Ik ga vandaag nog even door met James Joyce, Ierland en Dublin. En niet alleen vanwege ULYSSES (zie het log van gisteren).
Van 9 tot en met 16 maart 1994 maakte ik, in het kader van het programma van het Europees Platform, en als ‘toetje’ na de cursus Internationalisering (6 avonden in Rotterdam) een reis naar Ierland, Dublin en Belfast. Van die reis maakte ik indertijd een literaire reisimpressie, waarin de geest van Joyce en Ulysses nog wel eens terugkwamen. Hier het resultaat:
TAKE THAT ROAD SEE HOW FAR IT GOES
een reisimpressie uit Dublin en Belfast
[hr]
Duke Street
[hr]
Ik blijf staan en kijk in de richting van de stompe kaap Bray Head die als de bek van een slapende walvis op het water ligt. Dan de spiegel. De snotgroene zee. De scrotumschrompelende zee. Epi oinopa ponton. Snel warm zonlicht komt uit Berkeley Road aangesneld, rap, op lichte sandaaltjes.
In mijn rug juicht het Victoriaanse, mosgroene Court Hotel. De lentezon streelt Killiney Bay. Een tiental kilometers verwijderd slechts van Eccles Street. Ik mis hem al, Joyce. En hoor hem kankeren. We leven in een veenmoeras, eten goedkoop voedsel en de straten zijn geplaveid met stof, paardevijgen en de fluimen van teringlijders. Ook Ierland is veranderd.
Böll dan? Irisches Tagebuch. Sfeer van altijd neerzakkende regen uit een laaghangend, grijs wolkendek. Verrotte aardappels. Kerken, bedelaars en sigaretten. Kinderen, altijd veel kinderen. Die eeuwige lucht. Der Himmel mit der Vielfalt der Graus gefiedert. Ook weer een mislukte poging. De literatuur brengt je op verkeerde sporen. Es gibt dieses Irland : wer aber hinfährt und es nicht findet, hat keine Ersatzansprüche an den Autor.
Ierland behoor je te naderen vanaf zee. Langzaam je neervlijen tegen de kade. Het eilandgevoel. Geluid van trossen. Scheepshoorns. Niet neerdalen met zo’n rappe vogel, die je in minder dan 90 minuten van Amsterdam naar Dublin brengt. Air Lingus, vlucht EI603. Met 25 andere schoolfrikken samengedreven in een nauwe Boeing 737. De stewardessen krijgen net op tijd het fast food door de evenzovele hongerige strotten. Seminar for dutch teachers of general secondary education involved in internationalization. Dat kun je zelf nauwelijks mooier verzinnen. Maar het staat wel mooi op de azuurblauwe omslag van het programma van deze week. Voorafspiegeling van de al even blauwe strakgetrokken lucht boven de zee. Alleen die straffe wind. Flarden verplaatste lucht. En die lente-aanval die nog steeds niet echt wil lukken.
Tara, Pearse Street, Landsdowne Road, Sidney Parade, Booterstown, Monkstown and Seapoint, Salthill, Dun Laoghaire, Sandymount, Dalkey, Killiney Bay. De kralen van een rozenkrans. De Dart raffelt ze af. Mijn moeder kon dat ook. Nog geen meimaand, maar toch. Geen tijd om de Martello-toren te belegeren. Joyce revisited. In gedachten schrijd ik naar voren en bestijg de ronde geschutsbedding. Dan ontwaar ik Stephen Dedalus, buig in zijn richting en sla schuddebollend snel enkele kruisjes in de lucht.
Terug naar het Court Hotel verrekijkend over de snotgroene zee. Zonlicht dringt niet tot in de donkere ontbijtzaal. Veel hout in een oude bibliotheek. Door de traliehekken heen spieden Sean O’Casey, Bernard Shaw, Samuel Beckett en James Joyce hongerig naar onze ham and eggs. Vette dampende worstjes ook. Aleen voor Brendan Behan geen breakfast om gulzig achter de omheining der tanden te slaan. Ierland eert zijn auteurs. Dat begint al aan het ontbijt.
Op tijd. Dat zijn ze gewend, deze didaktische Argonauten. De rozenvingerige dageraad heeft ze vroeg uit hun nog dampende legerstede gekieteld. De aanzet is al gegeven. Gistermiddag. Geschaard rond een koperen ketel vol Ierse onderwijsneuzigheden. Het ene einde van de regenboog. En aan het andere einde de gouden pot klotsend van keltisch levensvocht. De leprechaun stond er dollend bij te lachen. Dat nemen ze ons niet meer af. Zwaar op de maag? Dat niet. Maar daar liggen nog altijd de rashers. De dikke plakken donker sodabread. Het wordt een loden dag.
