees met “Belgische’ frieten. Geen haute cuisine, maar alleszins eetbaar. En ten slotte als dessert een crema catalan, een puddinkje met bitterkoekjes en kaneel. Water, cola en brood inbegrepen. Vooroorlogse prijzen. En vooroorlogse kwaliteit van het voedsel.

We hadden natuurlijk ook nog even langs Hotel Balneario, even buiten het dorp, kunnen gaan. Daar bevindt zich al meer dan duizend jaar een soort kuuroord, bestaande uit thermische warmwaterbronnen en warmwaterbaden. Overigens is de benaming van het stadje afkomstig van het Arabische Al Hamma, dat ‘hete bronnen’ betekent.

 

Met hernieuwde kracht terug richting El Borge. Maar voordat we daar arriveren, nemen we nog even een duik op het strand van Rincón de

la Victoria. Huren er en passant ook nog eens twee ligbedden en een parasol (totale schade: 14 euro). De golven zijn er die middag reusachtig, maar je komt er aardig tot rust na een inspannende rit naar Alhama, en weer terug.

 

Eenmaal terug in El Borge, gaat eerst de capsule van de fles Tequieros, bier met een scheut tequila. Een beetje, maar uitstekend tegen de dorst. Met een droge worst van El Pozo wordt dit aperitief gecomplementeerd met wat tapas.

Na het avondeten valt de nacht snel over El Borge. Ik lees wat of kijk naar het programma De Avondetappe van Mart Smeets: napraten over de Tour de France en de vandaag verreden etappe. Pas ver na middernacht geven de verzamelde locale honden een concert, dat je aardig uit de slaap weet te houden.

 

 

 

 

August 8th, 2007

Last post uit Andalusië 11: Even horizontaal in Torre del Mar

Posted in: Travels — admin @ 13:32

De afgelopen dagen behoorlijk wat energie verbruikt tijdens de tweedaagse in de Sierra Nevada, in Guadix en in de Woestijn van Tabernas. Dus vandaag maar wat kalmer aan. Bovendien raakt de ijskast leeg, en moet die hoognodig worden bijgevuld met allerlei Spaanse voedingswaren. En – nog een reden – het zal vandaag weer een bloedhete dag worden: zo’n 37 graden zal er vanmiddag op de teller staan. In de schaduw uiteraard.

In de ochtenduren struinen we nog wat door El Borge. We zijn er eigenlijk nog nauwelijks aan toegekomen. Maar door het ‘geklauter’ door de trapstraatjes loopt het zweet je al snel tappelings over de rug. Hier en daar maken we een praatje met de dorpsbewoners die zich naar buiten hebben gewaagd. Van de – oudere – mannen blijken er nogal wat kortere of langere tijd in het buitenland gewerkt te hebben. Met name in Frankrijk en Duitsland. Nu ze zijn teruggekeerd in hun geboortedorp genieten ze van hun ouwe dag, of werken op de campo. Buiten op de heuvels dus. In de pasas. De moscateldruiven die op alle berghellingen rondom het dorp welig groeien. Met als hoogtepunt, ergens in de derde week van september, het oogstfeest op de día de la pasa. Daarna worden de meeste druiven gedroogd en worden er rozijnen van gemaakt.

 

Om elf uur duiken we in Bar Paco binnen. Het is er opvallend rustig. Anders dan toen we er in de herfst – dagelijks – kwamen. Ook in El Borge geniet men van de zomervakantie. En bovendien is Paco’s bar dagelijks, behalve in het weekend, al om vijf uur ’s middags gesloten vanwege zijn zwangere zus Josefina, zijn hulp in de keuken. In september zal ze bevallen. Zo heeft Paco ook een soort zomervakantie. Hij zegt dat het hem uitstekend bevalt. Zeker bij deze helse temperaturen. Voor ons betekent dat echter dat we ’s avonds niet meer bij hem aan tafel kunnen voor een lekkere visschotel, of wat raciones de tapas. Helaas is ook de Posada del Bandolero wegens vakantie gesloten. Tot 1 september zelfs. Dan zelf maar een potje koken vanavond.

 

 

 

’s Middags rijden we naar het strand in Torre del Mar. Aan zee lijkt het – misschien vanwege de zachte bries – altijd een graad of tien koeler dan in het binnenland. We eigenen ons een twee ligbedden en een parasol toe die vrij lijken te zijn, maar die aan het einde van de middag, na uren relaxen dus, worden opgeëist door twee dikke Duitse dames. Die waren een dagje op stap geweest, en beweren de plek voor tien dagen vooruit betaald te hebben. We vonden het al gek, dat er zich niemand bij ons meldde om het comfortabele strandgenoegen af te komen rekenen. Dit was dus het hoofdstuk proletarisch stretcherliggen. Van het uitgespaarde geld laten we een extra cerveza aanrukken op het terras aan de overzijde van de schitterende boulevard. Palmen zover het oog reikt. Een azuurblauwe zee. Een beschaduwd terras. En gekoelde dranken binnen handbereik. Waar is het leven beter?

Torre del Mar is een van de vele badplaatsen aan de Spaanse zuidkust. Net als andere uit hun voegen gegroeide dorpen is er veel beton. Gelukkig valt het met de drukte nogal mee. Een zeker aan de zeezijde heeft de gemeente er alles aan gedaan om het een paradijselijk oord te laten lijken. Vanwege de ligging aan een licht krommende baai, de blauwe zee en het bergachtige achterland is dat aardig gelukt. En daar hoefde die gemeente dan geen cent voor te betalen.

 

 

 

 

 

Op de terugweg nog even bij hypermercado Eroski langs. We slaan er een zak dorados in en flink wat langostinos cocidos. De dorados laten we schoonmaken. Je kunt het vuile werk maar beter door een ander laten opknappen. De langostinos zijn ook al gebruiksklaar. Het gemak dient de mens. Het avondeten kan dus niet meer stuk.

Genoeg hitte over ons heen laten komen vandaag. De maaltijd ’s avonds nemen we in de daarvoor bestemde eetkamer. Koel. Buiten gloeit de hitte van de dag nog na. Het dorp begint inmiddels te gonzen. Het pueblo komt weer tot leven, na de verdoving van de dag. Tot middernacht zitten we op het terras aan de voorzijde. Als we dan nog even de tv aanzetten is er net een documentaire te zin over al die Afrikaanse ‘overstekers’. Op zoek naar het paradijs van Europa. Op zoek naar werk en inkomen. De meeste blijven hangen in Spanje, vinden werk in de plastic tuinbouwkassen tussen Almería en Motril. Anderen reizen door naar andere landen van de EU. Om daar in de illegaliteit te verdwijnen of om opgepakt te worden en weer terug gestuurd te worden naar het land van herkomst. Meer dan 25.000 wagen er jaarlijks de oversteek naar de stranden bij Gibraltar en Tarifa. Voor meer dan honderd van hen betekent dat levenloos aanspoelen op diezelfde stranden. Het paradijs blijkt in dat geval nog dichter bij te liggen dan ze dachten. Een macaber idee.

 

 

August 7th, 2007

Last post uit Andalusië 10: Van Guadix naar de Woestijn van Tabernas

Posted in: Travels — admin @ 13:52

Guadix werd in 45 voor Christus gesticht door Julius Caesar, speelde een belangrijke rol ten tijde van de Romeinen. Dankzij de uitstekende ligging halverwege de Via Augusta, de verbindingsweg tussen Granada en Almería, Jaén en Córdoba, werd Guadix vaak gekozen als militaire uitvalsbasis. Het is ook één van de eerste steden in Spanje die tot het katholicisme bekeerd werd, en ligt in een ruw woestijnachtig gebied van onvergelijkbare schoonheid.

