juni 30th, 2005

Gustav Mahler: das Lied von der Erde

Posted in: Uncategorized — admin @ 17:02

Was Gustav Mahler 25 jaar geleden nog een componist die ervaren werd als ‘moeilijk’, dan is dat tegenwoordig wel anders. Het lijkt wel of deze tijd er nu pas aan toe is om Mahlers muziek als ‘doodgewone’ lklassieke muziek te bestempelen.

Op 7 juli 1860 werd Gustav Mahler geboren in het Boheemse Kaliste (Bohemen) uit Joodse ouders. Niet lang na zijn geboorte verhuist de familie naar Iglau in Moravië, een garnizoenstadje dat zijn sporen heeft nagelaten in Mahlers composities in de vorm van militaire signalen. Tijdens zijn middelbare studies volgt hij aan het Conservatorium van Wenen piano bij Epstein, harmonie bij Fuchs en compositie bij Krenn. De eindexamens van het gymnasium en conservatorium vallen samen, en daarna schrijft hij zich in aan de universiteit voor wijsbegeerte en geschiedenis. In het kader van die lessen volgt hij het facultatieve college bij Bruckner, die een blijvende invloed op zijn werk zou hebben, en wiens werken hij later als dirigent vaak op het programma zou plaatsen.

Mahlers eerste betrekking was die van dirigent aan het zomeroperettentheater van Bad Hall. Daarna volgen posten in Laibach, Olmütz en Kassel. In die laatste stad kon eindelijk ook Wagner en Mozart geprogrammeerd worden omdat er hier wel behoorlijke krachten voorhanden waren. Maar omdat hij slechts tweede kapelmeester was, waren deze “klassieke” werken niet voor hem. Na een kort verblijf in Leipzig en Praag, wordt hij operadirecteur aan de Koninklijke Opera van Boedapest, of wat hiervan overbleef: om enig resultaat te kunnen behalen, moest hij eerst de hele onderneming op alle gebied saneren. Voor de medewerkers was hij iets te veeleisend en te compromisloos, en door een wijziging aan het theaterstatuut werden hem alle autoritaire rechten ontnomen. Hij nam ontslag en werd prompt aangesteld als eerste dirigent te Hamburg.

[hr]



[hr]

Van 1897 tot 1907 was hij directeur van de Hofopera in Wenen. Om die aanstelling te krijgen had hij zich eerste tot het katholicisme moeten “bekeren”. Hij werkte die opera op tot één van de belangrijkste van Europa door een gedurfd repertoire en door het aantrekken van beroemde solisten. Als assistent kreeg hij Bruno Walter, en samen maakten ze van het orkest het gaafste geheel dat de concertluisteraar ooit te horen kreeg. In 1901 huwt hij de schildersdochter Alma Schindler. Vijf jaar na de “Kindertotenlieder” sterft hun oudste dochtertje. Hij moet zijn activiteiten inperken als de eerste symptomen van een hartkwaal aan het licht treden.

Als gevolg van intriges, die onvermijdelijk schijnen te behoren tot kunstenaars op zijn niveau, moest hij 1907 ontslag nemen, en verliet Wenen op het hoogtepunt van zijn carrière, om in New York aan de Metropolitan Opera het Duitse repertoire voor zijn rekening te nemen. Ook werkte hij als dirigent van Philharmonic Orchestra. Vier jaren na mekaar pendelde hij tussen Europa en Amerika. ‘s Zomers nam hij, zoals hij altijd gedaan had, de tijd om in zijn zomerverblijf in de bergen uit te rusten. Toen bleek dat hij de grenzen van zijn eigen krachten overschat had: een reeks gastconcerten in Amerika moest voortijdig afgebroken worden. Via een hartspecialist in Parijs kwam hij in Wenen terecht, waar een longontsteking het einde betekende. Hij stierf er op 18 mei 1911.

[hr]



[hr]

Symfonieën:

symfonie nr. 1 in D, Titan (1884-1888)

symfonie nr. 2 in c, Auferstehung (1887-1894)

symfonie nr. 3 in d (1893-1896)

symfonie nr. 4 in G (1899-1901)

symfonie nr. 5 in cis (1901-1902)

symfonie nr. 6 in a, Tragische (1903-1905)

symfonie nr. 7 in e (1904-1906)

symfonie nr. 8 in Es, Sinfonie der Tausend (1906-1907)

symfonie nr. 9 in D (1909-1910)

symfonie nr. 10 in fis (1909-1910, onvoltooid)

Orkestliederen:

Das Klagende Lied, 1879-1880

Lieder eines fahrenden Gesellen, 1883-1885

Lieder aus “Des Knaben Wunderhorn”, 1892-1901

Rückert Lieder, 1901-1903

Kindertotenlieder, 1901-1904

Das Lied von der Erde, 1907-1909

Typerend voor Mahler is de meesterlijke manier waarop hij zang kan verbinden met instrumentale muziek. Verder maakte hij het aspect klankkleur steeds belangrijker door het tot onderdeel van de muzikale structuur te maken (het 1e deel van de 9e symfonie is hiervan een mooi voorbeeld). Tevens bracht hij zijn muziek tot aan de rand van de tonaliteit. Op deze manier was hij de directe voorloper van Schoenberg, Alban Berg en Webern. Vooral dankzij de inzet van Willem Mengelberg en het Concertgebouworkest dat Mahler zelf ook dirigeerde, bevriende dirigenten als Bruno Walter en Otto Klemperer en na de Tweede Wereldoorlog de Amerikaanse dirigent Leonard Bernstein groeide langzaam de waardering en belangstelling voor zijn oeuvre. Tegenwoordig hebben zijn werken een vaste plaats in de programmering van menige concertzaal en in het concertrepertoire van elk symfonieorkest.

Mijn persoonlijke voorkeuren gaan naar de Vijfde Symfonie, en de liederen Das Lied von der Erde’ en de ‘Kindertotenlieder’.

juni 29th, 2005

Uma noite de fados: Dulce Pontes

Posted in: Uncategorized — admin @ 15:31

In november 1997 was ik een dag of tien in Lissabon. Naast veel zon ook bij tijd en wijle een flinke plensbui. Maar elke avond ging de zon in het westen onder in een gloeiende oranje lucht. Een bezoek aan café A Brasileira (Fernando Pessoa hield in brons en in de regen buiten de wacht) werden de eerste uren van de nacht doorgebracht in een fado-café in de Rua do Norte. Eten en drinken, inbegrepen. Vanaf dat moment was ik verkocht aan de fado. Welke zangeressen me daar het hart week maakten, weet ik bij god niet meer, maar de ‘saudade’ had mijn ziel geïnfecteerd. In een eerder weblog besteedde ik al aandacht aan Cristina Branco, en haar vertolking van gefado-de gedichten van Slauerhoff. Vandaag heb ik Dulce Pontes in de aanbieding, de eigentijdse uitvoering van fado-legende Amalia Rodrigues.

[hr]



[hr]

DE FADO

Tegenwoordig is de fado een wereldwijd bekend symbool voor Portugal. Alhoewel de fado in diverse regio’s als Coimbra en Lissabon op verschillende manieren gezongen wordt (in de fado uit Lissabon tref je meer Arabische dan Keltische zanginvloeden aan, terwijl dit bij de fado uit Coimbra net andersom is), is de fado de welhaast tastbare expressie van de Portugese volksziel. Het woord Fado komt van het Latijnse woord fatum, dat lotsbestemming betekent. Wat gebeuren moet zal onvermijdelijk gebeuren. Daarom klinkt de fado vaak zo melancholiek en triest. Alsof het lot van de zanger in wezen het tegenovergestelde is van wat hij wilde dat zou gebeuren. De fado bezingt de tweespalt in het bestaan, het lot, nostalgie (in het Portugees: saudade), de zee, de liefde, religie en andere thema’s. Saudade is niet slechts een Fado thema, maar een diepgeworteld gevoel in de Portugese volksziel.

Een belangrijke Portugese dichter zei ooit: “Het verlangen is het sensuele en vrolijke gedeelte van de Saudade, de herinnering zijn spirituele en van pijn vertrokken gezicht”. Maria de Fátima als echte “fadista“ zangeres zegt fado is een levenslied. Als ik een tekst lees die diep in mij niets zegt, dan kan ik geen fado zingen. Ook al is de tekst nog zo mooi, ik moet gewoon voelen wat ik zing. Dat is niet aan te leren. Een andere bekende fado-zangeres zei onlangs met fado geeft de Portugees ook zijn gevoelens op muzikale of poëtische wijze bloot. Er is een direct verband tussen woorden en de muziek, want de zangeres of zanger kan pas haar of zijn hele ziel in de muziek leggen wanneer zij of hij het lied begrijpt. Pas dan is het mogelijk vrijuit te zingen. Amalia Rodrigues (1921) is de grootste “fadista“ aller tijden. Zij maakte de fado buiten Portugal wereldwijd bekend.

De fado-zanger kleedt zich meestal in een zwart pak. Hij zingt over zijn stad, zijn liefdes, de ellendigheid van het bestaan, politiek of hij bekritiseert het milieu waarin hij leeft. De Fado zangeres zingt met een klaaglijke stem en draagt altijd zwart, meestal met een sjaal om haar schouders. Zij bezingt de liefde en de dood. De dood waar het het verlies van een geliefde betekent. De manier van zingen geeft op een bepaalde manier de kijk van de Portugese ziel op het leven aan. Hun geloof in het lot, als iets dat ons overkomt en waaraan niet ontsnapt kan worden. Het dominante van de ziel over het hart en verstand. In Coimbra klinkt de fado ook triest en melancholiek, maar vanuit een andere motivatie. Steeds meer jonge mensen uit Porto en Lissabon kwamen met hun gitaar naar Coimbra. Zij speelden een nieuwe stijl Fado’s die vooral door studenten werd gewaardeerd. Hoe konden zij beter uiting geven aan hun gevoelens van verlangen en radeloosheid over een niet beantwoorde liefde, dan met zang en gitaar. En hoe zouden ze beter hun ongenoegen kunnen uiten over het verlies van hun jeugd, dan in de fado-muziek..

Waar de fado precies vandaan komt is onduidelijk, maar een theorie is dat negerslaven uit Brazilië begin negentiende eeuw naar Portugal kwamen en daar de Fado muziek introduceerden. Een andere theorie is dat de Fado stamt uit de tijd van de ontdekkingsreizen. Kortom het is onduidelijk waar de Fado precies vandaan komt. Wel is bekend, dat de traditionele fado hoort bij de volksbuurten Alfama, Bairro Alto, Mouraria en Madragoa, waar de muziek in de typische Fado te horen is.

[hr]



[hr]

DULCE PONTES

Dulce Pontes is een stem, haar stem. Vanaf haar 19e zingt ze haar soms swingende, dan weer lamenterende fado’s. Soms zweept ze zichzelf op met haar wapperende, zwarte krullende lange haren, dan weer staat ze kortgeknipt, maar even imponerend op het podium haar volkse fado’s te zingen. Altijd met overgave, altijd met gevoel. Geen Amalia Rodrigues, maar met een eigen timbre, zoals dat ook Cristina Branco, Misia en andere eigentijdse fado-zangeressen hebben ontwikkeld. Nog altijd vind ik haar CD ‘A Brisa do Coraçāo’ een van de meest indrukwekkende, met name de nummers ‘Cançāo do Mar’, ‘Zanguei-me como o meu Amor’ (een populaire fado uit de volkswijk Mouraria/Lissabon) en ‘Povo que lavas no Rio’. Maar ook op de CD ‘Caminhos’ staan schitterende nummers zoals ‘Fado Português’ en ‘O Infante’, waarvan de tekst werd geschreven door Fernando Pessoa (ja, hij weer).

Als slot twee coupletten uit de tekst van de door haar gezongen ‘Fado Português’:

O fado nasceu um dia

Quando o vento mal bulia

E o céu o mar prolongava

Na amurada de um veleiro

No peito de um marinheiro

Que estando triste cantava

Ai que lindeza tamanha

Me chāo, meu monte, meu vale

De folhas, flores, frutas de oiro

Vê se vês terras de Espanha

Areias de Portugal

Olhar ceguinho de choro

juni 28th, 2005

Arvo Pärt: grootmeester van de stiltemuziek

Posted in: Artist Impressions — admin @ 19:10

In 1995 was ik van 25 september t/m 1 oktober in Helsinki en Tallinn. Op 29 september woonde ik ‘s avonds in Helsinki in de moderne Temppeliaukion Kirkko, een half ondergrondse kerk gebouwd met rotsblokken, glas en koper, een indrukwekkend concert bij met muziek van o.a. Ligeti en Arvo Pärt. Ligeti kende ik al, zijn muziek had ik al gehoord in de sublieme film ’2001, A Space Odyssey’ van Stanley Kubrick. Pärt was een totaal onbekende voor mij. Maar op dat moment in het donker van het half ondergrondse hol van de kerkruimte maakt het indruk op me. Dat is vanaf dat moment niet meer over gegaan. In Nederland is Arvo Pärt lang relatief onbekend gebleven. Dit jaar is er in ieder geval een grote push gegeven aan de bekendheid van de Estse componist.

 

Hoewel ik ook nog een weekend met de speedcatamaran ben overgestoken naar het aan de overzijde gelegen Estland (de laatste mogelijkheid voor de winter om met dit vervoermiddel over te steken, want tot in het voorjaar daarna werd de speedcatamaran hiervoor niet meer gebruikt, te link ongetwijfeld vanwege ijsvorming, stormen en hoge golven), heb ik in Tallinn op dat ogenblik geen spoor van Pärt aangetroffen. 