[hr]

Glendalough in de Wicklow Mountains: Marten Toonder revisted
[hr]
De bier- en whiskeystem van Dave dirigeert ons naar het Senior College. Zelden zo’n doorrookt stemgeluid van een buschauffeur gehoord. Het hol van de leeuw voor deze imposante immigrant uit de Schotse hooglanden. Zo iemand waar je je van alles bij voorstelt. Avonduren, meisjes in grijs gaas. Dan nachtelijke uren, donker, met dolken en oogmaskers. In Dublin’s fair city. Where the girls are so pretty. I first set my eyes on sweet Molly Malone …
Nog niet weg van school, of je staat al weer op vertrouwde grond. Mary Black zingt over the Holy Ground. Liever pleeg ik even blasfemie. Maar ja, ik heb nu eenmaal getekend voor dit tijdelijke vreemdelingenlegioen. By the side of the swirling sea, I spent the days of childish wonder.
Een bonte stoet van bijna-kermisgasten in deze school voor meer dan duizend studenten tellende school. Post Leaving Certificate Students. Hun richting gevonden hebbend, denken ze. Niet het Ierland van Böll. Niet het Ierland van Joyce. Brendan Behan misschien. De docent in de video-afdeling ruikt mijlenver dronken uit zijn mond. Om elf uur ‘s ochtends al. Zijn ogen zwemmen hulpeloos rond in de kassen. Roodaangelopen. Lenehan drinkt nog en grinnikt tegen zijn schuingehouden bier. Hij denkt aan verre, oostelijke zeeën.
De Ierse zee doorkliefd hebben ze, de twaalf tekenfilm animisten van het Senior College. Hun werkcabines staan hol te gapen als lege hondehokken. Mister Morrissey beent apetrots langs de verlaten stallen. Ver weg op het continent verdedigen ze Ierlands eer. In de Disney Studio’s te Parijs. Weer een dozijn Ierse zonen dat aan werk geholpen is.
Zo gaat het dagenlang. Nauwelijks tijd om de donkere poel van Baile Atha Cliath in te duiken. Dat is voor later. Want daar opent Our Lady’s haar poorten. Wijds en hemels bijna. All Roman Catholic girls. Meer dan 700 welopgevoede maagden. Het paradijs vóór de zondeval. Geen appelbomen. De bibliotheek ruikt naar oude boeken en onzichtbaar vocht. Het regent dus toch elke dag in Ierland! Als een warme theemuts valt Mrs. Anne Brodie over ons heen. Hartelijk. Een schoolleider die nooit bevriend zou kunnen zijn met de ambtelijke rekenmees¬ters uit de Ivoren Torens van Zoetermeer.
In de ruime hal wordt al geoefend voor vanmiddag. Het dampend wierooksvat gaat van hand tot hand. Meisjeshanden. Blauwig stijgt de penetrante walm om¬hoog naar het plafond. Kaarsen worden ontstoken. De sfeer van het hemelse. De volle aflaten liggen hier voor het oprapen : Go to confession. Go to mass daily. Say the rosary. Visit Jesus Christ in the chapel. In opvallende karakters op het publicatiebord.
Aan het einde van de dag is het dan zover. De honderden donkerblauwe rokken schuiven dicht tegen elkaar op de grenen banken. De Eternal Flame wordt ontstoken. Ter ere van Saint Patrick. No harm shall come to me, no arrow strike me down, no evil settle in my soul. Het engelenkoor van ijle stemmen in de eindigende dag. De priester heft de kelk. Flesh and blood. Eén ontzaglijke verjaardagstaart van brandende kaarjes. Dansen ook. Meisjes in ritueel wit rondom een brandend vuur. Blut und Boden. Dia linn ‘gus oiche ‘s Padraig aspal Eireann. Getooid met de shamrock.
De high tea ligt minder zwaar op de maag dan de Irish Stew. De Dublin Coddle, zoals ze hier zeggen. En dan nog naar Mahlers Eerste, die avond. De Rückert Lieder in the National Concert Hall. Rare jongens, die Ieren. Gewoon je jas over de leuning. Als in de pub. En laat dan het geweld maar over je heen komen.