 

Na ontbeten te hebben op het terras van het restaurant, en vervolgens de rekening voor de overnachting in Cuevas Pedro Antonio de Alarcón (62 euri) voldaan te hebben, rijden we naar het centrum van Guadix. Het is een stralende dag. Een helderblauwe lucht staat strak gespannen boven de roodbruine sierra die achter de stad opdoemt. Een soort aarden wal lijkt het wel, flink geërodeerd en tegelijkertijd gehard door de tijd en de zon.

 

Terwijl het centrum gistermiddag zo goed als uitgestorven leek (zondagsrust of gewoon siësta?), is het nu op deze maandagochtend een en al bedrijvigheid. Nadat we wat fruit hebben ingeslagen voor onderweg, bezoeken we eerst de zandstenen kathedraal, de Sloé. Het is een indrukwekkend bouwwerk met een barokke gevel uit de 18e eeuw. Maar voor de rest is het een ratjetoe van gotiek tot Renaissance. Zelfs op deze maandagmorgen is er een mis gaande, die nog door heel wat, weliswaar wat oudere gelovigen wordt bijgewoond. Alleszins de moeite waard om te bezoeken.

 

Opnieuw nemen we de A92, nu richting Almería. Maar er staat een tussenstop gepland in de Woestijn van Tabernas. Als we deze desolate plek naderen is het landschap al compleet veranderd in een dorre steenwoestijn. Tafelbergen in allerlei kleuren en formaten geven je de illusie dat je ergens in Arizona bent. Canyons en droge rivierbeddingen snijden door het onbarmhartig door de zon geteisterde land. Niet zonder reden zijn hier in het verleden veel westerns opgenomen, met name voor de Italiaanse spaghettiwesterns was het een populaire locatie. Zoals The good, the bad and the ugly (El bueno, el feo y el malo) of For a fistful of dollars. Ook kaskrakers als Indiana Jones and the last crusade en Doctor Zhivago warden hier op het celluloid gebrand. Zonder al te veel fantasie zie je nog Sergio Leone aan het werk. Of hoor je de ijle, wegstervende klanken van de muziek van Ennio Moricone.

 

Ook nu nog zijn er verschillende locaties waar zo nu en dan films worden opgenomen. Maar de meeste uitgedroogde westerndorpen organiseren alleen nog shows voor toeristen. We rijden over een stoffige, met veel stenen bezaaide weg naar de ‘studio’s’ van Texas Hollywood. Midden in het woestijnachtige landschap rijst het westerndorp op uit de kokende rotsbodem. Bijna een kilometer verder staan de wigwams van een indianenstam in de zon te bakken. Er staan wat auto’s en een enkele bus toeristen klaar om de voorstelling van half een mee te maken. Wij nokken af door het stof. I’m a poor lonesome cowboy…

 

Het is inmiddels bloedheet geworden. Je ziet de hitte bijna de grond uit spatten. Het felle zonlicht doet je je ogen toeknijpen. Als Clint Eastwood die achter het klapdeurtje zijn tegenstander vermoedt, de colt in de aanslag. We rijden terug en ik maak nog wat panoramashots van het indrukwekkende landschap om ons heen. Op de terugweg staan op een kruispunt vlak bij de oprit naar de A92 twee eenzame cowboys op hun paard de weg af te turen. Op zoek naar potentiële klanten voor Mini Hollywood, een andere westernlocatie. Maar ik geef mijn Rojo Tango Ford de sporen, richting Almería.

 

Almería ligt nauwelijks veertig kilometer van de Woestijn van Tabernas. Onze pogingen om een fatsoenlijke parkeerplaats te vinden in het centrum mislukken. We moeten de lunch dus nog maar even uitstellen. Het gaat verder langs de kust. Rechts de azuurblauwe zee, links het woeste woestijnlandschap. Al snel raken we in een compleet ander landschap verzeild. Een plastic landschap, zo ver je kijken kunt. Een witte oceaan. Spaanse tuinbouwkassen zover het oog reikt. Hoe kan een regering een prachtig landschap zo doen verpesten? Pecunia non olet (geld stinkt niet), die stelregel gaat dus ook op in Spanje. In deze plastic wereld wonen en werken tienduizenden, vaak illegale Afrikanen (Marokko, Algerije, Mali, Senegal etc.). Wonen in krotten en werken in hette kassen, wat een leven! Velen van hen hebben nog niet zolang geleden de gevaarlijke oversteek gemaakt in gammele bootjes en hebben het voorlopige paradijs hier gevonden. De Spaanse regering heeft echter wel nog niet zo lang geleden honderdduizenden van hen een verblijfsvergunning gegeven. De enige verplichting was het hebben van een baan. En banen zijn er meer dan genoeg in dit onafzienbare tuinbouwgebied. Dat ze door de Spanjaarden volledig geaccepteerd worden, is misschien wat veel gezegd. Ook dit gebied is niet zonder racistische rellen gebleven. De menselijke import uit Zuid Amerika heeft het overigens een stuk gemakkelijker. Ongetwijfeld ook vanwege de taal.

 

Tot aan Motril golft deze plastic oceaan over het land, daarna wordt het minder. Maar laten we meer oog hebben voor het landschap dat zich daarna voor ons uitrolt: een prachtige rotskust, azuurblauw water, diepe kloven en langzaamaan ook groene bergen. Maar overal daarboven de verzengende zon.

 

In een klein plaatje, letterlijk wit-heet aan het water vinden we een toch nog uitgebreid reastaurant. El Paraiso, heet het en het lijkt geen woord te veel gezegd. Het menu del día is meestal eenvoudig, doch goed. Dat wordt het dus. Een gazpacho andaluz als starter, lobo con patates als hoofdgerecht, en de onvermijdelijke flan na. De even onvermijdelijke salada mixta, en het korfje met pan horen bijna bijna bij de standaarduitrusting van de Spaanse tafel. Dus ook nu. Haute cuisine is het allemaal niet, maar het is smakelijk. En bovendien is op deze verzengende dag het al snel goed. We veel drinken. Want de woestijn heeft dorstig gemaakt. Zelfs het water in onze roestvrijstalen thermoskan is niet meer bronfris te noemen. 

 

Tegen half zes ’s avonds zijn we terug in El Borge. In ons koele Casa Garcia Lorca is het nog altijd 29 graden, daarbuiten wordt de veertig graden zeker overschreden. Tijd voor bier uit de koelkast. Twee Coronitas verdwijnen als sneeuw voor de zon mijn keel in. Nog lang blijven we in de schaduw op het voorterras zitten, voordat Gemma begint aan het grillen van de lamskoteletten. Een welverdiende, late siësta na de hel van Tabernas.

 

’s Avonds – geloof het of niet – wordt op een van de Spaanse netten een komische, Spaanse western uitgezonden. Opgenomen in de Woestijn van Tabernas waar we uren geleden nog rondliepen. De cowboys belanden zelfs – humor? – tussen de plastic tuinbouwkassen in het gebied tussen Almería en Motril. Hoever kan de fantasie van een Spaanse cineast gaan? Heel ver, dus.

 

August 6th, 2007

Last post uit Andalusië 9: Via de Sierra Nevada naar Guadix om te leven in een grothotel

Posted in: Travels — admin @ 16:34

De temperatuur zal vandaag oplopen tot 35 graden. In de schaduw uiteraard. Om tien uur zijn we onderweg naar Guadix, een eind ten noordoosten van Granada. Onderweg zullen we nog een stuk Sierra Nevada meepikken.

We volgens aanvankelijk de kustweg: via Nerja en dan de Alpujarras in, die uitlopers van de Sierra Nevada. Het verkeer loopt lekker door en Granada is dan ook redelijk snel bereikt. Vandaar is het nog 32 kilometer klimmen naar 2100 meter. Daar ligt het ski-oord Pradollano, ook wel Solynieve genoemd. In 1996 werden er de wedstrijden voor de wereldbeker alpineskiën gehouden. De weg er naar toe is voortreffelijk. En de uitzichten die na elke bocht voor je opdoemen fantastisch, ook al is het niet helemaal helder weer. Vooral het uitzicht op het turkooizen water van het Embalse de Canales is schitterend.