Het Holland Festival biedt vaak een heleboel fraais. Dit jaar was deze Estse componist doorgedrongen in een van de Nederlandse topfestivals. Vijf concerten met zijn muziek stonden geprogrammeerd (op 7 t/m 10, en 18 juni jl.). Jarenlang werd de componist weggezet als een wereldvreemde charlatan, wiens muziek verdacht werd gemaakt. Maar de tijden lijken te veranderen.

Jarenlang, vanaf 1995, heb ik gewerkt aan het verzamelen van een CD-collectie met werken van Pärt. Sobere hoezen herbergen urenlang esoterische stiltemuziek. Spirituele, ijle klanken, en - steeds herkenbaar - de klokachtige tintinnabuli-stijl. Wie Pärt zegt, denkt aan in zichzelf gekeerde kluizenaar. Grote baart, kale schedel, diepliggende donkere ogen. Een zwijgende monnik op Birkenstock-sandalen. De werkelijkheid blijkt vaak anders te zijn. Pärt kan de innemendheid zelf zijn, zelfs geestig en gevat.

Over zijn afkomst is echter niet veel bekend. Geboren op 11 september 1935 in Paide (Estland) ten oosten van de hoofdstad Tallinn. Thuis speelde hij al vroeg piano, daarna ook slagwerk. In de communistische tijd kwam hij regelmatig in aanvaring met de communistische machtshebbers. Desondanks weigerde hij te buigen voor de onderdrukkers en componeerde hij tot 1970 in een stijl die aansloot bij de westerse avant-garde. Hij liet zich inspireren door de seriële muziek van Steve Reich, voor velen een horreur van jewelste: emotieloze, mathematische muziek. Zijn eerste concerten in Talinn liepen vaak uit op rellen. Na een jarenlang ‘composers block’ herrees hij als een feniks uit zijn noten-as. Het bleek een spiritueel ontwaken dat uiteindelijk zou leiden tot de ontdekking van de klankcultuur uit de Russisch-orthodoxe kerk: Tabula Rasa (1977), Fratres (1977) en Miserere (1989) zijn er voorbeelden van. 

De ‘kluizenaar’ reist inmiddels heel wat landen af, met name naar Londen, waar het beroemde Hilliard Ensemble inmiddels bijna al zijn muziek op CD heeft gezet. Het ‘huisorkest’ van Arvo Pärt beheerst al geen ander muziekgezelschap de kunst om de ijle muziek van Pärt tot op het bot te laten doordringen.
Ook het Estonian Philharmonic Chamber Choir onder leiding van Tonu Kaljuste vertolkt Pärts muziek subliem. Dat de Estse componist nu dus ook met zelfs vijf concerten in het programma van het Holland Festival was opgenomen zegt genoeg. In ieder geval zijn de jaren van ‘verbanning’ voorbij. De doem van het serialisme trouwens ook. De grenzen tussen genres zijn vervaagd, emoties en vreemde klanken worden geaccepteerd door een breed publiek.

Tot mijn favoriete muziekstukken van Pärt behoren:  
* Fratres 
* Cantus in Memory of Benjamin Britten 
* Kanon Pokajanen

juni 27th, 2005

Ry Cooder en de Buena Vista Social Club

Posted in: Uncategorized — admin @ 15:22

De laatste dagen van juni zal ik muzikaal afsluiten. Vier dagen met een aantal muzikale voorkeuren van mij. Vanwege de tropische temperaturen van de laatste tijd begin ik in Cuba. Met die ouwe knakkers van de Buena Vista Social Club, legendarisch gemaakt door de Amerikaanse gitarist Ry Cooder.

[hr]

De Wenders documentaire

[hr]

DE MUZIEK

De Buena Vista Social Club is de naam van een groep Cubaanse muzikanten, en tevens de titel van een muziekalbum, gemaakt door Ry Cooder en bovengenoemde muzikanten. Er werd in 1999 een documentaire film van gemaakt door Wim Wenders.

De film toont hoe Ry Cooder, lang bevriend met Wenders, een aantal legendarische Cubaanse muzikanten bij elkaar brengt en hoe ze samen het album opnemen. Ook bevat het opnames van concerten en interviews. Door dit album werden de muzikanten, waarvan velen al 80 tot 90 jaar oud, wereldwijd bekend. Onder hen zijn Ibrahim Ferrer en Compay Segundo. De film werd in 2000 genomineerd voor een Academy Award. Het muziekalbum had anno 2004 wereldwijd 8,7 miljoen exemplaren verkocht.

Ry Cooder (1947, Los Angeles) is een Amerikaanse gitarist en producer. Cooder heeft lang gewerkt als studio muzikant, waarbij hij aan vele film-soundtracks heeft gewerkt. Hij verzorgde onder andere de filmmuziek voor Paris, Texas (1984) van Wim Wenders.

“Dit is de ultieme latin-plaat, een absolute klasssieker. Niemand anders is in staat om een plaat te maken als deze. Ibrahim Ferrer is zo vitaal als iemand kan zijn in het jaar 2003”, luidde het commentaar van Ry Cooder bij de release van Buenos Hermanos.

Na zijn solo-debuut ‘Buena Vista Social Club presents Ibrahim Ferrer’ betekent dit album inderdaad de bekroning van de Cubaanse zanger als één van ’s werelds grootste vocalisten. Met Orlando ‘Cachaíto’ López op bas, Manuel Galbán op gitaar, piano en orgel, Chucho Valdés aan de piano, Miguel ‘Angá’ Díaz op conga’s, Jim Keltner en Joachim Cooder op drums en Ry Cooder met de gitaar omgord achter de mengtafel, kan Ferrer natuurlijk terugvallen op een muzikaal dream-team. Gastoptredens van accordeon-speler Flaco Jimenez en de gospel-stemmen van The Blind Boys of Alabama maken het feest compleet.

Met romantische boleros als ‘Perfume de Gardenias’, de vloeiende improvisatie van La Música Cubana, explosieve ritmes in ‘Hay que Entrarle a Palos a Ese’ en rauwe gitaren op ‘No tiene Telaraña’ heeft Ibrahim Ferrer zich verzekerd van de eeuwige jeugd.

Info is te vinden op: www.buenavistasocialclub.com

DE FILM

Wenders filmde met een digitale videocamera Cooder bij zijn terugkeer naar Havana in 1998 om een soloalbum met Ferrer op te nemen. In een knalblauwe motor met zijspan rijdt Cooder door de kleurrijke straten van een stad, die er uitziet alsof een production designer er weken hard aan gewerkt heeft, en doorsnijdt die beelden met een registratie van het concert dat dezelfde muzikanten in april 1998 in het Amsterdamse Carré gaven. Uit dat concert is de kleur praktisch weggemanipuleerd, zodat een fraai contrast ontstaat tussen pittoreske armoede en sobere muzikale rijkdom.

[hr]

Wij geloven in onze dromen

[hr]

Cineast Wim Wenders, een goede vriend van Ry Cooder, vatte het idee op een documentaire te maken met als titel Buena Vista Social Club. Het is niet direct het verhaal van de opname van de CD. Maar wel een mix van opnamesessies voor een tweede CD, beelden uit het straatleven in Havana, gesprekken met zangers en muzikanten en fragmenten uit het optreden in de Carré-schouwburg van Amsterdam en Carnegie-hall in New-York.

Elders in de film wordt een van de revolutionaire slogans getoond die je in Cuba overal in het Straatbeeld ziet: “Wij geloven in onze dromen.” Het is net die idee die de film op elk moment uitstraalt. In een prachtig fragment zien we bijvoorbeeld hoe de hoogbejaarde Rubén Gonzalez in een plaatselijke muziekacademie piano speelt voor een groepje kleine meisjes, piepjonge ballerina’s in de leer, de nieuwe generatie.

De super-abuelos, of super-opa’s zoals ze in Cuba worden genoemd, zijn heel eenvoudige mensen, die nog altijd in hun vertrouwde buurt wonen. Het wereldsucces heeft hen niet over het paard getild. Op een treffende manier tonen ze bovendien dat in Cuba oude mensen niet afgeschreven zijn. Ze blijven deel uitmaken van het sociale leven. Ze worden gewaardeerd om wat ze zijn. Dat geeft hen ook een energie die we ons hier nauwelijks kunnen voorstellen bij een hoogbejaarde. Zo vertelt Compay Segundo met een guitig lachje dat hij vijf kinderen heeft en aan een zesde werkt of legt hij uit wat je kan doen tegen een kater. Ibrahim Ferrer en Omara Ortuondo bewegen zich sensueel heupwiegend over het podium alsof ze gisteren pas in elkaars ogen gevallen zijn. Pas wanneer je deze hoogbejaarde kwajongens bezig ziet, wordt je trouwens de sexy dubbele bodem van de verschillende Buena Vista songs duidelijk. Een lied over een brand in de kamer van de lokale schoonheid Tula en de brandweer die dringend moet komen blussen, heeft niet direct met een echte brand te maken maar eerder met de temperatuur van Tula… Maar om dat te snappen, moet je eerst Ibrahim Ferrer dat verhaal zien zingen. Als je een onbevooroordeelde duik wilt nemen in de Cubaanse levenslust is Buena Vista Social Club een absolute aanrader.

Onlangs (10 juni) is een nieuwe CD verschenen met muziek van een volgend Cooder-project: Chávez Ravine, genoemd naar een voormalige volkswijk bij Los Angeles, die vooral bevolkt werd door Amerikanen van Mexicaanse oorsprong, de zogenaamde chicano’s. Opnieuw authentieke muziek. Hopelijk ziet Wim Wenders er nog een film in.

juni 25th, 2005

Zonsverduistering door György Konrad

Posted in: Uncategorized — admin @ 17:20

Op de Belgische site www.liberales.be tref ik een recensie aan over het boek ZONSVERDUISTERING van de Hongaarse auteur György Konrad (uitgegeven door de Bezige Bij). Omdat het vandaag – gelukkig – een stuk minder warm is dan in de afgelopen tropische dagen, valt er weer wat te lezen.

Zojuist nog eerst de nederlaag van Nederland tegen Nigeria (WK onder de 20; 1-1 na de reguliere 90 minuten; vervolgens verlenging en 12 strafschoppen!) moeten verwerken. Eigenlijk terecht, want het spel was vaak van bedroevende kwaliteit. Maar terug naar de literatuur. De recensie is van Dirk Verhofstadt.

[color=#ff0000]‘Mijn leven? Ik werd geboren in 1933; ik was zes jaar oud toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en elf toen ik als gevolg van geluk en vindingrijkheid in leven bleef. Ik was twaalf toen ik het nationaal-socialisme overleefd bleek te hebben. Ik was vijftien in het jaar van de krachtdadige invoering van het communisme, werd daarna samen met het regime ieder jaar ouder, en was zesenvijftig toen het eindelijk de geest gaf. Het leven was traag. Ik vond dat niet erg – dat wat vanzelf komt is wel genoeg. Alles wat belangrijk is, komt voort uit de beslissing die ik in mijn puberteit heb genomen: dat ik schrijver wilde worden. Een rij boeken: een voortdurende strijd tegen een engel die door het lot tegenover mij was gezet. Ik stap voort in de openbaarheid, markeer mijn sporen, maak mijn stations zichtbaar.’ Zo kondigt Gyorgy Konrad zijn nieuwste boek ZONSVERDUISTERING aan.

Dit boek vormt eigenlijk het tweede deel van zijn autobiografie. In zijn vorig werk GELUK beschreef Konrad reeds zijn herinneringen aan de jodenvervolging en de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog. Nu pakt Konrad de draad weer op in 1945. Hij schrijft over zijn studententijd, over het beslissende jaar 1956, over het ontstaan van zijn schrijverschap en de donkere vijftien jaar waarin hem in Hongarije een publicatieverbod was opgelegd. Ondanks het feit dat hij meermaals de kans had om naar het Westen te emigreren besloot Konrad om in Hongarije te blijven. Het resultaat is een scherpe ontmaskering van het communisme als een mensonwaardig systeem door een man die het aan den lijve ondervonden heeft. Voor al wie nog zou geloven in de ‘weldaden’ van het communisme, in de glorie van de socialistische ‘heilstaat’ en in de dictatuur van het proletariaat vormt dit boek een antidotum. Het failliet van dit collectivistisch systeem bleek niet alleen economisch maar ook, en vooral, moreel. Omdat het de mens niet beschouwde als een unieke persoonlijkheid, met zijn intrinsieke en persoonlijke talenten, kwaliteiten en tekortkomingen, maar als een ding, een voorwerp, een zielloos object net zoals een tafel, een stoel of een paar schoenen. Iets dat je kan gebruiken of wegwerpen in functie van je behoeften. “Mest op de velden van de toekomst”, zo zag Trotski de mens.