[hr]

Glendalough in de Wicklow Mountains: de Geest uit de (whiskey)fles
[hr]
We ontlopen de regen niet, want anders zou het geen Ierland zijn. Helaas net op de verkeerde dag. Zaterdag. Maar nu is, verweg in het westen, de zon aan het ondergaan en de laatste gloor van een al te snel vervlietende dag toeft teder op zee en strand, op het fiere voorgebergte van Howth dat oud en dierbaar al immer de wateren schut, op de met zeewier overdekte rotsen langs het strand van Sandymount. Toch weer Joyce. Niet te ontlopen.
Vanmiddag zaten we nog schuilend voor de drenzende regen in een warme kroeg. Diep in de Wicklow Mountains. Glendalough. Het Upper Lake. De kale berken zachtroze. Zelfs de schaduw van de round tower verzuipt in het soppige, deinende groen. De brandende blokken hout roken onze lekkende jassen uit. Koffie en Guinness. Autochtonen schuiven aan. Wat moet je hier, schoolfrik uit het rijke Oosten, in zo’n van god verlaten herberg? Groenbemost en schimmels woekerend over de lekkende muren. Scheefgezakte, eeuwenoude zerken dansen hun voortdurende regen¬dans. Maarten Toonder hobbelt voorbij in zijn Oude Schicht. Saint Kevin warmt zijn koude, gerimpelde handen. Hij doet niet mee, als we uit verveling toch maar een partijtje pool op het groene laken leggen. De bonte ballen wervelen rond. Stuiteren van onervarenheid tot in de brandende haard. Flarden voetbalrumoer rolt uit een flikkerende tv. Manchester scoort. Dave knort van genoegen. Nog maar een Guinness. De volhardende wandelaars druipen binnen. Uren gelopen om een oude loodmijn te zien. Doorweekt. Natte sponzen in glimmende regenkleding. Dan terug door het groengolvende land. Een patchwork van zompige lappen grond, aaneengestikt door de nog kale winterheggen.
Al sinds 1822 klonteren ze er bij elkaar, in de Lanigans Est. Dicht bij de O’Connell Bridge, aan Eden Quay. Tara Station. Opeengepakt onder de zware eiken balken. De houten vloer getergd door lompe schoenen, zweet en Guinness. Dofbonzende vaten. Turfvuur. Op een podium van nauwelijks één decimeter hoog gaan de Dublin Rogues tekeer, amper zichtbaar vanaf mijn plaats, door heen gordijn van Irish Mist en sigarettenrook. Muziek van de Dubliners. The Commitments. Mary Black, ook. Zwaarmoedige balladen kruipen smekend omhoog tegen je klamme kleren. Wellustige dansen, uitgevoerd door een halfdronken stel. De borsten golven als het Ierse land. Niet groen, dit keer. Zachtroze, eerder.
Het is zaterdagavond. Morgen kan de kater blijven slapen. Want alle klokken uit al die kerken beieren niet zo godschanselijk vroeg als bij ons. Dus, feest nog maar even door. Hoewel de laatste Dart hijgend binnenstoomt om zijn rozenkrans met ons te bidden. Holy Sandymount, Holy Blackrock, Holy Dun Laoghaire. Killiney Bay ontvangt ons met open armen. Morpheus. Maar we wringen ons nog voor een aantal uren uit zijn bedwelmende omhelzing. De rozenvingerige dageraad rekt zich reeds uit.
[hr]

The Court Hotel in Killiney Bay: het nederig onderkomen in die week
[hr]
Zondag dan. De rust van een stad na luchtalarm. De vroege wandelaars van St. Stephen’s Green. De daklozen als een kennel schichtige honden bijeengedreven op een nog nat trottoir. Wachtend op hun fast breakfast. Liever een Guinness, zwart als steenkool. De strakke straten, schoongeveegd. De bontgekleurde voordeuren pronkend tussen hun witte zuiltjes. Scharlakenrood. Zwavelgeel. Appel¬groen. Azuurblauw. Georgian style. St. Patrick’s Cathedral, nog leeg. Parel tussen de zwijnen van de oprukkende slums. De eerste kaarsen.