Het meest zuidelijke skistation van Europa ligt er was verlaten bij, ondanks het feit dat er toch nog verdwaalde toeristen rondstruinen. En het is zoals je je al had voorgesteld: oerlelijke betonnen hotelblokken, deprimerende, op elkaar gestapelde chalets, en fantasieloze winkels en restaurants. Daartussendoor fluit de wind. Bij vlagen hard vandaag. De skiliften hangen vleugellam tegen de kale, levenloze hellingen. Geen sneeuw te zien. Ja, ergens een klein vlekje. Heel in de verte liggen de toppen van de Mulhacén en de Pico Veleta, met z’n imponerende 3482 meter, respectievelijk 3394 de hoogste bergen van Spanje.

De temperatuur is er rond het middaguur 27 graden. Geen wintersportweer. We lopen over het verlaten ‘dorpsplein’ naar de voet van de beklimming. Waar we van af zien, omdat we dat liever overlaten aan de groep jongeren die onder leiding van stevig gerokte nonnen hun zomerkamp hebben opgeslagen onder wat bomen.

Wel eten we – overigens zeer smakelijk, en tegen een onaardse prijs van 8,50 euri per persoon – op het buitenterras van restaurant Vertical. Patron Paulino Almazon Fernández  serveert er zijn dagmenu: gazpacho, merluza (vis), en flan als dessert. Vanzelfsprekend met een geroosterd broodje met serrano en aceitunas als appetizer vooraf, en pan tijdens de maaltijd. Zo nu en dan blaast de valwind een van de parasols omver. Maar niemand die er van opkijkt. Hoort bij de couleur locale.

 

 

 

Nadat we de 32 kilometer terug richting Granada weer hebben afgelegd, volgen we de A92 richting Amería. Eerst passeren we het plaatsje Viznar, de plek waar de dichter Federico Garcia Lorca op 19 augustus 1936, tijdens de Spaanse burgeroorlog, werd dood geschoten. Het landschap wordt langzaamaan steeds droger en desolater. Alleen grote olijfgaarden overleven het op de geel en rood geblakerde hellingen.

De eerste stop is in het westernachtige dorp Purulena, even van de snelweg af. Het landschap is intussen heel typisch geworden: roodbruine termietenheuvels lijken uit de grond op te rijzen. Een letterlijk fantastisch, Maarten Toonderachtig landschap. In het gebied rond dit dorp en het even verderop gelegen Guadix wonen nog zo’n 15.000 mensen in deze ‘termietenheuvels’, grotwoningen dus.

De oorsprong van deze grotten gaat eeuwen terug. Ten tijde van de Reconquista werden veel Moren vervolgd en verbannen, zodat honderden hun toevlucht zochten in deze grotten, vaak zelfs ook nadat ze al bekeerd waren tot het Christendom.

Purulena is een soort dorp waar je snel doorheen rijdt vanwege de lintbebouwing (veel aardewerkwinkels in deze hoofdstraat), maar achter de rij huizen kom je snel in de barrio troglodito. De grotwoningen zijn hier authentieker dan in het meer toeristisch geëxploiteerde Guadix. Dat overigens een tamelijk grote stad is (20.000 inwoners).

Het is ongelooflijk heet in de verlaten straten van Purulena op deze zondagmiddag. Alsof het zand onder je ligt weg te branden. Je ziet ook geen hond op straat. Alleen een paar gekken als wij. Verder maar weer.

 

 

 

Nadat we eerst door het centrum van Guadix gereden zijn, zijn we al snel weer het stadje bijna uit. Aan de rand van het stadje is de harde grond als door mollen met gangenstelsels omgewoeld. Uit de dorre begroeiing steken her en der hoge witte schoorstenen (ook voor de luchtcirculatie), ten teken dat er leven onder de grond is. Inderdaad, ook hier is de rotsige grond in bezit genomen door mensen die er verblijven in koele grotwoningen. Alleen de witgekalkte voorgevels, soms met een klein raam erin, en een deur uiteraard, geven aan dat er hier gewoond wordt. Men zegt dat er als sinds de prehistorie hier mensen in de rotsen wonen. Met een kwaliteit van klimaatbeheersing die ver uitsteekt boven de mechanische of elektronische apparaten die de huizen bovengronds bewoonbaar moeten houden. Zowel in de zomer en de winter heerst er een constante temperatuur van zo’n 18 graden.

We logeren er in een ‘grothotel’: Cuevas Pedro Antonio de Alarcón. Dit privé-complex bestaat uit 23, dicht bij elkaar gelegen grotten (‘appartementen’) waar je kunt overnachten. Alle cuevas beschikken over een complete hoteluitrusting en hebben zelfs centrale verwarming. Onze grot is ingericht met woon- slaap- en badkamer, en heeft zelfs een kleine keuken. We logeren in cueva 18.

 

 

 

Na aankomst eerst een cerveza op het terras van het restaurant, daarna het zwembad in. Boven de bomen uit steken de ruïnes van het machtige Alcazaba, de oude Moorse vesting. Jammer dat de A92 midden door het gebied van de grotwoningen scheurt.

’s Avonds eten we uitstekend in het restaurant van het grothotel. Ik start met een racion jamón (grote porite serranoham), gevolgd door een dampende schotel choto ajillo (geitenvlees met knoflooksaus met gebakken aardappelen). Gemma doet het met calamares a la plancha (gegrilde inktvisjes), met als hoofdgerecht chuletas de cordero (lamskoteletten). Met alle toeters en bellen, natuurlijk. Een glas montillo als aperitief, grote bellen tinto tijdens en café solo na de maaltijd.

Als we terug lopen naar onze koele cueva is het buiten nog ongelooflijk warm. We hebben een prachtig zich op het nachtelijke Guadix en de zwarte contouren van het daar achter gelegen gebergte. Maar dat is voor morgen.

August 5th, 2007

Last post uit Andalusië 8: El Borge, Celina doet de was en Salvador drijft de ezel

Posted in: Travels — admin @ 16:41

Zo’n tweedaagse trip gaat je niet in de kouwe kleren zitten, als je dat al kunt zeggen bij deze temperaturen. Want het blijft onverminderd heet. De temperatuur loopt dagelijks op tot boven de 35 graden. Gelukkig is de luchtvochtigheid minimaal, zodat het met transpireren nogal meevalt. Ten minste: als je geen stevige bergtochten gaat ondernemen. En dat zijn we vandaag niet van plan. Het foerageren bij hypermercado Eroski in Velez Málaga kost al energie genoeg. We halen we het nodige (wijn, fruit, brood, ham, vis) in huis om weer een paar dagen te kunnen overzomeren in El Borge. Als je de hele zaak weer naar boven moet sleuren mis je toch een pakezel die het zootje voor jou naar boven transporteert. Helaas zit de mulo nog niet bij de huur van het huis inbegrepen.

Als we terug zijn van de supermarkt constateren we dat Celina is langs geweest om de wekelijkse was te draaien, de bedden te verschonen en nog wat strijkwerk te verrichten. Onze tweede week is ingegaan. De tijd gaat te snel. Zelfs in een dorp waar de tijd soms lijkt stil te staan.

 

 

 

In de middaghitte breng ik een bezoek aan het cementerio, het kerkhof. Vanuit het achterterras kijken we op de in beton gegoten overleden El Borgianen neer. En het is goed van tijd tot tijd eens door de dodenwijk van het dorp te lopen. De deur staat er altijd open.