[hr]



[hr]

De verpulvering van de mens tot ‘een ding’ is wellicht de grootste tragedie geweest van de voorbije eeuw en Gyorgy Konrad beschrijft dit meesterlijk. Dat doet de auteur niet door een opeenstapeling van feiten, data en gebeurtenissen, maar eenvoudigweg door terug te blikken op zijn rijk gevulde leven. Over zijn dromen, zijn liefdes, zijn schrijverschap. En schijnbaar achteloos verwijst hij terloops naar iemand die hem dierbaar was maar verdween in de nevelen van de geschiedenis. Zoals naar zijn oom Pista en tante Ilona, de lievelingszus van zijn moeder die in mei 1944 plichtsbewust het bevel opvolgden dat elke jood zich moest aanbieden in het getto van Nagyvarad, en nadien vergast werden in Auschwitz. Naar zijn dierbare neef Gyuri Frank die aan tyfus overleed in Mauthausen. Naar zijn oom Imre door het hoofd geschoten door een pijlkruizer (de Hongaarse nazi’s). Naar het schijnproces en de ophanging van Laslo Rajk – zelf een communist maar die weigerde in de pas van Moskou te lopen – wegens zijn vermeende spionage voor de Amerikanen. En naar zijn opstandige collega schrijver Imre Sarkadi die zich radeloos uit het raam gooide en te pletter sloeg op de straatstenen.

Hijzelf heeft geluk, zijn ouders hebben de waanzin overleefd en terwijl hij het grijze, zachte haar van zijn vijfennegentig oude moeder streelt blikt hij terug. Op de machtsgreep van de communisten in 1948 alhoewel de Partij van de Kleine Boeren de laatste vrije verkiezingen hadden gewonnen. Ze pakten onmiddellijk het huis en de winkel van zijn vader af zonder schadevergoeding want privé-bezit was niet langer toegelaten. En toen hij dit in een opstel op school aanklaagde moest hij voor een tuchtcommissie verschijnen. Het werd zijn eerste confrontatie met het communistische regime, er volgden er nog meer. In 1956 studeerde Konrad af als leraar Hongaarse literatuur en rolde als vanzelf in de volksopstand tegen de Sovjetbezetting. In die dagen liep hij rond met een machinegeweer dat hij evenwel nooit gebruikte. Zijn verzet bestond vooral in het lezen van de werken van Albert Camus, Raymond Aron en Laslo Németh die met zijn boek Galilei de opstand tegen de Russische troepen inspireerde.

‘Afgelopen met de verdoving, het is het volksfeest der ongehoorzamen’, zo noteert Konrad, maar hij beschrijft met evenveel afkeer de lynchpartijen waarvan de mannen van de staatsveiligheid tijdens de opstand het slachtoffer zijn. Hij verafschuwde dat ziekelijke volksverlangen naar het afmaken van mensen. Na de onderdrukking van de opstand sloegen tweehonderdduizend Hongaren op de vlucht, waaronder zijn zuster, zijn neven, nichten, vrienden en geliefdes. Konrad bleef en begon te schrijven.. Daarop volgt een lange periode van huiszoekingen, afluisterpraktijken, ondervragingen, intimidaties, inbeslagnames van ‘staatsgevaarlijke’ teksten, illegaal kopiëren (kopieerapparaten stonden onder controle van de politieke politie), het naar het buitenland smokkelen van bundels en het drukken van zijn werken via de samizdat, de ondergrondse pers. In 1974 werd Konrad gearresteerd door de staatsveiligheid. Na een korte opsluiting in een psychiatrische kliniek kwam hij vrij, maar zowel hijzelf als zijn vrouw verloren hun werk en boeken uitgeven werd hem verboden.

Maar zijn werk circuleerde reeds in het buitenland en het bezorgde hem naambekendheid en internationaal respect. Na de val van de Muur in 1989 werd hij gevraagd als voorzitter van de internationale PEN-club. In deze autobiografische roman verwijst Konrad zelden naar de eerbetuigingen die hem te beurt vielen. Zo ontving hij in 2001 de prestigieuze Karel De Grote prijs omwille van zijn grote bijdrage aan de Europese eenwording. Want Konrad, die zich onder het communistische bewind zo had ingezet voor een vrij en onafhankelijk Europa, bleef ook na 1989 hameren op de noodzaak om zijn land zo snel mogelijk op te nemen in de Europese Unie. “Onze ziel werd in 1989 verheven. Het was een wonderschoon jaar. We zijn geen slachtoffer meer van willekeurige besluiten, weten nu hoe we de besluitvorming kunnen controleren, hoe we de staat kunnen aanklagen en kunnen een onderscheid maken tussen goed en kwaad. Zonder democratie bestaat er geen vrijheid, rechtszekerheid en geciviliseerde omgang tussen burgers onderling. Vooral het principe van wederzijds respect is van het grootste belang.” Het verankeren van de rechten en vrijheden van elke Hongaarse mens binnen de bescherming van een Europees politiek en rechtssysteem was voor hem essentieel om te vermijden dat de oude demonen van het fascisme, het communisme en het radicaal nationalisme opnieuw zouden opduiken.[/color]

Gyorgy Konrad is altijd dissident gebleven (in zijn boek De onzichtbare stem verzette hij zich tegen de luchtbombardementen van de NAVO op Joegoslavië). Een dissident voor de vrede. Dat komt door zijn diepe afkeer voor elke vorm van willekeur, fanatisme en geweld die zo kenmerkend was voor de twintigste eeuw. Voortdurend was hij op zoek naar die unieke plek op aarde waar hij zich echt thuis kon voelen. En ‘waar is thuis’, zo vraagt hij zich op het einde van dit indrukwekkende boek af. Thuis is ‘waar ze me niet doodslaan. Waar ik mijn kinderen in veiligheid kan weten. Waar personen en woorden respect verdienen.’ Het klinkt als een noodkreet. De noodkreet van een wijs man die niet alleen in aanmerking komt voor de Nobelprijs voor Literatuur maar ook voor die van de Vrede.

juni 23rd, 2005

Is er nog een leven als artiest?

Posted in: Artist Impressions — admin @ 15:33

Ik schilder al meer dan 25 jaar. Terugkijkend op die tijd is het een geschikte hobby gebleken om de psychiater buiten de deur te houden. In de beginjaren schilderde ik vooral met olieverf, met name Bretonse landschappen: zware, dreigende wolkenpartijen boven strenge granieten huizen en kusten.

De laatste tien jaar leg ik mij toe op meer abstract werk. De olieverf heb ik vervangen door acryl, maar gebruik ik ook steeds meer gemengde technieken. Daarbij probeer ik steeds een nieuw onderwerp op verschillende manieren uit te werken.

Voorbeelden daarvan zijn series schilderijen en tekeningen met een speciaal thema en uitgevoerd in een overheersende kleur. Als voorbeelden kan ik noemen:

thema – idee – kleurstelling

* water – kracht, dynamiek – blauw, groen, turquoise

* vleermuis – angst, bloed – blauw, rood

* corrida – wreedheid, kracht – rood, geel, zwart

* de 4 elementen – aarde, water, lucht, vuur – bruin, geel, rood, wit

* communicatie – tekens van leven – oker, bruin, rood

Bretagne, 1999 (90×90, acryl)

Het thema communicatie heb ik twee jaar geleden vorm gegeven in een groot 50-tal -Japanse - prenten. Thema’s betrekking hebbend op wreedheid en kracht zijn te zien in de corrida-reeks, het Spaanse stierengevecht dus.

Daarnaast put ik veel inspiratie uit de reizen die ik maak. Spanje, IJsland, Sicilië Frankrijk, Egypte. De wereld biedt nog oneindig veel meer, dus ligt de inspiratie voor het opscheppen. Ook in het schilderen van de landschappen probeer ik meer te leggen dan alleen het afbeelden van het landschap, hetgeen kan vari벥n van het suggereren van ?rust? tot ?dreiging?.

[hr]

Collioure, 2000(90×90, acryl)

[hr]

Soms schilder ik naar aanleiding van gelezen teksten van favoriete schrijvers als Jorge Luis Borges en Konstantin Paustovkij. Ook de muziek van de Ierse Cranberries en U2 stimuleren mij tot het maken van schilderijen.

[hr]

Toro Bravo 2, 2003 (90×90, acryl)

juni 22nd, 2005

Bas Heijne blaft over Dublin, Dresden en Troje

Posted in: Uncategorized — admin @ 17:10

Ik volg nog steeds de webdiscussie in NRC. Elke vrijdag een nieuw artikeltje over het boek van de maand. Op dit ogenblik is dat ‘Het Stenen Bruidsbed’ van Harry Mulisch. Elke vrijdag wordt de discussie opnieuw in een hogere versnelling gebracht. Onder andere door Bas Heijne. Die blaft en keft, maar gelukkig heeft hij ook waardering voor deze klassieker uit de Nederlandse literatuur. Een fragment:

Er heerst een koele waanzin in ‘Het stenen bruidsbed’: alles knarst, schuurt, schettert, schreeuwt, raast, blaft en brult in deze roman, en tegelijk wordt heel die krankzinnige kakofonie omringd door een ijzige stilte, die wel de stilte van het grote niets moet zijn. Norman Corinth, de Amerikaanse tandarts die op 13 februari 1945 vanuit zijn vliegtuig de bommen boven Dresden losliet, is volkomen hol van binnen; hij keert, met een tandartsencongres als excuus, terug naar het niemandsland dat hijzelf heeft geschapen.

Dat Mulisch die gillende leegte voelbaar weet te maken in een roman die in alle andere opzichten juist overvol is, verbluft me. Sinds Ulysses, waarin de brave Leopold Bloom tijdens een dagje Dublin de Odyssee nog eens dunnetjes overdoet, is in de literatuur te vaak het spel der betekenisvolle literaire verwijzingen gespeeld. Een realistische gebeurtenis wordt aan de kapstok van de wereldliteratuur gehangen, of aan de grote onvergankelijke mythen, zodat de lezer als vanzelf de personages en intrige van de roman gaat opwaarderen het lijkt een kroegbezoek, maar eigenlijk is het een Walpurgisnacht, dit lijkt op een scène van een man in een bordeel, maar eigenlijk bevinden we ons in de Hel van Dante. Zulke literatuur zoekt resonans, maar eindigt als gezelschapsspel.

‘Het stenen bruidsbed’, met zijn talloze verwijzingen naar de klassieke tragedie en het verhaal van Troje, heeft veel van zulke literatuur in zich; vandaar dat critici er de afgelopen vijfenveertig jaar eindeloos mee hebben kunnen puzzelen.

Als ik zelf moet kiezen, doe me dan toch maar ULYSSES, ook al ontgaat me een hoop. De taalrijkdom kan echter niemand ontgaan. En daar stijgt Joyce vele malen het niveau van Mulisch uit.

juni 20th, 2005

Met dit weer: liever met Voskuil in Zuid Frankrijk

Posted in: Uncategorized — admin @ 16:52

Gistermiddag stevig doorgelezen in Voskuils wandelboek TERLOOPS. Zoiets als de ‘nouveau roman’ onder de reisboeken. Ook vandaag had ik hier graag in doorgelezen, maar helaas: van 8.15 tot 17.30 uur in een kantoor aan het werk zonder airco, in een sauna dus, ondanks zonnescherm en plafondisolatie. Maar het helpt niet, aan de zonzijde. Buiten loopt de temperatuur op tot 34 graden in de schaduw. En wij maar denken dat de slavernij al lang geleden werd afgeschaft. Liever had ik – in eigen tempo – meegelopen in Ardèche of Cantal, met J.J. Voskuil. En om de paar kilometer een lavende koele verfrissing.

Lezers van ‘Bij nader inzien’ zullen zich herinneren dat Maarten en Nicolien in 1950 op een voettocht in Frankrijk in Gordes overnachtten. Dat was de eerste van ruim vijftig voettochten die J.J. Voskuil en zijn vrouw sindsdien maakten. Van het merendeel bestaan dagboekaantekeningen, die Voskuil, nu heeft uitgewerkt tot drie delen ‘Voettochten’, die tussen 2004 en 2006 zullen verschijnen.

Dit eerste deel, ‘Terloops’, bevat de verslagen van tien tochten door Frankrijk in de jaren 1957-1973. Het zijn vluchtige notities, geschreven tijdens een pauze of ‘s avonds aan een cafétafel. Ze hebben geen andere pretentie dan de belangrijkste indrukken vast te leggen, zoals een ander een foto maakt of een paar lijnen in een schetsboekje trekt. Ze tekenen het landschap, het weer, de tegenslagen en de strubbelingen als het te warm is of de tocht te zwaar, de ontvangst in de hotels en de schaarse mensen die daar verblijven.

In de jaren vijftig en zestig is Frankrijk nog overdekt met een net van kleine dorpshotels, vaak met een eigen moestuin en een eigen keuken, die buiten het seizoen slechts sporadisch gasten hebben, zelden toeristen, nooit buitenlanders. Dat geeft de wandelaar een gevoel van ruimte en de illusie voor de rest van de wereld onbereikbaar te zijn.

Iedereen die dat gevoel kent, maar ook iedereen die houdt van de wijze waarop Voskuil in een paar zinnen een situatie weet te schetsen, zal genieten van deze reisdagboeken. De dagboeken zijn per tocht voorzien van kaartjes waarop de gelopen route is aangegeven.

juni 18th, 2005

Hondsdagen: Ulysses in Vlissingen

Posted in: Literair — admin @ 16:54

Alle goede dingen in drieën. Vandaag het dessert van de Joyce-driedaagse. Maar een beperkt dessert. Vanwege drukke werkzaamheden, krijg ik pas vanmiddag de tijd om de bijlagen van de NRC van gisteren te lezen. Waarin (weer) een stuk over Joyce. Lekker onder de parasol. Want vanaf vandaag krijgen we drie hondsdagen: de temperatuur loopt tot 30 en meer graden op, maar gelukkig is het niet benauwd. Nog boffen, dat ik niet hoef te werken, althans vandaag en morgen. Een stralend blauwe lucht. De vogels fluiten zich tegen de avond, als de hitte wat tempert, uit de naad. Eten buiten ‘s avonds, dat spreekt voor zich.