In de lucht flarden blauw in het grijs. Een strakke, ijskoude wind. Ora pro nobis. Wandelt daar niet Leopold Bloom? Op weg naar Nassau Street. Luchtspiegeling. Als ik nou eens een tukje deed. Zal tegen negenen zijn. Boot naar Liverpool al lang weg. Niet eens de rook meer. Belfast. Ik ga niet. Toch maar, want de bus staat al te wachten.
Voor een paar dagen afscheid Molly Malone. Van al die Maguires, Molloys, Murphys. Van al die O’Neills, O’Sullivans, O’Tooles. Telefoonboeken vol. Weemoed, bijna. Lees Brendan Behan er maar op na, die zuiplap. Vooropgesteld dat het weer een beetje meezit, dan zijn er maar weinig steden die aan Dublin kunnen tippen. De weelde van het koele gras en de bonte bloemenpracht in de middagpauze maken dat je hoofd de rest van de dag niet meer naar werken staat. Confessions of an Irish rebel. De Liffey rimpelt rustig weg. De snotgroene zee tegemoet.
Van de wind geen last meer. Vanachter het pantser van glas. Dave ragt golvend door het Ierse land. Richting Belfast. De geschiedenis reist als een verstekeling mee. Het Cyclopengraf van Newgrange. Meer dan 4000 jaar. Tot stof zullen wij wederkeren. De Boyne schuifelt lentezacht over het groene tapijt. Niks battlefield. Dan Monasterboice. Het Muiredach-cross op een grassig kerkhof. De round tower als een gescalpeerde fallus rechtop.
Dan gaat het snel ineens. Dundalk koestert zich grijs aan zijn zilte slikken. Meeuwen krijsen klapwiekend over het lege land. De grens nadert. Hier houdt Europa op. Nog altijd een ijzeren gordijn.
Bij Newry de grens over. Hekken in camouflagegroen. Dreigende wachttorens kijken hoog en ver over het golvende lege land. Wees verdacht op de rising bollards, die plots uit het wegdek omhoog kunnen klappen. Camera’s met onfeilbare ogen. Vaalgroene looptunnels voor al die angsthazige Engelse soldatenjongens. Checkpoint Charley aan de Noordierse grens. En wij maar denken dat het allemaal allang voorbij was.
De IRA heeft zich al gemeld. Houdt Heathrow in een ijzeren greep. Vernederen¬de projektielen op de startbanen. Al dagen achtereen. En ook uit Belfast komen de bange berichten. De zoveelste militair in koelen bloede afgeknald gezeten achter zijn tweede pint. Krijsende verloofde. Bewust ontzien. Zelfs in je vrije weekend ben je niet veilig. Het regent zachtjes, als we Belfast binnenrijden. Met een grote boog Fallsroad mijdend. Uit de buurt van Shankill. Ghetto’s van onverdraagzaamheid. De straten zijn leeg. Slechts de kogelvrije vesten van de donkerblauwe politie. En de pantserwagens, die als snelle groene ratten door de straten rennen. Af en aan. Tweekoppig steekt het leger uit de plaatstalen opening. De mitrailleur gericht. Geluid van plakkende banden op het natte wegdek. Ontzet als er een paar op me toesnellen. Fotograferen is hier toch echt verboden! De volgende wegafzetting. Sirenes. Zondagmiddag in Belfast.
Het Wellington Park Hotel ligt tot de tanden bewapend aan Malone Road, niet ver buiten het centrum van de stad. Steeds weer die hekken, de camera’s, de rode alarminstallaties. Een lege straat. Drinken slechts toegestaan tussen zes en tien uur ‘s avonds. Dat wordt nog stevig doordrinken, dus. De wind jaagt angstig over het glimmende asfalt. Benauwd om voor het donker binnen te zijn. De avondklok. In de lucht het geluid van een klapwiekende helicopter. Urenlang zal hij er blijven hangen. Wakend over de stad. Uit de portieken dreigen geweerlopen in de handen van beverige dienstplichtigen. Waar hebben we dit meer gezien? Gaza, Beiroet, Sarajevo.
Toch maar een snelle wandeling gemaakt naar het centrum van de stad. De druilerige City Hall staat wit in de steigers. Slagbomen versperren je de pas richting centrum. Parkeerverboden in een wijde cirkel.