Voordat ik echter het kerkhof bereik raak ik nog verstrikt in een kudde bruine geiten, die onder aanvoering van een bezwete dorpsgenoot de hellingen beklimt, langs het dodendorp schuifelt en vervolgens de hoger gelegen campo bestijgt. Op zoek naar het spaarzame gras. En misschien wat water. Maar ook het riviertje dat door het dal loopt is al geruime tijd drooggevallen. Ik maak een kort praatje met de pastor die daardoor de gelegenheid krijgt even uit te hijgen van de beklimming. Daarna vervolgen we beiden onze weg. Hij, zijn kudde voorafgaand naar de campo, ik het achtergelaten keutelspoor naar het cementerio.

 

 

 

Het ommuurde kerkhof ligt er vredig bij. Maar het is er heet, daar in de blakende zon. Ondanks het feit dat de doden in de betonnen stapelbedden zijn geschoven, die daarna zijn dichtgemetseld, moet de mummificatie hier snel gaan. Maar je kunt geen blik werpen achter de veelkleurige kunstbloemen en de bescheiden portretjes van de overledenen. De zon beukt ongenadig op de witgekalkte graven die – zeker wat de oudere graven betreft – heel wat weg hebben van termietenheuvels. Ik dool door de dodenstraatjes. Geen leven te bekennen, maar welke gek haalt het eigenlijk in zijn hoofd om op het heetst van de dag over een bloedheet kerkhof te zwerven. Mijn morbide geest kent blijkbaar geen grenzen.

 

 

 

Als ik tegen het einde van de middag op het terras aan de voorzijde zit te lezen in de bundel De mooiste Spaanse verhalen (met teksten van o.a. Camilo José Cela, Juan Goytisolo en Juan García Hortelano) zie ik ineens een ezel, volgeladen met spullen het trapstraatje voor ons huis op komen sjokken. Ik groet de drijver die ik herken, en een paar huizen verderop woont. Hij pakt het in ieder geval beter aan dan wij om zijn boodschappen in huis te krijgen. Na een hola blijkt hij mijn vraag om op de foto te gaan positief te beantwoorden. Hij gaat er zelfs een goed voor staan. Ik beloof hem de foto op te sturen. Dat bevalt hem zichtbaar. Hij zal straks zijn adres wel komen brengen.

Na een uurtje of wat zie ik hem aankomen. En hij neemt de tijd. Waarom ook niet. Zo drinken we samen een koele San Miguel. Salvador Moya Moya (want zo heet hij) blijkt – hoe kan het ook anders – op de hoogte van alles wat zich in het dorp afspeelt. Ook kan hij me de exacte reden vertellen waarom Bar Paco ’s middags na vijf uur dicht gaat. De hermana van Paco is immers embarazada (zwanger), en dan begrijp je het wel. Met deze temperaturen in de keuken staan… Hij barst in schaterlachen uit als ik hem vertel dat ik eerst dacht dat Paco de andere kokkin ook nog zwanger gemaakt had. Paco blijkt zelfs helemaal niet getrouwd te zijn. Of dat een reden is…

Salvador werkt doordeweeks aan de autoweg bij Rincon de

la Victoria aan de kust, om exact te zijn eigenlijk bij Chilches even verderop. Voor zijn plezier, en het gemak, onderhoudt hij zijn ezel.

 

 

 

Nog tot half drie ’s nachts blijft het gonzen in het dorp. Het is immers zaterdagavond. Het leven is er draaglijker dan overdag. En morgen kan er immers uitgeslapen worden. De gemotoriseerde jeugd komt nog later knetterend terug van Velez Málaga, Torre del Mar of nog verder. Maar dan hebben de honden hun nachtelijk blaffen al opgegeven.

August 4th, 2007

Last post uit Andalusië 7: Tarifa, maar geen oversteek naar Tanger

Posted in: Travels — admin @ 20:01

Als ik Cádiz zou moeten vergelijken met een andere stad dan zou dat Lissabon zijn. Beide steden ademen dezelfde sfeer. Dat zal zeker te maken hebben met de ligging aan zee, waardoor een letterlijk open houding naar de wereld ontstaan is. Havensteden. Maar ook wat betreft het fantastische licht dat door een samenspel van lucht, water en land ontstaat geeft beide kosmopolitische steden een heel aparte sfeer. Zelfs de geluiden lijken in deze steden anders te klinken. Zeker in het geval van Cádiz dat op heel korte afstand helemaal omringd is door de oceaan.

De in Sevilla geboren dichter Manuel Machado vatte Andalusië in een van zijn gedichten eens heel kort samen, en begon met Cádiz:

 

 

 

Cádiz, zilt licht
Granada, verborgen water als tranen
Romeins en Moors, kalm Córdoba
Málaga, zangeres
Almería van goud
Jaén van zilver
Huelva, kade van de drie karvelen
En Sevilla.

 

 

 

De tijd is te kort om alles van Cádiz te willen zien. Dus geen bezoek aan de Tavira toren met zijn camera obscura die je door een verbluffende peepshow een heel apart zicht biedt op de stad. En ook geen strooptocht over de Mercado Central, een van de kloppende volksharten van de stad. Er moet nog wat voor de toekomst overblijven. Want dat Cádiz een stad is waaraan je aan één keer genoeg hebt, dat is absoluut niet het geval. Een stad met historie. Columbus vertrok er in 1493 voor zijn tweede reis naar Amerika. En Federico Garcia Lorca, niet een van de minsten onder de schrijvers, liet zich lyrisch uit over deze melancholische stad aan de zee. Maar melancholisch is de havenstad vandaag geenszins. Het is een en al licht en alegría dat de stad ademt. En doet leven.

 

 

 

De nacht was kort. De openstaande ramen van onze hostal-kamer gaven zich op de binnenplaats. Maar lieten tegelijkertijd ook alle nachtelijke geluiden door van de tijdelijke medebewoners van het complex. Naast het gebruikelijke gorgelen van een doorgetrokken toilet of een kletterende douche, kunnen we bijna letterlijk de conversatie volgen tussen een wat oudere heer en een door hem naar het hostal meegevoerde jonge en wilde Andalusische die zijn libido tot grote hoogte tracht te verheffen. Gelukkig spreken ze Spaans, en ontgaan ons de finesses van de erotische conversatie.

En om zeven uur ’s morgens bestormt een peloton drilboren een nabij gelegen pand, zodat het ochtendreveil wel op een heel aparte manier plaats vindt. Cold turkey. Maar de bouwvakkers gaan onverstoorbaar door met hun karwei. Weten zich van de prins geen kwaad.

 

 

 

We ontbijten op het Plaza de San Juan de Dios, waar we nog niet zoveel uren eerder ons glas montillo leeg dronken. We houden het op een eenvoudig desayuno: tostadas met jamón en café con leche. De Spanjaarden om ons heen zetten zwaarder geschut in. Die laten een flinke vracht churros aanvoeren die eerst wordt afgewogen en vervolgens in het vet wordt gefrituurd. De vette hap wordt vervolgens op een groot vierkant vel papier op tafel neergezet. De aanval op de maag is geopend.

 

 

 

We verlaten Cádiz niet onmiddellijk. Opnieuw maken we een wandeling door de binnenstad. Passeren de oude koninklijke gevangenis en de prachtige toegangspoort tot de stad, de Puerta de Tierra, die we gistermiddag ook al bewonderd hebben. De gele tegels van de koepel van de Catedral Nueva blinken in de zon. En ook nog maar een keer over de Avenida Fernandez Ladrera, de schitterende boulevard die langs het Playa de Santa Maria del Mar loopt. De eerste strandbewoners hebben zich alweer gemeld. De zon brandt al aardig door. Met de wind valt het mee. Het is elf uur als ik de auto van de parkeerplaats rij, en vervolgens redelijk snel de groene golf van de Avenida de Andalucía afrij richting Tarifa.

