In st(r)aat van oorlog in de maneges van de Géruzetkazerne, deel 2
Voor het luttele bedrag van tien euro ben je de hele avond te gast bij de literaire marathon (18.30 - 23.00 uur). De tweede manege van de Géruzet kazerne in Etterbeek/Brussel is omgebouwd tot slagveld in de paardenmodder. Verspreid over de hele hal zinken de scheefgezakte houten kruisen weg in de gelige bodem, die iets weg heeft van gepoft zand. IJzeren barricades, veldtelefoons en communicatiebekabeling voeren je naar het dodelijke oorlogfront. Kwistig over het slagveld liggen de levenloze lichamen van de gesneuvelde militairen. Hun vaalgrauwe koppen steken uit hun vaalblauwe uniformen. De rigor mortis is al uren geleden ingetreden. En ik vroeg mij tevens af hoe lang hoe lang die oorlog nog ging duren, en of ik op de wereld gekomen was om altijd maar oorlog te zien…Hier in de manège gaat de oorlog zoals die gaat.
Niks Star Wars, niks slimme bommen, niks geleide projectielen op dit Géruzetfront. Geen beeldschermen waarop geluidloos de boel wordt opgeblazen. Op dit slagveld voeren we nog steeds een 20e-eeuwse oorlog. Zoals die moet zijn. Met niets ontziend geweld, de stank van lijken in ontbinding, oorverdovend lawaai, zinloos gekerm, en zand dat dof bloed absorbeert. Zo kennen we de oorlog weer.
Aan de zijkanten staan in strak gelid geperste pakken stro opgesteld. In lange rijen. Ze zijn bedoeld als de zitbanken voor de toeschouwers, deze avond. Al urenlang staren doffe ogen uit vaalgrauwe koppen boven vaalblauwe uniformen naar hun minder gelukkige medestrijders. Want ook soldaten houden wel van een verzetje. En wat is er aantrekkelijker dan te kijken naar je maten die daar liggen te creperen. Want jij bent voor even met verlof. En er is bier. En er zijn willige vrouwen. Oorlog als vertier. Moet kunnen, toch?
De manège loopt na half acht redelijk vol. De toeschouwers nestelen zich op hun baal stro of schurken zich tegen de soldaten-met-verlof. Dat moet een beschermd gevoel geven. Het spektakel is dan al begonnen. Boon aan het woord. Ge schrijft uw ‘kleine oorlog’. Ge zoudt liever een ander boek schrijven – groot schoon woelig juist – ge zoudt het dan noemen ‘dit zijn de vloeken en gebeden van den kleinen man tegenover den grooten oorlog, dit zijn de zangen, dit is DE BIJBEL VAN DE OORLOG’ – op een anderen dag wenscht ge echterniets liever dan uw pen stuk te stampen op het vlak van uw schrijftafel – het is zeer plezierig zooiets maar ge zijt verplicht u den dag daarna een nieuwe pen te kopen – want schrijven doet ge toch, het is een natuurlijke behoefte – de eene mensch vloekt zich dood, de andere loopt zijn kop op de muren stuk. Ge schrijft uw ‘kleine oorlog’.
De muziekmaatschappij van de federale politie marcheert naar binnen. Het boek over de oorlog wordt opengeslagen. Voorgelezen. Na het Nederlands volgt in vertaling het sonore Frans van de pikzwarte neger Kabongo. Djembé’s aan het front. En daar heb je The Sugar Riots al. Ze geven hem van katoen, denderen met John Cale over het slagveld en schreeuwen Ready for war te zijn.
Dan is het woord aan Jo Boon. De zoon van, inderdaad. Hij veegt zich het sluike haar voor zijn ogen weg. Gezeten bij zijn veldtelefoon voert hij zijn ‘kleine oorlog’. Zijn ruime grijze broek is geneden op loopgraafformaat. Er soepel in kunnen bewegen is belangrijk om te overleven. De goudvissen van zijn vader worden op het droge gelegd. Spartelen nog wat na. Happen naar lucht. Maar de oorlog is adembenemend. Ook een kleine oorlog. De Sugar Riots reiken hem het mes aan. Ballad of the soldier’s wife. Macky Messer? Nee, het duo Bertold Brecht en Kurt Weil op is het strijdtoneel verschenen. Ook oorlogsveteranen.