 

"Niemand hoeft bang te zijn voor James Joyce" luidt de titel van het NRC-artikel. Het artikel kijkt terug op de Bloomsday-viering in Vlissingen, een dag eerder. Want op 16 juni werd de hele ULYSSES voorgelezen. Waarom in Vlissingen? Gewoon omdat Joyce ooit Vlissingen (een verbastering van Ulyssingen?) aandeed, lang geleden. Want op 13 september 1012, om vier uur in de ochtend, arriveerde Joyce met de boot in Vlissingen. Met zijn vrouw en twee kinderen was hij op doorreis naar Triëst. De schrijver was Ierland meer dan zat, nadat hij jarenlang vergeefs onderhandeld had over de publicatie van zijn verhalenbundel ‘Dubliners’. In de restauratiezaal eerste klasse van het station wachtte Joyce op de trein, en om de tijd te doden begon hij aan een pamflettistisch gedicht (‘Gas from a burner’), over de kleingeestige uitgevers en drukkers die zijn werk wilden censureren.

De voorleesmarathon in Vlissingen (de start vindt plaats op het terras van de Gevangentoren aan de boulevard) vond voor het grootste gedeelte plaats in het Vestzaktheater. Daarvoor hebben al 70 bekende Vlissingers op 18 locaties in de stad stukken uit ULYSSES voorgelezen.
Aansluitend werd het essay ‘Meneer Joyce in Vlissingen’ gepresenteerd. Daarin vertellen de auteurs (Bindervoet en Henkes) o.a. het verhaal van de Vlissingse doortocht. Over het boek hangt de schaduw van Stephen Joyce, de kleinzoon van James Joyce, een notoir lastige man die het liefst alle vertalingen van zijn grootvader zou tegenhouden.. Zijn almacht zal overigens in 2012 eindigen, want dan komen de rechten op het werk van Joyce te vervallen.

juni 17th, 2005

Terug naar Ierland: Dublin en Joyce revisited

Posted in: Uncategorized — admin @ 16:13

Ik ga vandaag nog even door met James Joyce, Ierland en Dublin. En niet alleen vanwege ULYSSES (zie het log van gisteren).

Van 9 tot en met 16 maart 1994 maakte ik, in het kader van het programma van het Europees Platform, en als ‘toetje’ na de cursus Internationalisering (6 avonden in Rotterdam) een reis naar Ierland, Dublin en Belfast. Van die reis maakte ik indertijd een literaire reisimpressie, waarin de geest van Joyce en Ulysses nog wel eens terugkwamen. Hier het resultaat:

TAKE THAT ROAD SEE HOW FAR IT GOES

een reisimpressie uit Dublin en Belfast


[hr]

Duke Street

[hr]

Ik blijf staan en kijk in de richting van de stompe kaap Bray Head die als de bek van een slapende walvis op het water ligt. Dan de spiegel. De snotgroene zee. De scrotumschrompelende zee. Epi oinopa ponton. Snel warm zonlicht komt uit Berkeley Road aangesneld, rap, op lichte sandaaltjes.

In mijn rug juicht het Victoriaanse, mosgroene Court Hotel. De lentezon streelt Killiney Bay. Een tiental kilometers verwijderd slechts van Eccles Street. Ik mis hem al, Joyce. En hoor hem kankeren. We leven in een veenmoeras, eten goedkoop voedsel en de straten zijn geplaveid met stof, paardevijgen en de fluimen van teringlijders. Ook Ierland is veranderd.

Böll dan? Irisches Tagebuch. Sfeer van altijd neerzakkende regen uit een laaghangend, grijs wolkendek. Verrotte aardappels. Kerken, bedelaars en sigaretten. Kinderen, altijd veel kinderen. Die eeuwige lucht. Der Himmel mit der Vielfalt der Graus gefiedert. Ook weer een mislukte poging. De literatuur brengt je op verkeerde sporen. Es gibt dieses Irland : wer aber hinfährt und es nicht findet, hat keine Ersatzansprüche an den Autor.

Ierland behoor je te naderen vanaf zee. Langzaam je neervlijen tegen de kade. Het eilandgevoel. Geluid van trossen. Scheepshoorns. Niet neerdalen met zo’n rappe vogel, die je in minder dan 90 minuten van Amsterdam naar Dublin brengt. Air Lingus, vlucht EI603. Met 25 andere schoolfrikken samengedreven in een nauwe Boeing 737. De stewardessen krijgen net op tijd het fast food door de evenzovele hongerige strotten. Seminar for dutch teachers of general secondary education involved in internationalization. Dat kun je zelf nauwelijks mooier verzinnen. Maar het staat wel mooi op de azuurblauwe omslag van het programma van deze week. Voorafspiegeling van de al even blauwe strakgetrokken lucht boven de zee. Alleen die straffe wind. Flarden verplaatste lucht. En die lente-aanval die nog steeds niet echt wil lukken.

Tara, Pearse Street, Landsdowne Road, Sidney Parade, Booterstown, Monkstown and Seapoint, Salthill, Dun Laoghaire, Sandymount, Dalkey, Killiney Bay. De kralen van een rozenkrans. De Dart raffelt ze af. Mijn moeder kon dat ook. Nog geen meimaand, maar toch. Geen tijd om de Martello-toren te belegeren. Joyce revisited. In gedachten schrijd ik naar voren en bestijg de ronde geschutsbedding. Dan ontwaar ik Stephen Dedalus, buig in zijn richting en sla schuddebollend snel enkele kruisjes in de lucht.

Terug naar het Court Hotel verrekijkend over de snotgroene zee. Zonlicht dringt niet tot in de donkere ontbijtzaal. Veel hout in een oude bibliotheek. Door de traliehekken heen spieden Sean O’Casey, Bernard Shaw, Samuel Beckett en James Joyce hongerig naar onze ham and eggs. Vette dampende worstjes ook. Aleen voor Brendan Behan geen breakfast om gulzig achter de omheining der tanden te slaan. Ierland eert zijn auteurs. Dat begint al aan het ontbijt.

Op tijd. Dat zijn ze gewend, deze didaktische Argonauten. De rozenvingerige dageraad heeft ze vroeg uit hun nog dampende legerstede gekieteld. De aanzet is al gegeven. Gistermiddag. Geschaard rond een koperen ketel vol Ierse onderwijsneuzigheden. Het ene einde van de regenboog. En aan het andere einde de gouden pot klotsend van keltisch levensvocht. De leprechaun stond er dollend bij te lachen. Dat nemen ze ons niet meer af. Zwaar op de maag? Dat niet. Maar daar liggen nog altijd de rashers. De dikke plakken donker sodabread. Het wordt een loden dag.

[hr]



Glendalough in de Wicklow Mountains: Marten Toonder revisted

[hr]

De bier- en whiskeystem van Dave dirigeert ons naar het Senior College. Zelden zo’n doorrookt stemgeluid van een buschauffeur gehoord. Het hol van de leeuw voor deze imposante immigrant uit de Schotse hooglanden. Zo iemand waar je je van alles bij voorstelt. Avonduren, meisjes in grijs gaas. Dan nachtelijke uren, donker, met dolken en oogmaskers. In Dublin’s fair city. Where the girls are so pretty. I first set my eyes on sweet Molly Malone …

Nog niet weg van school, of je staat al weer op vertrouwde grond. Mary Black zingt over the Holy Ground. Liever pleeg ik even blasfemie. Maar ja, ik heb nu eenmaal getekend voor dit tijdelijke vreemdelingenlegioen. By the side of the swirling sea, I spent the days of childish wonder.

Een bonte stoet van bijna-kermisgasten in deze school voor meer dan duizend studenten tellende school. Post Leaving Certificate Students. Hun richting gevonden hebbend, denken ze. Niet het Ierland van Böll. Niet het Ierland van Joyce. Brendan Behan misschien. De docent in de video-afdeling ruikt mijlenver dronken uit zijn mond. Om elf uur ‘s ochtends al. Zijn ogen zwemmen hulpeloos rond in de kassen. Roodaangelopen. Lenehan drinkt nog en grinnikt tegen zijn schuingehouden bier. Hij denkt aan verre, oostelijke zeeën.

De Ierse zee doorkliefd hebben ze, de twaalf tekenfilm animisten van het Senior College. Hun werkcabines staan hol te gapen als lege hondehokken. Mister Morrissey beent apetrots langs de verlaten stallen. Ver weg op het continent verdedigen ze Ierlands eer. In de Disney Studio’s te Parijs. Weer een dozijn Ierse zonen dat aan werk geholpen is.

Zo gaat het dagenlang. Nauwelijks tijd om de donkere poel van Baile Atha Cliath in te duiken. Dat is voor later. Want daar opent Our Lady’s haar poorten. Wijds en hemels bijna. All Roman Catholic girls. Meer dan 700 welopgevoede maagden. Het paradijs vóór de zondeval. Geen appelbomen. De bibliotheek ruikt naar oude boeken en onzichtbaar vocht. Het regent dus toch elke dag in Ierland! Als een warme theemuts valt Mrs. Anne Brodie over ons heen. Hartelijk. Een schoolleider die nooit bevriend zou kunnen zijn met de ambtelijke rekenmees¬ters uit de Ivoren Torens van Zoetermeer.

In de ruime hal wordt al geoefend voor vanmiddag. Het dampend wierooksvat gaat van hand tot hand. Meisjeshanden. Blauwig stijgt de penetrante walm om¬hoog naar het plafond. Kaarsen worden ontstoken. De sfeer van het hemelse. De volle aflaten liggen hier voor het oprapen : Go to confession. Go to mass daily. Say the rosary. Visit Jesus Christ in the chapel. In opvallende karakters op het publicatiebord.

Aan het einde van de dag is het dan zover. De honderden donkerblauwe rokken schuiven dicht tegen elkaar op de grenen banken. De Eternal Flame wordt ontstoken. Ter ere van Saint Patrick. No harm shall come to me, no arrow strike me down, no evil settle in my soul. Het engelenkoor van ijle stemmen in de eindigende dag. De priester heft de kelk. Flesh and blood. Eén ontzaglijke verjaardagstaart van brandende kaarjes. Dansen ook. Meisjes in ritueel wit rondom een brandend vuur. Blut und Boden. Dia linn ‘gus oiche ‘s Padraig aspal Eireann. Getooid met de shamrock.

De high tea ligt minder zwaar op de maag dan de Irish Stew. De Dublin Coddle, zoals ze hier zeggen. En dan nog naar Mahlers Eerste, die avond. De Rückert Lieder in the National Concert Hall. Rare jongens, die Ieren. Gewoon je jas over de leuning. Als in de pub. En laat dan het geweld maar over je heen komen.

[hr]



Glendalough in de Wicklow Mountains: de Geest uit de (whiskey)fles

[hr]

We ontlopen de regen niet, want anders zou het geen Ierland zijn. Helaas net op de verkeerde dag. Zaterdag. Maar nu is, verweg in het westen, de zon aan het ondergaan en de laatste gloor van een al te snel vervlietende dag toeft teder op zee en strand, op het fiere voorgebergte van Howth dat oud en dierbaar al immer de wateren schut, op de met zeewier overdekte rotsen langs het strand van Sandymount. Toch weer Joyce. Niet te ontlopen.

Vanmiddag zaten we nog schuilend voor de drenzende regen in een warme kroeg. Diep in de Wicklow Mountains. Glendalough. Het Upper Lake. De kale berken zachtroze. Zelfs de schaduw van de round tower verzuipt in het soppige, deinende groen. De brandende blokken hout roken onze lekkende jassen uit. Koffie en Guinness. Autochtonen schuiven aan. Wat moet je hier, schoolfrik uit het rijke Oosten, in zo’n van god verlaten herberg? Groenbemost en schimmels woekerend over de lekkende muren. Scheefgezakte, eeuwenoude zerken dansen hun voortdurende regen¬dans. Maarten Toonder hobbelt voorbij in zijn Oude Schicht. Saint Kevin warmt zijn koude, gerimpelde handen. Hij doet niet mee, als we uit verveling toch maar een partijtje pool op het groene laken leggen. De bonte ballen wervelen rond. Stuiteren van onervarenheid tot in de brandende haard. Flarden voetbalrumoer rolt uit een flikkerende tv. Manchester scoort. Dave knort van genoegen. Nog maar een Guinness. De volhardende wandelaars druipen binnen. Uren gelopen om een oude loodmijn te zien. Doorweekt. Natte sponzen in glimmende regenkleding. Dan terug door het groengolvende land. Een patchwork van zompige lappen grond, aaneengestikt door de nog kale winterheggen.

Al sinds 1822 klonteren ze er bij elkaar, in de Lanigans Est. Dicht bij de O’Connell Bridge, aan Eden Quay. Tara Station. Opeengepakt onder de zware eiken balken. De houten vloer getergd door lompe schoenen, zweet en Guinness. Dofbonzende vaten. Turfvuur. Op een podium van nauwelijks één decimeter hoog gaan de Dublin Rogues tekeer, amper zichtbaar vanaf mijn plaats, door heen gordijn van Irish Mist en sigarettenrook. Muziek van de Dubliners. The Commitments. Mary Black, ook. Zwaarmoedige balladen kruipen smekend omhoog tegen je klamme kleren. Wellustige dansen, uitgevoerd door een halfdronken stel. De borsten golven als het Ierse land. Niet groen, dit keer. Zachtroze, eerder.