 

 

 

Tarifa is een bedrijvig stadje. Het ligt op het snijpunt van de Atlantische Oceaan (de Costa de

la Luz ) en de Middellandse Zee (de Costa de Sol). Vanaf de stranden bij Tarifa kun je het vasteland van Afrika zien liggen, op zo’n 13 kilometer afstand. Vandaag is de kust van Marokko maar nauwelijks zichtbaar. Ongetwijfeld vanwege het hoge gehalte aan waterdamp boven de zeespiegel. Vanwege de straffe wind die er vaak staat is het een lustoord voor surfers. Op het land wordt de kracht van de wind omgezet in energie door de honderden moderne windmolens die op de berghellingen in het gebied rondom het stadje hebben wortel geschoten.

De auto kan ik vrij gemakkelijk parkeren aan de zeezijde. Vandaar is het maar een paar tientallen meters lopen naar het weidse strand. Dat ligt er verlaten bij. De reden is snel duidelijk: de harde wind. Maar de verspreid over het strand staande parasols geven desalniettemin een indruk van een paradijselijk oord. Voordat we verder de wat sjofele boulevard aflopen, vallen we eerst neer op het terras van de Berebar voor een glas fris. Uitzicht op zee. En het is opnieuw een hete dag.

 

 

 

De wandeling over de ver in zee uitstekende pier breken we halverwege af. De wind blijkt te straf. En dat niet alleen. Je wordt compleet gezandstraald door het zand dat van het strand geblazen wordt. Nog tot ver in de middag zal ik er last van hebben in mijn ogen.

Dan maar het stadje zelf in. Hier heeft de wind minder vrij spel. Sterker nog: je merkt er nauwelijks wat van. Zelfs niet op het Plazuelo del Viento (het Windplein). Vanwege de hitte die van de hagelwitte gevels afspat raak je snel uitgeput. Het is vroeg in de middag. En we besluiten maar aan tafel te gaan. Terug naar de Berebar, want de kaart zag er aantrekkelijk uit. Op weg daar naar toe krijgen we ineens een andere ingeving. Aan de kade ligt een grote ferryboot aangemeerd, klaar voor de oversteek naar Tanger. Met grote letters staat de oversteektijd erop vermeld: 35 minuten slechts. Toch maar eens bij het loket van het nabij gelegen kantoor naar de prijs vragen. En die blijkt mee te vallen: slechts 31 euro per persoon (heen en terug). Twijfel. Na enige bedenktijd zien we er toch maar van af. De belangrijkste reden is het tijdstip van de dag. Het is immers al half twee, en dat zou betekenen dat de tijd die je in Tanger door kunt brengen, niet echt veel is. De volgende keer vroeger opstaan. Letterlijk. Weer een tip voor onze volgende reis naar Andalusië.

 

 

 

Terug op het terras van de Berebar is de keuze snel gemaakt. Als het dan niet Marokko in het echt wordt, dan maar Marokko culinair. Ik bestel een gloeiend hete tajine, opgediend in een schotel van keramiek met ‘hoofddeksel’. Het is absoluut smakelijk. Gemma houdt het hoofd wat koeler en blust de hitte van de dag met een uitgebreide kom gazpacho andaluz met toebehoren. Een geslaagde lunch.

 

 

 

De afstand naar El Borge is nog behoorlijk; zo’n 200 kilometer. Maar gelukkig hebben we dit keer geen oponthoud. Alleen bij Algeciras worden we even opgehouden vanwege stoplichten en overvolle rotondes in de stad. Malaga geeft dit keer geen fileproblemen. Om kwart over zes doe ik de deur van Casa Garcia Lorca weer op. Eerst een douche, want het was opnieuw een enerverende dag. We eten bij fadomuziek in de eetkamer.

Later op de avond woon ik nog de wekelijkse repetitieavond bij van de harmonie van El Borge. Het geluid ervan was al doorgedrongen tot het voorterras van ons huis. De leden zitten in een soort militaire opstelling in een klein klaslokaaltje onder het Plaza de

la Constitucion. De enthousiaste muzikanten – een opmerkelijk aantal heeft weer een rood t-shirt met zwarte Che Guevarakop aan – gaan goed tekeer. Maar de meeste indruk maakt toch de dirigent van het geheel. Hij is niet alleen dirigent maar gaat als een dolle tekeer op het drumstel dat hij bijna aan flarden ramt. Bovendien zit hij, hevig zwetend, en in zijn dikke blote pens zich het schompes te dirigeren, want niet alle leden blijken over hetzelfde maat- en ritmegevoel te beschikken. Een ervaring.

Tegen middernacht beginnen een paar dorpsezels te balken. Hun geluid heeft het meeste weg van een combinatie van een Zwitserse waldhoorn en een drooggelopen fietspomp. Maar inmiddels is dit geluid zo vertrouwd geworden, dat je het zou missen wanneer het er niet zou zijn op het moment dat de dag wordt overmeesterd door de volgende.

August 3rd, 2007

Last post uit Andalusië 6: Cádiz, of het aanspoelen in Hostal España

Posted in: Travels — admin @ 9:01

En we wilden nog wel vroeg opstaan vanochtend om op tijd op weg te zijn. Hoewel de keuze nog niet bepaald was. De Sierra Nevada valt af vanwege enige bewolking. En ook Gibraltar blijkt vanochtend ineens niet meer zo in trek. Het wordt Cádiz, aan de Atlantische Oceaan. Bijna 300 kilometer rijden. Als extra straf voor het late opstaan volgt een gigantische file bij Málaga. Dat kost ons minstens een uur. Het is stapvoets aanschuiven op de autoweg, tot voorbij Torremolinos. Maar daarna kunnen we stevig doorrijden. En passeren we vanuit de verte de steile apenrots van Gibraltar. Grijsblauw doemt het massieve blok op uit de zee. Maar geen aarzeling: doorrijden.

We passeren de weidse stranden van Tarifa. Inmiddels is er een straffe wind gaan waaien. Dat dit in deze streek een normaal natuurverschijnsel is bewijzen de honderden, zo niet duizenden, moderne windmolens die de heuvels in het gebied tussen Tarifa en Vejer de

la Frontera als een zwerm gigantische sprinkhanen lijken kaal te vreten. De lange bladen malen de lucht weg dat het een aard heeft. Don Quichote zou hier een nog zinlozer strijd voeren dan indertijd tegen de molens in het land van

La Mancha. Het landschap wordt ondertussen steeds desolater. Stieren- en paardenkolonies grazen het korte grasland af.

 

 

 

Pas om half drie ’s middags arriveren we in Cádiz. De stad telt 160.000 inwoners die een negen kilometer lange, en één kilometer brede landtong bewonen in de Atlantische Oceaan. We komen binnen via het smalste deel, in de nieuwe stad. Verrassend open, licht en kleurrijk. In een zijstraat van de brede Avenida de Andalucía parkeer ik mijn Ford Focus rojo tango. Tegenover een drukbeklante bar.

Op de boulevard die rechtstreeks doorloopt naar de oude stad, met weidse stranden waarop het zeker niet druk is, vinden we een eenvoudig restaurant. Want de honger heeft ons in zijn greep. De onvermijdelijke salada mixta wordt gevolgd door in teveel zeezout gedrenkte gambas a la plancha voor Gemma. En een gegrilde dorado voor mij. In ieder geval doen we voldoende krachten op om de lange wandeling naar het casco historico vol te houden. De glimmende bolle koepel en de Moors aandoende witte torens van de Santa y Apostólica Iglesia Catedral de Cádiz, de Catedral Nueva, fungeren als richtpunt. De ultieme hallucinatie die van dicht bij een stevig neoclassicistisch en zelfs barok kerkgebouw blijkt te zijn.