Alle oorlogen lijken op alle oorlogen. En rijgen zich als woorden aaneen. De Oorlogsboontjes worden afgewisseld door scènes van de Iberische grootmeester Fernando Arrabal. Even rust aan het front, want er wordt gepicknickt op het slagveld. De gekte verbeeld. Op een even cynische als lachwekkende manier. Maar het eindigt op een manier zoals uiteindelijk alle oorlogen eindigen: met de dood. Dan is al die uitgelatenheid van even daarvoor toch niet voor niets geweest.
En er zijn de getuigenissen van al die gewone, argeloze burgers. Op drift geraakt, moe gezworven, en als wrakhout aangespoeld in een onbekend land. Ver van huis en haard, en gericocheerd tussen de elkaar naar het leven staande partijen. ‘No pasarán’ is het Esperanto van de ontheemde, maar even zo vaak wordt er over hem heen gewalst. Met ingehouden adem luister je naar de persoonlijke verhalen van Manuel Mugica-Gonzalez, van Maria Dermitzaki. Of kijk je naar videoboodschappen van weer andere op drift geraakten. Irak, Rwanda, Darfur: aan deze rozenkrans komt nooit een einde. Elk jaar worden er weer nieuwe kralen aan het snoer toegevoegd. Bidden tot je een ons weegt.
Het spektakel wordt afgewisseld met interventies en tussenteksten. Peter Lombaert komt met zijn vriend van den Borre binnenstrompelen. En Mathilde Demarez neemt de kleine kolendieven op sleeptouw. En er zijn de oorlogsblinden. Twee slechts, op deze avond. Het is maar het topje van de ijsberg. Er zijn de fantassins uit de Grote Oorlog, een eeuw geleden al bijna weer. Waar blijft de tijd?
Maar zijn ook de profiteurs van de oorlog. De vol gevretenen voor wie de oorlog niet lang genoeg kan duren Meneer de Swaem en Meneer Boone. Meneer de president, welterusten - Slaap maar lekker in je mooie witte huis - Denk maar niet te veel aan al die verre kusten - Waar uw jongens zitten, eenzaam, ver van thuis.
Maar Boudewijn de Groot is vanavond niet van de partij. En toch moet ik even aan hem denken. Of het nou Vietnam is of Irak. De soldaat is altijd op herhaling. Of in dekking voor de bom. Gimme Shelter zingen de Sugar Riots de Rolling Stones na. War, children, its just a shot away, Its just a shot away. Maar het had ook Boudewijn de Groot weer mogen zijn.
Ondertussen woedt de Kleine Oorlog van Louis-Paul Boon gewoon verder in dit No man’s land van de G’s land van de Géruzetmanège. De vaalblauwe slachtoffers hebben zich de hele avond muisstil gehouden. Liggen voor dood over hun veldtelefoon. Of gewoon, als een oud vod over een baal stro gedrapeerd.
En anders zijn er wel die woorden van de man uit Aalst. Met alles erop en eraan. Zoals het hoort. De uitgemergelde uit Buchenwald hand in hand met Leen Persijn. Maar er zijn er ook met eenvoudiger verhalen. En als het geen live-verslag is, dan is wel een brief van mijn vriend de schilder. Tweetalig, want we zijn in Etterbeek, Brussel. Hoewel de taal van Boon de taal van alleman is. Zelfs ik twijfelde er aan of het aan dat arme simpele volk lag of aan den geldmuur of omdat er te veel geproduceerd werd, of dat het allemaal een ziekte een deliriumtremens was, ik twijfelde aan alles…
Het is te veel vanavond. De kleine oorlog walst over me heen. Het leger van al die medewerkende acteurs, zangers, schrijvers, kunstenaars, muzikanten, theatermakers, vertellers, videasten, vertalers, vluchtelingen. Met dat leger wil ik wel ten strijde. Om al die generaals en politici, volgepropt met megalomanie en machtshonger, te verslaan. Laten ze zich melden, die grootmuilen. In de manèges van de Géruzetkazerne in Etterbeek. Dan schoppen we ze een geweten. En laten Louis-Paul weten dat we gewonnen hebben, die kleine oorlog. Zijn zoon Jo zal de boodschap overbrengen. Want die was erbij, deze avond.
Kortom, het was een fantastisch evenement, daar in Etterbeek. Geen schot gelost, die avond. Of het moest tijdens de Shotdance door Lisa Da Boit zijn. Jammer dat ik het niet tot het einde heb uitgezeten. Maar er was nog een terugreis naar het noorden voor de boeg. Maar gelukkig hebben die grensoverschrijdingen tegenwoordig geen militaire consequenties meer.