[hr]
de Kroeg van Davy Byrnes: Duke Street
[hr]
In the name of the father, heet de film. De Guildford bar gaat oorverdovend aan flarden. Alsof een olieraffinaderij ontploft. Dan het slagveld in Falls. Daar rijden de groene pantserwagens weer. De loop snuffelend naar voren gericht. Slalommend tussen de omvergereden vuilnisvaten door. Branden. Regen van vliegende stenen, losgewrikt uit het fijngemalen wegdek. Vervreemding, nu je hier naar de verbeelding zit te kijken, terwijl buiten de werkelijkheid er de perfekte imitatie van is. De jeugd knaagt rustig de familiezakken popcorn weg. Dan gaan de lichten weer aan. Terug maar naar het hotel. Een rustig idee, zo je hoofd neer te kunnen leggen in een bewaakte veste. De zondag is bijna voorbij. Morgen is ook voor Belfast een gewone werkdag.
Speak politely. Open doors for teachers, visitors and each other. Maintain your high standards as a pupil of Lagan College as you travel to and from school. Het staat er echt. Vlak na binnenkomst. Voor al die honderden jongens en meisjes in deftig uniform. Een didactisch paradijs, waar dagelijks de schoolbussen hun instant engelen afleveren. Protestant of katholiek, het maakt niet uit. Deze school is nog van vóór de zondeval. Hoewel nog niet zo oud. Nieuw, ver buiten het rumoer van de vijandige stad. Schittering in het glooiende land. Een onderwijskundig Disneyland. En het bestaat.
Een vers-afgeleverde docent tracht aan een 3-havo-achtig stel enige literatuur te slijten. The Outsiders, het heet boek. Amerikaanse pulp. Verveeld, kauwgumsmekkend en lokkend naar de boys tracht een uit de kluiten gewassen stoot de 40 minuten durende les tot het einde te rekken. Niks Joyce, O’Neill of O’Casey. Wel dromen. Als overal, de jeugd. Dan het voorjaar, de zomer: geuren. Smaakjes. Verre stranden. Hagelwit.
Het gaat niet om de drank maar om het het gezelschap. Zeggen Gaelische liederdichters. Laat me niet lachen, Yeats. In slagorde staan ze in het gelid. Donker en melancoliek, hun melkwit schuim verschrompeld. Nieuwe balladen golven aan, zwaar oproeiend tegen de loden Guinnesslucht. Een duo, dit maal. The Keltic Kick. Heimatlieder. Zeemanskroegenmuziek. Zelfs over de Zuiderzee. Zoute tranen in het lauwe bier. Voor de hongerigen nog wat laatste restjes. Seafood of the day. Please ask your waitress. Je moet toch wat, op zo’n desperate maandagavond. Een half-dronken Ier houdt me aan de praat. Altijd weer die verdomde politiek. Waarom niet gewoon het standaard bargelul? Vrouwen, auto’s en voetbal. Met een paar miljoen dicht opeen tegen elkaar geschurkt. Op een altijd groen eiland. Bierdrinkend. Balladenzingend. Verhalen over de banshee. Het volk van Dana.
Gelukkig loop je in Dublin nooit de kans uit te drogen, zoals in plaatsen die verder van zee liggen. Zelfs op de heetste dagen waait er nog een bries vanuit de Baai en dan zijn er de bergen om de stad, waarheen de mensen onder het werken hun blik richten en de vermoeienissen en de hitte met opgeruimder hart verdragen. Drink je glas leeg, Brendan. Dream of liberty and revolution.
Meer dan vijfhonderd angstige grijze muizen. Samengedreven in een uitgeleefd hol. De laatste didaktische stukjes kaas zijn al door brutalere ratten weggevreten. Het Oatlands College. Dickens. Grauwgekromde jongenruggen. Kortgeschoren nekken. Voorschrift. Met helse straffen in het vooruitzicht voor al die brutalen. More beer!, staat er met dikke viltstiftletters op de gekerfde tafels. Runetekens bezwadderen de vaalgele muren. Ziekelijke kleuren. Een laffe pislucht stijgt op vanachter de gedeukte radiatoren.
North Richmond Street, being blind, was a quiet street except at the hour when the Christian Brothers’ School set the boys free. Alsof hij het geweten moet hebben, de oude James. De leer in schril kontrast met de naargeestige werkelijkheid. De geschiedenislessen gaan hier eeuwig over de Ierse vrijheidsstrijd. Koppen dicht. Voorgekauwde repeteergeweren. Catechismus voor historici. Niks andere werkvormen. Gewoon rechttoe, rechtaan. Frontaal. Recht op je doel af. Geef ze Sinéad O’Connor. UB40 of U2. Geen wiskundige formules. Toverklanken. Groene magie. Muziek uit de bogs. Uit het veen van Kildare en Mayo.