De kathedraal zelf (voor het grootste gedeelte gebouwd in de 18e eeuw, en in 1838 voltooid) maakt geen verpletterende indruk, ondanks de gigantische afmetingen en de waanzinnige dikte van de pilaren. Daarvoor hebben we al te veel moois gezien in Andalusië, of elders. Het meest bijzondere zou je de crypte kunnen noemen, en dan met name de spookachtige akoestiek. In het midden van de crypte bevindt zich een punt waar elk geluid dat je maakt, of het bewegen van je voeten, een griezelige galm, echo en siddering teweeg brengt. Een combinatie van tektonische sidderingen en een echoput. Een heel bijzondere ervaring. In de crypte zijn overigens een aantal notabelen van de stad begraven. Onder een van de grafstenen ligt de in Cádiz geboren componist Manuel de Falla begraven (1876-1946).

Voor het kerkgebouw tiert de handel welig. Vanuit houten keten worden verschillende prullaria, van sieraden tot parfums, en van ansichtkaarten tot flamencojurken te koop aangeboden. Nog net niet in de kerk, maar het doet afbreuk aan de toegang tot de kathedraal. En dat is jammer. Dat weerhoudt ons niet om op het plein voor de kerk een glas tinto te drinken. En ons te beraden over de rest van de dag.

 

 

 

De beslissing is snel genomen. We zullen vandaag niet meer terug rijden naar El Borge, hoewel geen reservekleding of hygiënische artikelen hebben meegenomen. Op zoek naar een hostal voor de nacht, dus. Bij het derde adres hebben we beet: in een zijstraat vlak bij het plein waar we zaten blijkt Hostal España nog een paar kamers vrij te hebben. De eigenaresse staat te strijken in de donkere voorkamer. We krijgen sleutels mee om een paar kamers te bekijken. Ze zijn allebei echter zonder toilet en douche. Die zijn dichtbij op dezelfde verdieping te vinden. Alle etages liggen rondom een vierkante vide en zijn sfeervol met kleurige azulejos betegeld. Voor de prijs hoeven we het niet te laten. Die bedraagt 40 euro per nacht. Deal.

De formaliteiten hebben wat voeten in de aarde, want alles dient geregistreerd. Als mevrouw vervolgens aangeeft de koffers maar alvast naar boven te brengen, en ik aangeef helemaal geen koffer bij me te hebben, wordt er bedenkelijk gefronst. Zou die ouwe vent een scharrel hebben opgepikt aan de haven? Of wordt er gewoon vreemd gegaan? Maar het contract voor één nacht wordt niet verscheurd. Later op de middag kopen we wat toiletartikelen en scheerspullen in een winkel in de buurt. En ach, sokken en onderbroeken gaan ook nog wel een tweede dag mee.

 

 

 

Ineens heb je weer een zee van tijd. En een hele stad tot je beschikking. En dan blijkt Cádiz een bijzonder aangename stad. Fraaie, rechte straten uit de 18e en 19e eeuw, soms deftig, soms streng, de meeste smal. Waardoor er voldoende schaduw is om er doorheen te lopen zonder je kop te verbranden. En er zijn die honderden, prachtige gestileerde ijzeren balkonnetjes die overal aan de witte gevels hangen. Als rechthoekige vogelnestjes. Uiteraard wordt er van tijd tot tijd aangelegd op een terras. Zoals bij de San Francisco. Als we weer verder lopen komt ons ineens een in kleurige flamencokledij uitgedost kwintet oudere dames tegemoet gelopen. Ze gaan er eens goed voor staan om in volle omvang door mijn digitale camera te worden opgeslokt. Het resultaat valt ze niet tegen, aan de reacties te horen.

Verder door de oude binnenstad. Tot aan de aan de oceaan gelegen parador. En vandaar naar de in zee lopende pier van

la Caleta. Die loop ik helemaal af, terwijl aan de voet ervan hele families in het nog hete zand liggen. Terwijl de zon toch al in het water van de oceaan dreigt te verdrinken. Helaas is het aan het einde van de pier gelegen fort van San Sebastian gesloten. Maar vanaf de punt van de pier heb je een schitterend zicht op de in de avondzon oplichtende stad. De met gele tegels bedekte koepel van de kathedraal spettert van het opspattende licht. Ineens begrijp je waarom je hier aan de Costa de

la Luz
bent. De dichter Manuel Machado voegde daar nog een element aan toe, toen hij dichtte over de zoute helderheid. En inderdaad: likkend langs je lippen proef je een zilte smaak. Zojuist opgelopen toen we over de pier liepen. En het minuscule schuim van de branding door de wind over je heen werd geblazen.

 

 

 

We lopen terug naar het centrum via de brede boulevard Campo del Sur. Het strand daarlangs heeft plaatsgemaakt voor stapelingen van rotsen en vierkante blokken beton. Daar huizen veel zwerfkatten. Op verschillende plekken worden ze bijgevoederd door oude inwoners van de stad. Zoals ook nu, op deze avond. Voordat we ons opmaken om aan tafel te gaan lopen we nog even de kerk van El Rosario binnen. De avondmis is er in volle gang. Met opvallend veel gelovigen. Die, op het moment van onze binnenkomst, zich naar voren bewegen om de heilige communie te ontvangen. In de kerk bevinden zich de beelden van San Servando en San Germán, de beschermheiligen van de stad. Pas na afloop van de dienst zijn te te bewonderen.

Nadat we ons in Hostal España enigszins hebben opgefrist, vinden we in een van de smalle straten achter de kathedraal een aantrekkelijk restaurant, het Meson de

la Posadilla. De tafeltjes staan uitnodigend midden op straat. De straatlantarens zorgen voor voldoende sfeerverlichting. Het zit er al aardig vol.

Het is er goed eten in dit meson. We starten met een paar glazen montilla, een soort sherry. En om de smaakpapillen nog meer te stimuleren een schoteltje pikante aceitunas.  Voor nog geen vijftig euro wordt de tafel achtereenvolgens verrast met een groot bord txaca (een soort koude schotel met vis en veel kruiden), een gegrilde dorado (vis) en een paar copas de tinto voor Gemma. En voor mij diezelfde dorado voorafgegaan door een ruim assortiment anchoas (ansjovis) en afgemaakt met een café solo.

Na afloop zitten we nog tot ver na middernacht op het Plaza de San Juan de Dios, tegenover het stadhuis. Het publiek bestaat uit een bonte mengeling van te dikke huisvrouwen en jonge kortgerokte dellen die zich op de achterzit van brommers laten hijsen, en de plaatselijke jetset die zich keurig laat voorrijden door een donkere, glimmende Rover of Jaguar. De roedel dikke dames blijft maar kwekken, terwijl de fine fleur van Cadiz het stemniveau heeft aangepast aan de gedistingeerde avondkleding. En de jonge, zwartharige dellen zien we niet meer terug. Het heeft iets van een bizar toneelstuk van Arrabal. Dat bij tijd en wijle nog eens wordt onderbroken door een jachtige priester in vol ornaat die wordt geëscorteerd door misdienaar met wijwatervat. Maar dat blijkt uiteindelijk allemaal bij een vrijgezellen party te behoren.

August 2nd, 2007

Last post uit Andalusië 5: met gepoetste schoenen naar het Playa de la Malagueta in Málaga

Posted in: Travels — admin @ 9:05

Málaga is een miskende stad. Veel toeristen mijden de stad. Ze vluchten na aankomst op het vliegveld onmiddellijk naar Torremolinos of andere hellesteden aan de Costa del Sol. Maar Málaga is een fantastische, kosmopolitische stad. Een stad voor de Spanjaarden, en minder voor toeristen. Dat moet maar zo blijven, vind ik.