Het is zaterdagavond. Morgen kan de kater blijven slapen. Want alle klokken uit al die kerken beieren niet zo godschanselijk vroeg als bij ons. Dus, feest nog maar even door. Hoewel de laatste Dart hijgend binnenstoomt om zijn rozenkrans met ons te bidden. Holy Sandymount, Holy Blackrock, Holy Dun Laoghaire. Killiney Bay ontvangt ons met open armen. Morpheus. Maar we wringen ons nog voor een aantal uren uit zijn bedwelmende omhelzing. De rozenvingerige dageraad rekt zich reeds uit.

[hr]



The Court Hotel in Killiney Bay: het nederig onderkomen in die week

[hr]

Zondag dan. De rust van een stad na luchtalarm. De vroege wandelaars van St. Stephen’s Green. De daklozen als een kennel schichtige honden bijeengedreven op een nog nat trottoir. Wachtend op hun fast breakfast. Liever een Guinness, zwart als steenkool. De strakke straten, schoongeveegd. De bontgekleurde voordeuren pronkend tussen hun witte zuiltjes. Scharlakenrood. Zwavelgeel. Appel¬groen. Azuurblauw. Georgian style. St. Patrick’s Cathedral, nog leeg. Parel tussen de zwijnen van de oprukkende slums. De eerste kaarsen.

In de lucht flarden blauw in het grijs. Een strakke, ijskoude wind. Ora pro nobis. Wandelt daar niet Leopold Bloom? Op weg naar Nassau Street. Luchtspiegeling. Als ik nou eens een tukje deed. Zal tegen negenen zijn. Boot naar Liverpool al lang weg. Niet eens de rook meer. Belfast. Ik ga niet. Toch maar, want de bus staat al te wachten.

Voor een paar dagen afscheid Molly Malone. Van al die Maguires, Molloys, Murphys. Van al die O’Neills, O’Sullivans, O’Tooles. Telefoonboeken vol. Weemoed, bijna. Lees Brendan Behan er maar op na, die zuiplap. Vooropgesteld dat het weer een beetje meezit, dan zijn er maar weinig steden die aan Dublin kunnen tippen. De weelde van het koele gras en de bonte bloemenpracht in de middagpauze maken dat je hoofd de rest van de dag niet meer naar werken staat. Confessions of an Irish rebel. De Liffey rimpelt rustig weg. De snotgroene zee tegemoet.

Van de wind geen last meer. Vanachter het pantser van glas. Dave ragt golvend door het Ierse land. Richting Belfast. De geschiedenis reist als een verstekeling mee. Het Cyclopengraf van Newgrange. Meer dan 4000 jaar. Tot stof zullen wij wederkeren. De Boyne schuifelt lentezacht over het groene tapijt. Niks battlefield. Dan Monasterboice. Het Muiredach-cross op een grassig kerkhof. De round tower als een gescalpeerde fallus rechtop.

Dan gaat het snel ineens. Dundalk koestert zich grijs aan zijn zilte slikken. Meeuwen krijsen klapwiekend over het lege land. De grens nadert. Hier houdt Europa op. Nog altijd een ijzeren gordijn.

Bij Newry de grens over. Hekken in camouflagegroen. Dreigende wachttorens kijken hoog en ver over het golvende lege land. Wees verdacht op de rising bollards, die plots uit het wegdek omhoog kunnen klappen. Camera’s met onfeilbare ogen. Vaalgroene looptunnels voor al die angsthazige Engelse soldatenjongens. Checkpoint Charley aan de Noordierse grens. En wij maar denken dat het allemaal allang voorbij was.

De IRA heeft zich al gemeld. Houdt Heathrow in een ijzeren greep. Vernederen¬de projektielen op de startbanen. Al dagen achtereen. En ook uit Belfast komen de bange berichten. De zoveelste militair in koelen bloede afgeknald gezeten achter zijn tweede pint. Krijsende verloofde. Bewust ontzien. Zelfs in je vrije weekend ben je niet veilig. Het regent zachtjes, als we Belfast binnenrijden. Met een grote boog Fallsroad mijdend. Uit de buurt van Shankill. Ghetto’s van onverdraagzaamheid. De straten zijn leeg. Slechts de kogelvrije vesten van de donkerblauwe politie. En de pantserwagens, die als snelle groene ratten door de straten rennen. Af en aan. Tweekoppig steekt het leger uit de plaatstalen opening. De mitrailleur gericht. Geluid van plakkende banden op het natte wegdek. Ontzet als er een paar op me toesnellen. Fotograferen is hier toch echt verboden! De volgende wegafzetting. Sirenes. Zondagmiddag in Belfast.

Het Wellington Park Hotel ligt tot de tanden bewapend aan Malone Road, niet ver buiten het centrum van de stad. Steeds weer die hekken, de camera’s, de rode alarminstallaties. Een lege straat. Drinken slechts toegestaan tussen zes en tien uur ‘s avonds. Dat wordt nog stevig doordrinken, dus. De wind jaagt angstig over het glimmende asfalt. Benauwd om voor het donker binnen te zijn. De avondklok. In de lucht het geluid van een klapwiekende helicopter. Urenlang zal hij er blijven hangen. Wakend over de stad. Uit de portieken dreigen geweerlopen in de handen van beverige dienstplichtigen. Waar hebben we dit meer gezien? Gaza, Beiroet, Sarajevo.

Toch maar een snelle wandeling gemaakt naar het centrum van de stad. De druilerige City Hall staat wit in de steigers. Slagbomen versperren je de pas richting centrum. Parkeerverboden in een wijde cirkel.

[hr]

de Kroeg van Davy Byrnes: Duke Street

[hr]

In the name of the father, heet de film. De Guildford bar gaat oorverdovend aan flarden. Alsof een olieraffinaderij ontploft. Dan het slagveld in Falls. Daar rijden de groene pantserwagens weer. De loop snuffelend naar voren gericht. Slalommend tussen de omvergereden vuilnisvaten door. Branden. Regen van vliegende stenen, losgewrikt uit het fijngemalen wegdek. Vervreemding, nu je hier naar de verbeelding zit te kijken, terwijl buiten de werkelijkheid er de perfekte imitatie van is. De jeugd knaagt rustig de familiezakken popcorn weg. Dan gaan de lichten weer aan. Terug maar naar het hotel. Een rustig idee, zo je hoofd neer te kunnen leggen in een bewaakte veste. De zondag is bijna voorbij. Morgen is ook voor Belfast een gewone werkdag.

Speak politely. Open doors for teachers, visitors and each other. Maintain your high standards as a pupil of Lagan College as you travel to and from school. Het staat er echt. Vlak na binnenkomst. Voor al die honderden jongens en meisjes in deftig uniform. Een didactisch paradijs, waar dagelijks de schoolbussen hun instant engelen afleveren. Protestant of katholiek, het maakt niet uit. Deze school is nog van vóór de zondeval. Hoewel nog niet zo oud. Nieuw, ver buiten het rumoer van de vijandige stad. Schittering in het glooiende land. Een onderwijskundig Disneyland. En het bestaat.

Een vers-afgeleverde docent tracht aan een 3-havo-achtig stel enige literatuur te slijten. The Outsiders, het heet boek. Amerikaanse pulp. Verveeld, kauwgumsmekkend en lokkend naar de boys tracht een uit de kluiten gewassen stoot de 40 minuten durende les tot het einde te rekken. Niks Joyce, O’Neill of O’Casey. Wel dromen. Als overal, de jeugd. Dan het voorjaar, de zomer: geuren. Smaakjes. Verre stranden. Hagelwit.

Het gaat niet om de drank maar om het het gezelschap. Zeggen Gaelische liederdichters. Laat me niet lachen, Yeats. In slagorde staan ze in het gelid. Donker en melancoliek, hun melkwit schuim verschrompeld. Nieuwe balladen golven aan, zwaar oproeiend tegen de loden Guinnesslucht. Een duo, dit maal. The Keltic Kick. Heimatlieder. Zeemanskroegenmuziek. Zelfs over de Zuiderzee. Zoute tranen in het lauwe bier. Voor de hongerigen nog wat laatste restjes. Seafood of the day. Please ask your waitress. Je moet toch wat, op zo’n desperate maandagavond. Een half-dronken Ier houdt me aan de praat. Altijd weer die verdomde politiek. Waarom niet gewoon het standaard bargelul? Vrouwen, auto’s en voetbal. Met een paar miljoen dicht opeen tegen elkaar geschurkt. Op een altijd groen eiland. Bierdrinkend. Balladenzingend. Verhalen over de banshee. Het volk van Dana.

Gelukkig loop je in Dublin nooit de kans uit te drogen, zoals in plaatsen die verder van zee liggen. Zelfs op de heetste dagen waait er nog een bries vanuit de Baai en dan zijn er de bergen om de stad, waarheen de mensen onder het werken hun blik richten en de vermoeienissen en de hitte met opgeruimder hart verdragen. Drink je glas leeg, Brendan. Dream of liberty and revolution.

Meer dan vijfhonderd angstige grijze muizen. Samengedreven in een uitgeleefd hol. De laatste didaktische stukjes kaas zijn al door brutalere ratten weggevreten. Het Oatlands College. Dickens. Grauwgekromde jongenruggen. Kortgeschoren nekken. Voorschrift. Met helse straffen in het vooruitzicht voor al die brutalen. More beer!, staat er met dikke viltstiftletters op de gekerfde tafels. Runetekens bezwadderen de vaalgele muren. Ziekelijke kleuren. Een laffe pislucht stijgt op vanachter de gedeukte radiatoren.

North Richmond Street, being blind, was a quiet street except at the hour when the Christian Brothers’ School set the boys free. Alsof hij het geweten moet hebben, de oude James. De leer in schril kontrast met de naargeestige werkelijkheid. De geschiedenislessen gaan hier eeuwig over de Ierse vrijheidsstrijd. Koppen dicht. Voorgekauwde repeteergeweren. Catechismus voor historici. Niks andere werkvormen. Gewoon rechttoe, rechtaan. Frontaal. Recht op je doel af. Geef ze Sinéad O’Connor. UB40 of U2. Geen wiskundige formules. Toverklanken. Groene magie. Muziek uit de bogs. Uit het veen van Kildare en Mayo.

Toch blij, als je de deur hier weer achter je dicht kunt slaan. Van heimwee geen last. Je staat weer midden in Dublin. Het grijze gordijn wordt schokkerig weggetrokken uit de koudblauwe lucht.

Als bij een zandloper lijkt het naderende einde op hol te slaan. Het Marino Institute, het farewell-dinner met al die beminnelijke Ieren. Zelfs het land zit al bijna als een herinnering in je hoofd. De kleur ook. Groen. Groene rugbyvelden. De greens. De groene velden voor het gaelic football. Voor hurling. Ook zo’n sport voor onverschrokken knapen. Groene deuren. De shamrock. Air Lingus. De dubbeldekkers dubbelgroen. Appelgroen. Grasgroen. Mosgroen. Spinaziegroen. Zompig groen. Lijkengroen. Dromengroen.

De laatste uren. Trinity College. Het boek van Kells ligt gekoeld in zijn flauwbelicht aquarium. Pagina’s van vleeskleurig kalfshuid. Een millennium en meer nog. Weinigen zullen het ooit nog aanraken. Eén keer per maand wordt de pagina omgeslagen. Jarenlang lezen. Ook een monnikenwerk. De Amerikanen rukken op. Vanwege St. Patrick’s Day, morgen, met honderdduizenden aangezwermd van over het Grote Water. Met al die zilveren vogels. Drommen nu in het halfdonker rondom het glazen altaar. In aanbidding. Kleuren in miniatuur. Karmijnrood. Smaragdgroen. Sulfur.

Daar slaat Leopold Bloom de hoek om. Duke Street. Wandelt The Bailey binnen. De deur van Eccles Street, op drift geraakt. Wrakhout. Nummer 7 toch? Zie hem weer oversteken naar de overkant. Lunchtijd in de Davy Byrnes’. Bestelt een glaasje bourgogne en een broodje gorgonzola. Buiten wordt de straat schoongespoeld. Glanzende regen. Reiniging. Introïbo ad altare dei. Uit Grafton Street waaien flarden muziek richting Stephen’s Green. Weer Mary Black. If we leave here today. We could be a thousand miles away. Take to that road see how far it goes. And on that great ocean road. Maar het vliegtuig wacht al. Meedogenloze vogel. Het verkeerde ticket. Dublin – Amsterdam.

[hr]



Eccles Street voor Leopold Bloom: 16 juni 1904

[hr]

Ik kijk al pratende Stephen in het gezicht. Een licht windje strijkt over zijn voorhoofd, zacht zijn blonde ongekamde haar koelte toewuivend en zilveren zorgenplekjes in zijn ogen oproepend. Opeens herinner ik mij niets meer. Dublin. Baile Atha Cliath? Mijn toverstaf weigert. Het Dana-volkje blijft onder de zompiggolvende zoden. Mijn ogen dwalen over de lispelende Liffey. De loodgroene zee tegemoet.