Toch blij, als je de deur hier weer achter je dicht kunt slaan. Van heimwee geen last. Je staat weer midden in Dublin. Het grijze gordijn wordt schokkerig weggetrokken uit de koudblauwe lucht.
Als bij een zandloper lijkt het naderende einde op hol te slaan. Het Marino Institute, het farewell-dinner met al die beminnelijke Ieren. Zelfs het land zit al bijna als een herinnering in je hoofd. De kleur ook. Groen. Groene rugbyvelden. De greens. De groene velden voor het gaelic football. Voor hurling. Ook zo’n sport voor onverschrokken knapen. Groene deuren. De shamrock. Air Lingus. De dubbeldekkers dubbelgroen. Appelgroen. Grasgroen. Mosgroen. Spinaziegroen. Zompig groen. Lijkengroen. Dromengroen.
De laatste uren. Trinity College. Het boek van Kells ligt gekoeld in zijn flauwbelicht aquarium. Pagina’s van vleeskleurig kalfshuid. Een millennium en meer nog. Weinigen zullen het ooit nog aanraken. Eén keer per maand wordt de pagina omgeslagen. Jarenlang lezen. Ook een monnikenwerk. De Amerikanen rukken op. Vanwege St. Patrick’s Day, morgen, met honderdduizenden aangezwermd van over het Grote Water. Met al die zilveren vogels. Drommen nu in het halfdonker rondom het glazen altaar. In aanbidding. Kleuren in miniatuur. Karmijnrood. Smaragdgroen. Sulfur.
Daar slaat Leopold Bloom de hoek om. Duke Street. Wandelt The Bailey binnen. De deur van Eccles Street, op drift geraakt. Wrakhout. Nummer 7 toch? Zie hem weer oversteken naar de overkant. Lunchtijd in de Davy Byrnes’. Bestelt een glaasje bourgogne en een broodje gorgonzola. Buiten wordt de straat schoongespoeld. Glanzende regen. Reiniging. Introïbo ad altare dei. Uit Grafton Street waaien flarden muziek richting Stephen’s Green. Weer Mary Black. If we leave here today. We could be a thousand miles away. Take to that road see how far it goes. And on that great ocean road. Maar het vliegtuig wacht al. Meedogenloze vogel. Het verkeerde ticket. Dublin – Amsterdam.
[hr]

Eccles Street voor Leopold Bloom: 16 juni 1904
[hr]
Ik kijk al pratende Stephen in het gezicht. Een licht windje strijkt over zijn voorhoofd, zacht zijn blonde ongekamde haar koelte toewuivend en zilveren zorgenplekjes in zijn ogen oproepend. Opeens herinner ik mij niets meer. Dublin. Baile Atha Cliath? Mijn toverstaf weigert. Het Dana-volkje blijft onder de zompiggolvende zoden. Mijn ogen dwalen over de lispelende Liffey. De loodgroene zee tegemoet.
Langzaam trekt er een wolk voor de zon, de baai in dieper groene schaduwen hullend. Het ligt al achter mij, een vat vol bitter water. Guinness. Dofbonzende vaten. Het lied van Fergus : ik zing het nu alleen, de lange donkere akkoorden aanhoudend. Haar deur staat open : ze wil mijn muziek horen. Ik loop naar haar bed. Ze reikt mij haar droom, Stephen. Daar in het Westen. Galway. Lisdoonvarna Connemara De hoogkruisen van Clonmacnoise. De Shannon vredig voortsjokkend door het groenige land van moeras. Opgeslokt worden in de gaeltacht. En onder het deinende groen het volk van Dana, the white goddess. Dansend binnen de eiken kring. Een land vol niet ontdekte werelden. Een onderwereld ver van de zegeningen van Europa. Het einde van de wereld. Finis terrae. Eindeloos schuimend strand. Samuel Beckett, de laatste wandelaar. Terug naar Eccles Street. Alleen nog een woestijn van water.
Diep onder mij verglijdt de stompe kaap Bray Head die als de bek van een slapende walvis op het water ligt. Dan de spiegel. De snotgroene zee. De scrotumschrompelende zee. Epi oinopa ponton. Snel warm zonlicht komt aangesneld, rap, op lichte sandaaltjes. Killiney Bay. Snel kleiner wordend, nu.