 

Na de inspanning en de hitte van gisteren in Córdoba zullen we het vandaag iets rustiger aan doen. Dat het relaxen zou worden tekende zich al af op weg naar de stad. Eenmaal goed en wel El Borge uit, rijden we in een klein konvooi achter een over de weg voortsjokkende kudde schapen aan. Minder dan stapvoets. Na een minuut of tien duikt de herder met zijn domme vachtdieren een droge rivierbedding in. En kunnen we weer vaart maken. Evenals in oktober vorig jaar kan ik mijn auto weer kwijt bij de vuurtoren. Voor 90 eurocent staat je auto daar de hele dag onder bewaking.

Vervolgens wandelen we over de lange en brede Paseo del Parque (vorig jaar niet toegankelijk vanwege een forse reconstructie) de stad in. Het park is een waar paradijselijk oord met veel exotische, tropische planten. Veel staat in bloei. Oleander, bougainville, mimosa en andere, mij onbekende soorten. Vooral de hoge palmbomen en de brede bananenbladeren zorgen voor de gewenste schaduw. Fonteinen en andere waterpartijen zorgen voor de rest van de verkoeling. Er is zelfs een openlucht theater. Aan je linkerkant ligt het gladde water van de Middellandse zee. Tussen de bladeren door zie je de schepen. Aan je rechterhand ligt de door de zon geblakerde stad. Het weelderige witgele stadhuis kondigt de welvaart ervan al aan.

 

Het Plaza Obispo is een plek die ons vertrouwd is. Het bescheiden plein tussen de kathedraal en het bisschoppelijke paleis is volgebouwd met parasols. Daaronder staan tafels en stoelen. Weerstand bieden om daar neer te strijken heeft geen zin.

Als we goed en wel van onze café con leche zitten te genieten meldt zich Pepe de Málaga, schoenpoetser van beroep. Hij heeft het voorzien op mijn stoffige schoenen. En voordat ik het goed en wel in de gaten heb gaan zijn borstels al tekeer. Stom natuurlijk om geen prijs af te spreken. Je betaalt het altijd veel te duur. Ondertussen is een cameraploeg bezig om een en ander vast te leggen. Die hebben hun eigen schoenenpoetser ingehuurd. Een wat jeugdige type dan de Pepe die zich om mijn lederwaren bekommert. De regisseuse geeft aanwijzingen over zijn zoektocht naar potentiële klanten. Later op de dag zullen we de hele filmcrew nog op andere plekken in de stad tegenkomen. Dan worden er weer andere situaties verfilmd.

Met spiegelende schoenen kan ik vervolgens de stad verder in. Het loopt een stuk lichter. Al was het maar vanwege de teveel euro’s die ik er aan kwijt geweest ben.

 

Ook vandaag blijkt de Santa Maria Sagrario weer gesloten? Wanneer is die eigenlijk geopend. De kathedraal hoeven we niet meer in. Die hebben we in oktober in voldoende mate geïnspecteerd. Dan maar de stad in. Eerst het oudste gedeelte. Veel leegstand, verval en graffiti. Maar in de zon heeft het toch nog iets pittoresks De brede winkelboulevard Marqués de Larios leeft ’s zomers in het gefilterde licht dat door de witte zeildoeken heendringt die boven de straat gespannen zijn. Op die manier lijkt de Malaguese koopgoot op een gigantisch zeilschip. Aan de zijkanten zie je nog net het strakke, azuren blauw van de lucht. Het geeft ook iets intiems. Alsof je in een zeilschip door de ruimte zweeft.

We lunchen in tapasbar Lo Gueno, in een smalle, drukke straat in het centrum. De aceitunas verschijnen automatisch op tafel: gekneusde olijven in olie, rode pepers en met veel knoflook. Daarna twee grote borden met typisch Spaanse gerechten. Gemma houdt het bij albóndigas. Ik concentreer me op mijn atun a la plancha (gegrilde tonijn), met een glas koud Cruzcampo bier.

 

 

La Malagueta heet hét strand van Malaga, het ligt aan de oostkant van de stad.

Het is een breed zandstrand dat kilometers lang is. Op de weg naar Malaga sloegen we vanmorgen bij de voorstad El Palo af naar het centrum van de stad. Het strand ligt dan al aan je linkerhand, en je volgt de kustlijn. Het heeft nog helemaal niks van een grote stad. De huizen hebben er nog een menselijke maat.

Voor 16 euro huren we voor de middag twee ligbedden en een grote parasol die gemaakt is van een soort stug gras. Het is er absoluut niet druk. Het water is met zijn 21 graden koel te noemen en redelijk schoon. Mijn vanmorgen gepoetste schoenen zijn inmiddels door het zand alweer even stoffig als ze vanochtend waren, toen we uit El Borge vertrokken. Maar een kniesoor die daar op let. Siësta in de schaduw van de parasol met uitzicht op een kalme zee en hier en daar een stel blote vrouwenborsten. Maar die zijn, na de waarschuwingen voor huidkanker en andere vreselijke ziektes, ook op de Spaanse playas op hun retour. In een aantal gevallen is dat jammer te noemen. Want onder natuurschoon vallen, mijns inziens, niet alleen golvende berglandschappen, steile fjorden in Noorwegen, of naar zwavel stinkende desolate steenwoestijnen op IJsland.

Terug in El Borge komt de rust van het dorp als een weldadige douche over je heen. De fantastische akoestiek werkt als in het machtige Epidauros op de Griekse Peloponesos. Slechts een enkele knetterende brommer verscheurd wreed de nacht die aanstaande is. Nog voordat we om negen uur op de hoge patio achter het huis aan tafel gaan lees ik nog even in Kundera’s Boek van de Lach en de Vergetelheid. Vanuit de diepte balkt een ezel. Een hond blaft. En een geluidloos gelig schuiven van lichten door de smalle, donkere straatjes verraden een binnenkomende auto. Bestemming bereikt.

 

August 1st, 2007

Last post uit Andalusië 4: de Mezquita van Córdoba blijft er ijskoud onder

Posted in: Travels — admin @ 8:08

Aanvankelijk wilden we vandaag de Sierra Nevada in. Maar omdat de weersvoorspellingen aangeven, dat het daar enigszins bewolkt zal zijn vandaag, gooien we het roer om. Het wordt Córdoba. Daar is geen wolk te zien, als we er rond het middaguur arriveren. Integendeel: een strakblauwe lucht en een temperatuur van 36 graden. En die zal in de loop van de dag verder oplopen. Mijn Rojo Tango parkeer ik aan de overzijde van de Guadalquivir. Het parkeren is er gatis, en je bent in een paar minuten in het centrum. De Puente Romano is pas halverwege zijn complete restauratie, dus daar kunnen we niet over. Via de even verderop gelegen Puente de Miraflores steken we de modderkleurige rivier over. Overigens met een schitterend uitzicht over de stad en de Mezquita. Vorig jaar logeerden we een aantal dagen in Hostal El Triunfo, letterlijk in de schaduw van dit belangrijkste monument op het gebied van islamitische kunst in Europa. Nu beperken we ons tot een ‘dagmenu’.

 

In de stad is het opvallend rustig. Alleen roedels digitaal fotograferende Japanners zwerven door de platgebrande stad. De verstandige Cordobezen liggen allemaal ruggelings in standby stand in hun koele huizen. Er blijken deze middag nauwelijks onverstandige Cordobezen te zijn. Gelukkig zij ze wel te vinden in de restaurants, waarvan er toch opvallend veel gesloten blijken. De lunch doen we in Meson Restaurante El Toreo, in de Calle Velasquez Bosco. De inpandige patio is airconditioned, dus aangenaam. Het wordt een stevig gekruide schotel lasagna.