Langzaam trekt er een wolk voor de zon, de baai in dieper groene schaduwen hullend. Het ligt al achter mij, een vat vol bitter water. Guinness. Dofbonzende vaten. Het lied van Fergus : ik zing het nu alleen, de lange donkere akkoorden aanhoudend. Haar deur staat open : ze wil mijn muziek horen. Ik loop naar haar bed. Ze reikt mij haar droom, Stephen. Daar in het Westen. Galway. Lisdoonvarna Connemara De hoogkruisen van Clonmacnoise. De Shannon vredig voortsjokkend door het groenige land van moeras. Opgeslokt worden in de gaeltacht. En onder het deinende groen het volk van Dana, the white goddess. Dansend binnen de eiken kring. Een land vol niet ontdekte werelden. Een onderwereld ver van de zegeningen van Europa. Het einde van de wereld. Finis terrae. Eindeloos schuimend strand. Samuel Beckett, de laatste wandelaar. Terug naar Eccles Street. Alleen nog een woestijn van water.

Diep onder mij verglijdt de stompe kaap Bray Head die als de bek van een slapende walvis op het water ligt. Dan de spiegel. De snotgroene zee. De scrotumschrompelende zee. Epi oinopa ponton. Snel warm zonlicht komt aangesneld, rap, op lichte sandaaltjes. Killiney Bay. Snel kleiner wordend, nu.

juni 16th, 2005

Bloomsday: James Joyce en Ulysses revisited

Posted in: Literair — admin @ 15:53

Het is vandaag Bloomsday: 101 jaar na de beruchte, in ieder geval de meest bekende datum uit de literatuur, is het vandaag weer zover. Donderdag (!) 16 juni 1904 uit ULYSSES van James Joyce, de beroemdste dag uit de 20e-eeuwse literatuur. 

 
Het boek ULYSSES wordt alom beschouwd als Joyce’s meesterwerk en daarmee is de 16e juni tot een symbool van wereldliteratuur geworden. De hoofdfiguur Leopold Bloom zwerft door het Dublin van 1904 en Joyce maakt de lezer deelgenoot van de wederwaardigheden van Bloom. Het boek zorgt bij verschijning voor een schandaal want de openhartigheid waarmee tal van zaken beschreven worden (Bloom in een bordeel, op de WC, er wordt gevloekt etc.) is ongekend voor die tijd. Vooral het laatste hoofdstuk waarin Molly Bloom een wulpse, erotische halfslaapmonoloog houdt is voer voor psychologen en taalwetenschappers. Deze monoloog geldt als een hoogtepunt van artistiek kunnen; hierin is alles vertegenwoordigd wat mogelijk is en wat gezegd kan worden.
In Engeland en in de Verenigde Staten was het boek wegens zijn voor die tijd schunnig karakter, tien jaar verboden en de eerste druk verscheen dan ook in Parijs. Vandaag geldt ULYSSES als taalkunstwerk en wordt het vereerd als tijdloos meesterwerk van de Europese literatuur.
Joyce?s roman veroorzaakte een storm van protest, na uitgave in Parijs in 1922, het geboortejaar van Hamilton. Het boek was in Engeland en de Verenigde Staten lange tijd verboden vanwege de seksuele openhartigheid en de vulgaire taal. Pas in 1933 hief een Amerikaanse rechter de ban op: ‘ULYSSES’, zo luidde zijn uitspraak, "is misschien misselijkmakend, maar het werkt zeker niet als een afrodisiacum."

James Joyce

Het boek werd niet alleen een bestseller, maar is ook een van de meest becommentarieerde, geannoteerde boeken ooit. ULYSSES verhaalt de belevenissen van Leopold Bloom, een hedendaagse Odysseus, gedurende de loop van slechts één dag in Dublin: 16 juni 1904. Deze dag ’ Bloomsday’,  is voor Joycefans een jaarlijkse feestdag geworden. Over de hele wereld verzamelen zich liefhebbers van Joyce om fragmenten aan elkaar voor te lezen, een Bloomsday lunch te nuttigen, zich in contemporaine klederdracht te hullen en te luisteren naar lezingen over het boek en zijn auteur.

Ik beschik over twee vertalingen van Joyce’s meesterwerk: die uit de zestiger jaren (vorige eeuw) in de vertaling van Johan Vandenberg, en die uit 1994 van de Belgen Paul Claes & Mon Nys. De laatste leest in ieder geval een stuk prettiger. In deze ‘Belgische’ vertaling wordt recht gedaan aan de onvoorstelbare rijdom van Joyce?s spel met de taal, de tekstgenres, klankeffecten, referenties, stijlen en dialecten die ULYSSES biedt. Het is geraffineerde literatuur en vaak nog geestig ook. En tegelijkertijd scabreus, ontroerend, tragisch, diepzinnig, poëtisch, kortom unieke wereldliteratuur.

Dat ULYSSES ook andere kunstenaars kan inspireren, wordt geשּׁustreerd door het volgende voorbeeld. De veelzijdige Britse kunstenaar Richard Hamilton (Londen, 1922) is vooral bekend als grondlegger van de Britse pop-art. Maar Hamilton wordt al ruim vijftig jaar geboeid door James Joyce?s modernistische epos ULYSSES, dat hij van illustraties wilde voorzien.

Hamilton kreeg tijdens zijn diensttijd in 1947 het idee om deze complexe, experimentele roman te illustreren, toen hij genoeg tijd had om ULYSSES te lezen en te herlezen. Als student aan de Slade School of Art in Londen (1948-1951) maakte hij talrijke voorstudies voor etsen, maar om uiteenlopende redenen lag het project stil na 1950. Na een onderbreking van meer dan dertig jaar hervatte Hamilton in de jaren tachtig van de vorige eeuw het illustreren van Joyce met een serie grote autonome etsen. In de jaren negentig maakte Hamilton steeds meer gebruik van de computer. Dit resulteerde onder meer in digitale irisdrukken. Tot op heden zijn zeven van de achttien episodes van ULYSSES volledig geשּׁustreerd.

Een aardige introductie in ULYSSES biedt tenslotte BLOOMSDAY, Gids door Dublin en Ulysses van James Joyce. Het is geschreven door Kees Tamboer, en uitgegeven door Bas Lubberhuizen. Het is, volgens mij, de eerste Nederlandse gids die de lezers wegwijs maakt in Dublin: ULYSSES. De gids voert langs de achttien woningen waarin James Joyce opgroeide: het leven van de kunstenaar als jonge vent in Dublin.

juni 12th, 2005

José Saramago: de magiër uit Lissabon (3)

Posted in: Literair — admin @ 19:22

Nederlandse politici staan niet bekend om hun grote literaire interesse. Laat staan dat ze zelf de pen (of de tekstverwerker) ter hand nemen. Het is hier geen Frankrijk. Daar heb je tenminste met enige regelmaat presidenten, premiers en ministers die, naast hun politieke handwerk, ook nog boeken schrijven. Denk aan Mittérand, Giscard d?Estaing, Pompidou )ik heb hun geschriften in huis. Om maar niet te spreken over de oud/minister van cultuur André Malraux, die complete romans schreef.

Gelukkig constateer ik ook hier vooruitgang, maar één zwaluw maakt nog geen lente. Schrijven op moderne leest geschoeid, het bijhouden van een weblog , dus. Zoals die van Ayaan Hirsi Ali, Gerrit Zalm enzovoorts.
Belezenheid is nog wat anders. Ik heb nog weinig politici er op kunnen betrappen. Maar gelukkig is daar de zwaluw Jan Marijnissen. In zijn weblog van 15 mei 2004 lees ik het volgende (uiteraard klinken zijn SP-ideeë® hier in door):

Saramago, de Portugese schrijver, zei eens:
"Mensen zijn erg afhankelijk van de omstandigheden.
Maak daarom de omstandigheden menselijk."
Wie dit niet doet, maar het omgekeerde, moet niet vreemd opkijken als blijkt dat mensen in onmenselijke omstandigheden zich als onmensen gaan gedragen.
Ontluisterend in de film ?De Amerikaanse school? (uitgezonden door de IKON, 14 mei 2004) is dat de VS-regering de onmenselijkheid ook nog eens ?n handje helpt.

Bij de uitreiking van de Nobelprijs voor literatuur in Stockholm, 10 december 1998, zei de voorzitter van de Zweedse Academie, Kjell Espmark, het volgende:

This rich work, with its constantly shifting perspectives and constantly renewed images of the world, is held together by a narrator whose voice is with us all the time. Apparently he is a story-teller of the old-fashioned omniscient variety, a master of ceremonies standing on the stage next to his creations, commenting on them, guiding their steps and sometimes winking at us across the footlights. But Saramago uses these traditional techniques with amused distance. The narrator is also adept in the contemporary devices of the absurd and develops a modern scepticism when faced with the omniscient claim to be able to say how things stand. The result is literature characterised at one and the same time by sagacious reflection and by insight into the limitations of sagacity, by the fantastic and by precise realism, by cautious empathy and by critical acuity, by warmth and by irony. This is Saramago’s unique amalgam. 
 

De dag voor de uitreiking had Harrie Lemmens, vertaler van o.a. José Saramago, nog geschreven:

Morgen maakt de Zweedse Academie bekend welke schrijver dit jaar de Nobelprijs voor literatuur wint. Er is alles voor te zeggen dat dit deze keer iemand is die in het Portugees schrijft. Niet alleen is het Portugees met zijn bijna tweehonderd miljoen sprekers in en buiten Europa een van de grote taalgebieden op de wereld. Er zijn ook verschillende zeer goede kandidaten beschikbaar die in het Portugees schrijven.
Twee schrijvers van wie ik veel heb vertaald worden nu als kansrijke kandidaten voor de Nobelprijs genoemd. In beide gevallen is dat terecht. Ze zijn sinds meer dan vijftien jaar de belangrijkste schrijvers van Portugal en zijn in veel talen vertaald. Beiden hebben een oeuvre dat ‘staat’, ieder schreef een stuk of twaalf boeken, en of je er nu van houdt of niet, het is in beide gevallen grote literatuur. Ik heb het natuurlijk over de Portugees José Saramago en zijn landgenoot Ant󮩯 Lobo Antunes.
Deze achtergrond was bepalend voor hun loopbaan. Saramago kwam als drukker te werken in de krantenwereld, kreeg banden met de (onder Salazar verboden) communistische partij, ontwikkelde zich via zelfstudie en mocht geleidelijk ook zelf artikelen bijdragen aan de krant. Lobo Antunes kreeg de literatuur met de paplepel ingegoten en begon al jong te schrijven, zonder aanvankelijk iets te publiceren.
De ommekeer kwam voor Saramago bij de Anjerrevolutie, toen hij uit de illegaliteit kon treden en, na eerder al gedichten te hebben gepubliceerd, zijn sociale en politieke overtuigingen ook in literatuur kon verwoorden. Voor Lobo Antunes kwam de ommekeer bij de vervulling van zijn twee뮥enhalfjarige dienstplicht in de oorlog in Angola, eind jaren zestig. Het was een ervaring die in al zijn werk zou doorklinken.

Niet verwonderlijk dus dat Jan Marijnissen, politiek leider van de Socialistische Partij, een fan is van José Saramago. Literair een absoluut verantwoorde keuze.

juni 11th, 2005

José Saramago: de magiër uit Lissabon (2)

Posted in: Uncategorized — admin @ 14:56

José Saramago heeft iets tegen punten aan het einde van een zin. Zijn zinnen sluiten meestal niet af met een punt, maar hij zet er een komma neer en begint gewoon aan een volgende zin. En maximaal twee zinnen per bladzijde. En zo worden zijn boeken razendsnel voorthollende verslagen van surrealistische, maar nooit betekenisloze avonturen. In zijn boek Alle namen (Todos os Nomes) gaat een ambtenaar in een labyrintisch archief op zoek naar de naam van zijn geliefde. En in het fenomenale De stad der blinden probeert een groepje mensen te overleven in een stad waar iedereen getroffen is door blindheid. Die stad, hoewel Saramago de naam niet noemt, zal voor hem Lissabon zijn, een allegorische benaming voor alle steden, voor alle stenen plekken waarin mensen bij elkaar klitten. Aan die stad is hij verknocht, niets drijft hem om daar weg te gaan. Ik laat gewoon Saramago zelf aan het woord, in een dagboekaantekening uit 1994:

Binnen in de grote stad van iedereen zit het kleine stadje waarin we werkelijk wonen en leven. Fysiek bewonen we een ruimte, maar gevoelsmatig bewonen we een herinnering. Toen ik het laatste levensjaar van Ricardo Reis wilde beschrijven, moest ik vijftig jaar teruggaan in mijn leven om me op grond van min herinneringen aan die tijd het Lissabon voor te stellen zoals dat er zou hebben uitgezien voor Fernando Pessoa. Daarbij wist ik op voorhand dat twee zo uiteenlopende ideeën van een stad maar in heel weinig dingen zouden samenvallen; de idee van een puber die ik was, opgesloten in zijn schuchterheid en sociale status, en die van de lucide, geniale dichter die als zijn natuurlijk recht de hoogste regionen van de geest bezocht. Mijn Lissabon is altijd een Lissabon van arme buurten of hooguit middelklaswijken geweest, en ook al hebben de omstandigheden mij later naar andere leefwerelden gevoerd, mijn dierbaarste en meest gekoesterde herinnering is nog altijd die aan het Lissabon uit mijn eerste levensjaren, het Lissabon van volk dat weinig geld en een groot hart heeft, nog landelijk in zijn gewoonten en het beeld dat het had van de wereld.