 

Ondanks de verzengende hitte stropen we de stad af. Schuifelend in de schaduw van de huizen. Maar ook de Mezquita brengt redding. Het Patio de los Naranjos, het sinaasappelplein dat het openluchthart vormt van de Mezquita, biedt al wat weldadige schaduw. Maar binnen is het pas echt verfrissend koel in het halfdonker. Het woud van pilaren laat zich niet gek maken door de Andalusische zon. Onverstoorbaar blijven ze de fraai bewerkte dubbele bogen schragen. In tegenstelling tot afgelopen herfst wordt er echter druk gerestaureerd in het christelijke deel van de Mezquita. De voor de islamieten blasfemische kathedraal, een religieus koekoeksjong, is hermetisch afgesloten. En ook andere delen worden door houten panelen aan het oog onttrokken. Op een enkele plek weet het zonlicht messcherp door het plafond te dringen. Fel oplichtende, rechthoekige vlakken op de tegelvloer verraden de indringer.

Duizend jaar oud is deze, door de emirs en kaliefen van de Omajjadendynastie gebouwde tempel inmiddels. En heeft nog niets van zijn fascinatie verloren. Het zijn vooral de dubbele bogen, de onderste hoefijzervormig en de bovenste rond, die – in combinatie met de afwisseling van witte en rode gewelfstenen – die deze fascinatie veroorzaken. Meer in detail wordt de aandacht van het oog getrokken naar de Mirhab, de heilige ruimte waarnaar alle islamitische gebeden werden gericht. Kalief Al-Hakam II had de keizer van Byzantium (Istanbul) al in het jaar 961 gevraagd om materialen en kunstenaars voor de constructie van deze heilige ruimte. De keizer zond daarop grote schepen naar Córdoba met onder andere 320 kilo geglazuurde mozaïeksteentjes voor het bedekken van deze ruimte. Ze glimmen nog als destijds.

 

Opnieuw de bloedhete stad in: de Judería, de oude Joodse wijk met het standbeeld van Maimonides, de Calleja de las Flores, het beroemde straatje met al die bloempotten tegen de witte muren, de Puerta Almodóvar, de San Francisco kerk, het Plaza del Potro en ten slotte het Plaza del Corredera. Elke halteplaats wordt onderbroken door het nuttigen van een al dan niet alcoholische consumptie. Het dorstlessende logboek ziet er als volgt uit:

Bodega Guzman: Een torerobar waar we een paar glazen montilla drinken. Om vier uur wordt de zaak gesloten voor nieuwe klanten. De aanwezige drinkers kunnen blijven. Wij ook.

La Abacería (casa de la tapa cordobesa): Waar we het op een glas tonica met flink wat ijsblokken houden. Aangevuld met een bakje aceitunas in olie, pepers en knoflook.

El Rincon de Juan op de Plaza de la Corredera. 

Eerst een glas medio (een soort sherry). Daarna een glas fris.

El Paseo de la Ribera

: Ligt aan de Guadalquivir. We houden het op frisdrank. En nemen nog anderhalve liter gekoeld water mee voor onderweg.

 

 

 

Bodega Guzman is een van de bekendste bodega’s van Córdoba. Het ruime etablissement biedt plaats aan een zogenaamde tertulia taurina, een apart zaaltje voor liefhebbers van het stierenvechten. Een ‘sport’ die de laatste jaren ook in Spanje onder druk staat. Daar is overigens in Bodega Guzman niets van te merken. Allerlei parafernalia die relatie hebben met de corrida zijn hier prominent aanwezig. Niet in de laatste plaats portretten van de legendarische Cordobese stierenvechter Manolete, die zijn gevecht met stier Islero op 28 augustus 1947 met de dood moest bekopen. Maar het is of Manolete nog steeds leeft in Cordoba. Zeker in Bodega Guzman.

 

Ondertussen bezoeken we wel nog het kleine Museo de Julio Romero de Torres, omdat het annex gelegen Museo de Bellas Artes op de Plaza del Potro gesloten is. Het kleine museum is vandaag gratis toegankelijk en laat vooral romantische schilderijen van het plaatselijke schilderfenomenen Romero de Torres (1874-1930) zien. Volgens een blauw tegelplateau aan de buitenzijde van het pand heeft de schrijver Cervantes er nog ooit gelogeerd. Het Plaza del Potro heeft zelfs een plek weten te verwerven in zijn meesterwerk Don Quichote.

 

Niet ver daarvandaan ligt het grote rechthoekige Plaza de

la Corredera, aangelegd in de 17e eeuw. Het is het Plaza Mayor van Córdoba. Een plein waar alles gebeurde. Er werden corridas gehouden, ketters verbrand en uiteraard werden er de wekelijkse markten gehouden. De smalle appartementen boven de in een typisch rood uitgevoerde booggalerijen worden met elkaar verbonden door lange balkons. Er is weliswaar het nodige gerestaureerd, maar hier en daar is het verval toch duidelijk zichtbaar. Het lijkt me geen pretje om in een van die appartementen te wonen. Op het magistrale plein, in de schaduw, een medio drinken is dat wel. Laat de zon een paar meter verderop zijn beulswerk maar doen.

 

 

De avond schuift langzaam over het berglandschap naar binnen, als we terug rijden richting El Borge. De lage zon tekent lange, donkere schaduwen over de hellingen. Die worden vervolgens afgewisseld met golvende, pasgemaaide graanvelden. Goud dat blinkt in de avondzon. Pas om half elf schuiven we aan tafel in Casa Garcia Lorca. De lucht boven El Borge gaat van kobaltblauw naar zwart. Sterren zorgen voor gaatjes in het nachtelijke tentdoek. Een enkele krekel scherpt zijn keel. Het is al voorbij middernacht als ik mijn Mexicaanse Coronita decapsuleer. De eeuwigheid is ingegaan.

 

 
  • ON THE ROAD naar Santiago de Compostela

  • Sint Jacobus leidt me door braamstruiken en naar bierloze cafés

  • New York op doek: nieuwe schilderijen

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 20

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 19

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 18

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 17

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 16

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 15

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 14

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 13

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 12

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 11

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 10

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 9

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 8

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 7

  • Christo in Central Park New York

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 6

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 5

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 4

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 3

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 2

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 1

  • Sleepless in Manhattan - intro

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 18

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 18

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 17

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 16

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 15

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 14

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 13

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 12

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 11

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 10

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 9

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 8

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 7

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 6

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 5

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 4

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 3

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 2

  • Intermezzo: de Vuelta in Venlo 2

  • Intermezzo: de Vuelta in Venlo 1

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico García Lorca 1

  • BINNENKORT IN DIT THEATER: ANDALUSIË

  • Hermitage: het zomerpaleis van Nicolaas II aan de Amstel

  • Wajauw? Met Ahmed Marcouch en Hans Laroes naar Brooklyn aan de Maas

  • Luik: van nu en toen, van Calatrava en Les Olivettes

  • Geen Pim Pandoer, wel Beethoven in ’s Heerenberg

  • Spaanse La Notte in het Hollandse Slot Loevestein

  • Van Gogh en de kleuren van de nacht in Amsterdam

  • Opnieuw de ruimte in: A Space Odyssey 2

  • Schilderen: een lange winter met gebrande omber sienna

  • Paradise by the dashboard light

  • Shipbreaking op doek. Met dank aan Edward Burtynsky - Work in Progress

  • Ode Maritima aan Fernando Pessoa

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 16

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 15

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 14

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 13

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 12

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 11

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 10

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 9

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 8

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 7

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 6

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 5

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 4

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 3

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 2

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 1

  • MANHATTAN TRANSFER

  • Corrida aan het einde van de Indian Summer

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 14

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 13

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 12

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 11

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 10

  • Intermezzo: Lucien zingt Lee Towers

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 9

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 8

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 7

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 6

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 5

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 4

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 3

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 2

  • Valencia: tapas op de Feria van Calatrava 1

  • VALENCIA: tapas op de Feria van Calatrava

  • Feria Andaluza in Boom België, of all places

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 15 / slot

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 14

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 13

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 12

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 11

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 10

  • Powered by ME :) !! en MainCore
    Blog (c) WordPress 1.5 Theme created by McMike and Mr-Godd