Op tweejarige leeftijd was Saramago met zijn ouders vanuit het platteland naar Lissabon verhuisd. Hij groeide op in een van de armere wijken van de stad, Mouraria en Alfama, nog steeds pittoresk. Steeds moest het gezin Saramago de leefruimten met andere armoedzaaiers delen. Een eigen wonen konden ze pas betrekken, toen José veertien was. Als kind zal hij in de benedenstad, de Bairo Alto, ongetwijfeld het pad van die andere literaire Portugese reus gekruist hebben, Fernando Pessoa. Alleen, beiden wonen apart, ieder in hun ?eigen stadje? zoals Saramago het verwoordt, al was het maar vanwege het grote leeftijdsverschil.
In 1993 verhuisde Saramago overigens wel naar het eiland Lanzarote (naar aanleiding van het gekrakeel over vermeende blasfemie in Het Evangelie volgens Jesus Christus), maar zijn hart zal ongetwijfeld zijn achtergebleven in Lissabon.

 

Van de negen romans die Saramago schreef, spelen zich er drie volledig of grotendeels af in zijn, met name genoemde, Lissabon. Niet toevallig zijn het historische romans:
* Memoriaal van het klooster 
*  Het beleg van Lissabon
* Het jaar van de dood van Ricardo Reis

Als het allemaal meezit zal ik volgende maand opnieuw ? na bijna tien jaar – een aantal dagen in Lissabon zijn, gevolg gevend aan de woorden van Saramago: ?Wie Lissabon niet heeft gezien, heeft nog nooit iets moois gezien?. Het zal weliswaar niet hotel Bragança worden in de buurt van het trein- en metrostation Cais do Sodré en de Bairo Alto, waar Ricardo Reis zijn intrek nam na zijn terugkeer uit Brazilië, maar een wandeling aan de ‘onderrand’ van de benedenstad aan de Taag, dat moet haalbaar zijn.
In de andere romans wordt weliswaar steeds de naam van de stad niet genoemd, maar geloof me: het kan geen andere stad zijn dan Lissabon. De reden? Ze zijn geschreven door José Saramago, de magiër uit Lissabon. Het zijn: 
* De stad der blinden 
* Alle namen 
* Het schijnbestaan 
*  De man in duplo

In de ´Oog in ´t Zeil, Stedenreeks´ van uitgeverij Bas Lubberhuizen verscheen in 1995 het boekje ?O Lissabon, mijn thuis?. Bijdragen van o.a. August Willemsen, Rentes de Carvalho, Harrie Lemmens en Arie Pos over de groten uit de Portugese literatuur: Camoes, Eça de Queiroz, Slauerhoff, Fernando Pessoa en uiteraard: José Saramago. Harrie Lemmens schreef over hem en Antonio Lobo Antunes en hun Lissabon het hoofdstuk ?Tussen bladzilveren dienbladen en gehaakte kleedjes?. Lezen!
Morgen verder?

juni 10th, 2005

Nogmaals: Saramago, de Portugese magiër

Posted in: Literair — admin @ 18:39

De afgelopen jaren is de ster van José Saramago in Nederland meer dan gerezen. Met een zekere regelmaat volgen de vertalingen van de Nobelprijswinnaar voor literatuur (1998) elkaar op. Inmiddels heb ik dan ook een aantal van zijn romans (in vertaling) gelezen.

Ik heb het dan met name over Het jaar van de dood van Ricardo Reis, een hallucinerend boek over de onbereikbaarheid van het leven en de liefde, in dit geval geïncarneerd in de persoon van Ricardo Reis, een van de alter ego’s, ofwel heteroniemen van de Portugese schrijver Fernando Pessoa. Een ander voorbeeld betreft de minstens zo beklemmende allegorie onder de titel De stad der blinden, waarin de menselijke zwakheden meer dan overbelicht onder de aandacht van de lezer worden gebracht. Een derde voorbeeld is Het stenen vlot dat volop media-aandacht gekregen heeft de afgelopen jaren, niet in de laatste plaats omdat het verfilmd werd door de Nederlandse cineast George Sluizer (inderdaad: de verfilmer van Tim Krabbé’s ‘Gouden Ei’, onder de filmtitel ‘Spoorloos’). Het stenen vlot is een fantastisch en fascinerend verzinsel dat Saramago’s reputatie als meesterverteller bevestigt.

José Saramago werd in 1922 in Portugal geboren en woont tegenwoordig op het eiland Lanzarote. In 1998 won hij de Nobelprijs voor literatuur. Terecht, denk ik. Want als geen ander geeft hij in zijn romans er blijk van te beschikken over een zeer rijke verbeeldingskracht. Koppel dit vervolgens aan zijn vermogen om ironie en emotionaliteit om een zeer persoonlijke manier met elkaar te verbinden en in woorden vorm te geven, en een groot schrijver is geboren.

Vandaag heb ik het over zijn laatst vertaalde roman: O Homem Duplicado, DE MAN IN DUPLO, uitgegeven door Meulenhoff. Een beknopte beschrijving van de inhoud:

Tertuliano Maximo Afonso, een gescheiden geschiedenisleraar van tegen de veertig, belandt in een soort midlife crisis. Hij heeft genoeg van zijn werk (hoewel het op zijn school eigenlijk helemaal niet zo slecht gaat), zijn vriendin (waar hij een soort knipperlicht-relatie mee onderhoudt) en zijn leven. Een collega van school bezorgt hem op een goede dag een videofilm met de bedoeling hem een beetje uit zijn lethargie te halen. Tot zijn ontsteltenis ontdekt hij in deze videofilm een figurant die een perfecte dubbelganger van hem is. Geïntrigeerd gaat hij naar deze figuur op zoek, en dat valt in het begin nog helemaal niet mee. Allereerst kost het nogal wat moeite om überhaupt de juiste naam van deze man te ontdekken. Daartoe leent hij in de plaatselijke videotheek een hele reeks film die door dezelfde productiemaatschappij zijn vervaardigd. Uiteindelijk slaagt hij er in de echte naam van deze B-acteur te traceren. Het blijkt ene Antonio Claro te zijn, woonachtig in een van de buitenwijken van de stad waarin ook Maximo Afonso woont.

Om dit laatste te ontdekken schakelt hij zijn vriendin Maria da Paz in, die door middel van een brief aan de bewuste productiemaatschappij ervoor zorgt dat het adres van deze Antonio Claro bekend wordt.

Als een van spanning stijf staande hond sluipt hij enige tijd rond in de straat en rondom het huis van de filmacteur. Uiteindelijk, na enige korte telefonische contacten, slaagt hij er in een afspraak te maken met de filmspeler, in het huis van de betrokkene nog wel. Ondanks hun hallucinerende uiterlijke overeenkomsten, blijken de twee absoluut geen zielsverwanten. Integendeel, de schok van de herkenning veroorzaakt bij beiden louter vijandigheid. Aanvankelijk besluiten ze elkaars bestaan te negeren, maar dat lukt natuurlijk niet, omdat na enige tijd ook Antonio Claro, zijn dubbelganger, zelfstandig stappen gaat ondernemen. Over de onvermijdelijke escalatie zal ik niet in detail treden. Maar het verhaal ontwikkelt zicht tot een thriller van formaat. De spanning neemt snel toe, en dat het voor een van beiden slecht zal gaan aflopen, dat is al snel duidelijk. Het culmineert in een Hitchcock-achtige ontknoping zoals ik die bij Saramago nog niet eerder ben tegengekomen. En dat hij een meester is in het opbouwen van een fenomenale spanning hebben zijn eerdere romans bewezen. Bijna is het een klassiek Grieks drama te noemen, en ik ben dan ook benieuwd wat de komende recensies in de pers hierover gaan zeggen.

Misschien moet er ook nog iets gezegd worden over de taal waarin Saramago zijn boeken schrijft. En dan heb ik het niet over het Portugees, waarin de oorspronkelijke tekst is geredigeerd. In Vrij Nederland werd er naar aanleiding van De stad der blinden al eens het volgende over gezegd: Saramago lezen betekent zinnen lezen, eerst en vooral, en die zinnen behoren tot de gewaagdste en meest weergaloze die er tegenwoordig geschreven worden. Ik kan het alleen maar beamen. Alleen wordt je uithoudingsvermogen behoorlijk op de proef gesteld, want van punten en komma?s lijk de Portugees niet gehoord nauwelijks gehoord te hebben, getuige zijn maar doorhollende zinnen waar geen einde aan lijkt te komen. Het is een mix van monologue interieur en dialogue exterieur, als dat überhaupt zou kunnen bestaan. En het bestaat, want Saramago schrijft van dergelijke zinnen.

Het epische karakter van zijn romans zorgt er vervolgens voor dat hij met gemak vergeleken kan worden met andere grote schrijvers, zoals de Colombiaan Gabriel Garcia Marquez. Daarnaast bezit hij de competentie om op het gebied van emotionaliteit te concurrentie aan te gaan met de Italiaanse schrijver Primo Levi, waarmee hij in ieder geval gemeen heeft de breekbaarheid van de door tegenspoed geplaagde mens in wel zeer aangrijpende taal te verbeelden.

Voordat de zomermaanden weer aanbreken, en we een alibi menen te hebben om niks te hoeven lezen, wil ik de luisteraars met klem aanraden om de nog resterende donkere maanden te benutten om in ieder geval De man in duplo van José Saramago te lezen.

juni 5th, 2005

‘Het Stenen Bruidsbed’ volgens de Leesclub

Posted in: Uncategorized — admin @ 17:01

Afgelopen vrijdag stond in de boekenbijlage van de NRC de eerste aflevering van de discussie over Mulisch’ meesterwerk uit 1959, “Het Stenen Bruidsbed”. Arnold Heumakers doet een voorzet. Aan de in literatuur geïnteresseerde spelers in het land om het spel voort te zetten, of te scoren. Het is maar hoe je het spel gespeeld wilt zien.

MENSEN ZIJN HEEL GEVAARLIJKE VLEESETENDE ROOFDIEREN

‘Mensen zijn heel gevaarlijke vleesetende roofdieren’. Ze kunnen scheppen en liefhebben’, is een uitspraak van Rudolf Steiner, in 1989 gedaan in het (voor mij) legendarische VPRO-programma ‘Nauwgezet en wanhopig’ (in 4 delen op zondagavond uitgezonden) van Wim Kayser.

De titel van Arnold Heumakers als aftrap van de discussie over ‘Het stenen bruidsbed’ van Harry Mulisch, “De verwoester bemint zijn bruid”, sluit mijns inziens perfect aan op Steiners pessimistische visie op mens en cultuur. Het fenomeen ‘vernietiging’ en het fenomeeen ‘liefde’ ontmoeten elkaar, als door het (nood)lot gestuurd, als paradoxale tegenpolen in Mulisch’ meesterwerk.

Heumakers heeft goed gelezen. Corinth, heerser over leven (liefde) en dood (vernietiging) als tegenpool, en tegelijkertijd als evenbeeld van Hitler. Tegenpolen die elkaar opheffen om vervolgens te transformeren in het Niets. Heumakers refereert aan de leegte onder het ‘masker’ van Corinth. En heeft daarbij Mulisch’ roman ‘Siegfried’ (2001) goed gelezen: “Maar Hitler was van den beginne de verschijningsvorm van het totaal Andere: het geïncarneerde nietigende Niets, de wandelende singulariteit, die noodgedwongen alleen zichtbaar kon worden als een masker. Daarmee was hij [...] een masker zonder gezicht er achter: een levend masker” (pag. 162).

Thanatos en Eros, het koningskoppel treedt vaker op als tegelijk vernietigende en scheppende kracht; materie en anti-materie: in de wereld van de fysica gaat het fundamenteel onderzoek hierover al jarenlang in hoog tempo door. Corinth als ‘good guy’ en ‘bad guy’ in één lijf verenigd. Wie doet het hem na? Wij allemaal, natuurlijk.

juni 4th, 2005

Een herfstige zaterdag in juni: toch weer Kadare?

Posted in: Literair — admin @ 13:34

Nederlandse zomers zijn grillig. Gisteren sloeg de hitte je lam, een broeierige warmte met temperaturen tot 28 graden, die je afmat. `s Avonds wat onweer en een kletterende regen; in het westen gaat het onstuimiger tekeer. En vandaag wordt het amper 17 graden, klettert de regen hard omlaag en staat er een strakke, koude zuidwester.

Gistermiddag op het einde van de middag dus nog lekker even geprofiteerd van de korte zomer. Onder de parasol met een glas koele Elzasser. Wat aanloop van kennissen, waaronder ex-collega Frans Maas. Hij komt een schilderij (Saint-Guilhem-le-Désert) terugbrengen, en koopt twee Japanse Calligrafieën (gemengde techniek uit de reeks, waarvan ik er inmiddels een stuk of zes verkocht heb). Morgen vertrekt hij naar ‘Le Brasilia’ in de Roussillon, de bofkont.

Nog wat aanvulling op het log van gisteren: Ismail Kadare (2):

Voor de niet Kadare-kenners is er een aantal jaren geleden een aardig boekje verschenen. Het is geschreven door Piet de Moor, en heeft de titel Een masker voor de macht (1996). Het is verschenen bij van Gennep Amsterdam. De Moor geeft in het 78 pagina’s tellende werkje een korte biografie van de Albanese schrijver, aangevuld met decorschetsen van het Albanese toneel waarin Kadare zijn romans laat spelen. Uiteraard is er veel aandacht voor het stalinistische schrikbewind van dictator Enver Hoxha. Bij slecht weer kwam de schrik er pas goed in. Lees mee:

“De dagen waarop het niet ophield met regenen waren het meest te duchten in het communistische Albanië van dictator Enver Hoxha (1908-1985). Op zulke regendagen placht hij zijn meest sinistere beslissingen te nemen en zijn grootste wreedheden te beramen, vertrouwde een van zijn dokters aan Ismail Kadare toe. De regen had een negatieve uitwerking op het humeur van de tiran en wee de mens over wiens lot op zo?n dag beslist moest worden”.

juni 3rd, 2005

Man Booker International Prize voor Isma묠Kadare

Posted in: Literair — admin @ 17:26

Eindelijk! Het is er toch nog van gekomen. Jarenlang dacht ik steeds dat de Nobelprijs voor Literatuur terecht zou komen bij de 69-jarige Albanese schrijver Ismaïl Kadare. Het is uiteindelijk de eerste Man Booker International Prize geworden (60.000 Engelse ponden). Ik heb altijd gevonden dat Kadare (bevechter van het repressieve regime van Enver Hoxha, en daarom maar uitgeweken naar Frankrijk) de Nobelprijs verdiende. Vanwege zijn originele, beklemmende verhalen die op sublieme wijze de geschiedenis, de traditie, de cultuur van een vergeten land beschrijven. Inmiddels heb ik een hele serie Kadare-romans op de plank staan: gelezen en soms ook besproken voor Omroep Venlo. Hieronder mijn bijdrage aan het literaire programma van deze omroep (dateert van een paar jaar geleden).

[Om de beklemmende sfeer van Kadare wat te neutraliseren verluchtig ik de tekst maar met een paar foto's van rozen zoals die op dit ogenblik in onze tuin in bloei staan]

Kadare (1936, Gjirokastra/Zuid-Albanië) is jarenlang onder het stalinistische bewind van Enver Hoxha blijven werken. Daardoor was er lange tijd nogal wat kritiek op zijn persoon. Pas laat, tegen de tijd van de grote omwentelingen in Oost Europa na 1989, week hij uit naar Frankrijk, dat hem overigens al veel eerder ontdekt had. Kadare werd al zeer vroeg vertaald in het Frans. De meeste Nederlandse vertalingen volgen later (steeds vanuit het Frans).

Inmiddels zijn bij Van Gennep verschenen:

De brug met de drie bogen (1985)

Kroniek van de stenen stad (1990)

De nis der schande (1991)

De schemering der steppegoden (1991)

Een breuk in april (1992)

Mijn favoriete roman van Kadare is HET DROMENPALEIS.

HET DROMENPALEIS werd oorspronkelijk in 1981 in Albanië gepubliceerd, maar onmiddellijk weer uit roulatie genomen. Pas in 1989 kon een nieuwe druk verschijnen. Het boek werd in 1990 in het Nederlands vertaald.

Ismail Kadare ontpopt zich in veel van zijn boeken als een moderne, maar tege?lijkertijd zeer eigenzinnige opvolger van Kafka. Vaak bouwt hij een bijna Hitchcock-achtige spanning op in zijn romans.

HET DROMENPALEIS is voor mij een meer dan geslaagde mix van Kafka en de Engelse grootmeester van de suspense. Het is een indrukwekkende, maar ook sombere allegorie van de machinaties van de totalitaire staat, waarin zelfs de machthebbers hun leven nooit zeker zijn.

Kadare weet waarover hij schrijft. Jarenlange observaties van het totalitaire regiem van Enver Hoxha, maar vul het gerust aan met al die andere rigide machtssystemen in het voormalige Oostblok, hebben hem voldoende stof geleverd om al die prachtige, beklemmende boeken te schrijven.

Zijn laatste boek, dat nog niet in het Nederlands is vertaald, getiteld ‘De piramide’, gaat al wel over de universele essentie van de dictatuur: een permanent en geolied mechanisme bedoeld om de eigen bevolking murw te maken, vaak gecamoufleerd door een monumentale onzinnigheid van regels en acties. In HET DROMENPALEIS is het niet anders.

Korte inhoud van HET DROMENPALEIS

Het verhaal speelt zich af ten tijde van het enorme Osmaanse Rijk, waarvan toen ook landen als Joegoslavië en Albanië deel uit maakten. Elke nacht arriveren in Constantinopel (Istanboel) koeriers uit de verste uithoeken van het Rijk met zakken vol dromen. Deze dromen zijn opgetekend in steden, dorpen en gehuchten door staatsambtenaren, de vooruitgeschoven pionnen in het grote, dictatoriale systeem. Alle dromen dienen bij deze grijze staatsdienaren gemeld te worden. Niets zal de staat ontgaan.

In het Dromenpaleis, in het boek het Tabir Serail genoemd, worden deze dromen gesorteerd, beoordeeld en geduid om er wekelijks aan de Sultan aangeboden ‘meesterdroom’ uit te halen. In deze ‘meesterdroom’ zou dan de toekomst van het rijk en van zijn heerser te lezen zijn. Het Dromenpaleis wordt beschouwd als een van de pijlers van de staat.

De jonge Ebu Qerim is de hoofdpersoon van het boek. Hij behoort tot de oude, adellijke Albanese familie Qyprilli, die in het verleden al talrijke premiers, minis?ters en generaals heeft afgeleverd. Zeer invloedrijk, maar daarom ook gewan?trouwd.

Ebu Qerim krijgt een baan aangeboden in het Tabir Serail, het Dromenpaleis, een kafkaesk megaministerie vol anonieme ambtenaren, donkere gangen, gesloten kamers en geheime afdelingen. Dagelijks worden hier de karrenvrachten dromen uit het Osmaanse Rijk afgeleverd. Hij begint op de laagste sport van de carrièreladder, de afdeling ‘Selectie’. Op goed geluk, nauwelijks geïnstrueerd en meer intuïtief dan overtuigd begint hij de waardeloze dromen van de waardevolle te onderscheiden.

Ebu Qerim maakt snel carrière. Voor dat hij het zelf goed en wel beseft maakt hij een reuzensprong in zijn carrière en wordt benoemd op de afdeling Interpretatie, misschien wel de meest belangrijke afdeling van het Dromenpaleis.

Dagelijks wordt hij overvallen door twijfels. Het zweet breekt hem uit bij de gedachte dat zijn interpretatie wel eens een verkeerde zou kunnen zijn. soms verdwaalt hij in de gigantische doolhof van het Dromenpaleis. Bij toeval ontdekt hij, diep in de kelders van het gebouw, het bestaan van isoleerkamers. In deze kamers worden droomwaarnemers opgesloten en dagenlang ondervraagd tot de dood er op volgt. Ebu Qerim is geschokt maar zal niets laten merken.

Op zijn vrije dag ervaart hij pas goed in wat voor toestand hij verzeild geraakt is. “Wat was er toch gebeurd met het leven, met de mensen, met alles. [...] Alles was zo banaal, zo armzalig triest”, mijmert hij. In zijn dromendossiers is immers alles veel prachtiger, mooi en vol fantasie. Is er sneeuw, zijn er vogels, wolken. En zijn ook de mensen veel vrijer, losser, onbelemmerd. De werkelijkheid die hij op zijn vrije dag ondergaat is grauw, misselijkmakend, deprimerend.

Zijn oom, de Vizier, tracht hem uit te horen over zijn werkzaamheden in het Tabir Serail. Ebu Qerim schrikt er enigszins van. Zeker als hij hoort, dat de ‘meesterdroom’ wel eens vervalst zou kunnen zijn.

Na een bezoek aan het Archief neemt de spanning in het boek en in het leven van Ebu Qerim snel toe. In de donkere gangen loopt hij allerlei fluisterende ambtenaren tegen het lijf. Op straat rijden politiepatrouilles af en aan. Soldaten zijn massaal aanwezig.

Hij belandt op het einde van de dag bij een belangrijk familiediner van de Qyprilli’s. Die avond zullen er Albanese en Bosnische rapsoden het familie-epos ten gehore brengen. De afloop ontaart in een drama.

Het lied van de rapsoden blijkt qua inhoud wonderwel samen te vallen met de angstige voorgevoelens van Ebu Qerim over een gesignaleerde ‘meesterdroom’. Het onheil zal niet lang op zich laten wachten: het familiepaleis wordt omsingeld, afgesloten en de geheime staatspolitie vermoordt het gezelschap rapsoden. Wat een gezellige familiebijeenkomst had moeten worden eindigt in een bloedbad. Ebu’s oom wordt gevangen genomen en afgevoerd. Later zal hij worden onthoofd.

Maar de Qyprilli’s blijken over meer flexibiliteit en octopusachtige karaktertrekken te beschikken dan Ebu Qerim aanvankelijk dacht. Hoewel het land op zijn kop staat, her en der massale arrestaties plaatsvinden, tot in het Dromenpaleis toe, blijkt het voor Ebu Qerim allemaal nog voorspoediger te gaan dan hij zelf maar ooit voor mogelijk had gehouden.

Hij wordt benoemd tot chef van de droommeesters en eerste plaatsvervangend directeur van het Dromenpaleis, waar hij in feite de enige directeur is, omdat degene die nog boven hem staat meestal ziek of afwezig is. Wederom daalt hij af naar de kerkers van het Archief, om de fatale ‘meesterdroom’ te herlezen.

Ondanks zijn machtige positie voelt hij zich gevangen in zijn Dromenpaleis. Als een anonieme kluizenaar slijt hij zijn dagen. Als een vleugellamme, droevige dromenkoning. Macht en onmacht blijken griezelig dicht tegen elkaar te liggen.

Ik citeer de laatste zinnen van Het Dromenpaleis:

Dit alles overdenkend, trok hij toch niet zijn gezicht bij het raam weg. Ik zal de steenhouwer een bloeiende amandeltak aanbevelen als motief voor op mijn grafsteen, dacht hij. Met de palm van zijn hand veegde hij over de beslagen ruit, maar zijn uitzicht bleef even wazig, vol gebroken lichtstralen en kristallen. Toen begreep hij dat zijn ogen vol tranen stonden.

 
  • California Dreamin’

  • DE CAMINO VAN 2013 IS VOORBIJ

  • Opnieuw naar Santiago de Compostela

  • EXPOSITIE SCHILDERIJEN ‘ON THE ROAD’ IN DOMANI VENLO

  • FIETSEN NAAR SANTIAGO DE COMPOSTELA

  • BURGOS! Nieuwste schilderij in de On The Road serie

  • Gerard Staals 2011, een Prisma

  • Vijfde druk voor ON THE ROAD – EEN ODYSSEE PER FIETS NAAR SANTIAGO DE COMPOSTELA

  • Ik schilder verder aan On The Road: nu Burgos

  • Mijn boek is uit: eerste druk bijna uitverkocht!

  • KAPUTT!!

  • Tekstfragment uit ‘On the road – een odyssee per fiets naar Santiago de Compostela’

  • On The Road verschijnt in januari

  • Let the Great World Spin

  • ON THE ROAD – een serie schilderijen over de Camino de Santiago

  • Oh my God! We are flying low. We ars flying way too low!

  • Damals in Dresden: die bittere Tränen des Anselm Kiefer

  • Het Tsjetsjeense Labyrint

  • Walsen met Federico Garcia Lorca en Leonard Cohen

  • Heart of Zen herontdekt

  • ON THE ROAD naar Santiago de Compostela

  • Sint Jacobus leidt me door braamstruiken en naar bierloze cafés

  • New York op doek: nieuwe schilderijen

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 20

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 19

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 18

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 17

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 16

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 15

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 14

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 13

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 12

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 11

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 10

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 9

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 8

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 7

  • Christo in Central Park New York

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 6

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 5

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 4

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 3

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 2

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 1

  • Sleepless in Manhattan – intro

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 18

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 18

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 17

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 16

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 15

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 14

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 13

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 12

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 11

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 10

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 9

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 8

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 7

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 6

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 5

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 4

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 3

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 2

  • Intermezzo: de Vuelta in Venlo 2

  • Intermezzo: de Vuelta in Venlo 1

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico García Lorca 1

  • BINNENKORT IN DIT THEATER: ANDALUSIË

  • Hermitage: het zomerpaleis van Nicolaas II aan de Amstel

  • Wajauw? Met Ahmed Marcouch en Hans Laroes naar Brooklyn aan de Maas

  • Luik: van nu en toen, van Calatrava en Les Olivettes

  • Geen Pim Pandoer, wel Beethoven in ’s Heerenberg

  • Spaanse La Notte in het Hollandse Slot Loevestein

  • Van Gogh en de kleuren van de nacht in Amsterdam

  • Opnieuw de ruimte in: A Space Odyssey 2

  • Schilderen: een lange winter met gebrande omber sienna

  • Paradise by the dashboard light

  • Shipbreaking op doek. Met dank aan Edward Burtynsky – Work in Progress

  • Ode Maritima aan Fernando Pessoa

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 16

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 15

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 14

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 13

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 12

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 11

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 10

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 9

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 8

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 7

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 6

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 5

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 4

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 3

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 2

  • Manhattan Transfer – New York City Blues – 1

  • MANHATTAN TRANSFER

  • Corrida aan het einde van de Indian Summer

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 14

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 13

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 12

  • Powered by ME :) !! en MainCore
    Blog (c) WordPress 1.5 Theme created by McMike and Mr-Godd