Vorige week ontving ik als lid van het Louis Paul Boon Genootschap een ‘In Memoriam’ van Jeanneke Boon, de weduwe van Vuil Lowieke, de enige Nederlandstalige schrijver die mijns inziens de Nobelprijs voor literatuur verdiende. Maar niet heeft gekregen. Het ’In Memoriam’ verscheen in de reeks ‘Boon Berichten’ (Mededelingen en berichten van het Louis Paul Boon Genootschap; verschijnt naar hartelust, nummer 20, maart 2005). Het wordt dus hoog tijd om eens wat tijd te besteden aan de grote Aalstenaar. Vandaag de auteur, morgen zijn meesterwerk De Kapellekensbaan.
[op het moment dat ik dit zit te typen zie ik op tv dat het opgebaarde lichaam van de paus - in vol ornaat - de Sint Pieter wordt binnengedragen. Dagenlang zal het hier opgebaard blijven liggen. Vrijdag 8 april volgt de begrafenis. Miljoenen pelgrims worden verwacht.]Â
LOUIS-PAUL BOON (1912-1979) en DE KAPELLEKENSBAAN (1953)
Vijfentwintig jaar geleden, op 10 mei 1979, stierf Louis-Paul Boon, aan een hartstilstand, op dag voordat hij te horen zou krijgen dat hij de Nobelprijs voor literatuur zou krijgen. Als eerste Nederlander. Het hoort en beetje bij de tragiek die Boons leven kenmerkt: nooit de erkenning gekregen die hem toekomt. De laatste jaren is er sprake van een zekere Boon-revival, misschien wel vooral omdat zijn stijl van schrijven zo opmerkelijk goed past in onze tijd: fragmentarisch, chaotisch, vervormend en erotisch geladen. Louis-Paul Boons proza is een tekstuele videoclip avant la lettre.Â
Op 15 maart 1912 wordt Lodewijk-Paul geboren in een eenvoudige arbeiderswoning aan de Derdermondse Steenweg in het Belgische Aalst. De provinciestad Aalst onderscheidt zich van vele ander, prachtige Vlaamse steden door zijn gore arbeiderswijken, die niet ver verwijderd liggen van de gore textielfabrieken die sinds het eind van de 19e eeuw de stad in de vaart der volkeren moesten opstuwen. Achteraf is het misschien goed dat Lodewijk-Paul, later Louis-Paul genoemd, hier geboren is. De stad zal een enorme literaire voedingsbron voor hem blijken te zijn.
De literaire carrière kondigt zich niet onmiddellijk aan. Hij wil kunstschilder worden en hij schrijft zich derhalve ook in aan de Stedelijke Academie van Schone kunsten, maar hij moet de studie afbreken vanwege tijdelijke arbeidsongeschiktheid van zijn vader, die op dat moment rijtuig- en autoschilder is. Louis-Paul moet helpen het gezin Boon te onderhouden. Hij begint zich te interesseren voor het socialisme en het communisme.
Zijn huwelijk, in 1936, met Jeanneke de Wolf brengt hem naar een vervallen huurhuis aan de Gentsesteenweg te Aalst, dat hij het rattenkot noemt. Hij blijft zijn vader assisteren bij allerlei schilderklussen. Ondertussen bekwaamt hij zich ’s avonds in meer artistieke vormen van schilderen, creëert zich een bescheiden atelier. Overdag huisschilder, ’s avonds artiest. Daarnaast begint hij te schrijven. Leest Döblin (Berlin Alexanderplatz), Kafka (Das Prozess) en met name Louis-Ferdinand Céline (Voyage au bout de la nuit). Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. Céline bezorgt hem een brok van herkenning. Het pessimisme, de afwezigheid van ook maar het minste spoor van vertrouwen in de mensheid van de Franse arts-schrijver spreken hem aan.
Ook Céline zal nadat hij gewond is geraakt in de loopgraven (de modderkuilen) in de Vlaamse zuid-west hoek pas als schrijver op dreef komen. Bij Louis-paul Boon verloopt het niet echt anders. Hij wordt krijgsgevangen gemaakt en overgebracht naar Duitsland, Hannover. Zij detentie duurt echter niet lang, en eind 1940 kan hij al naar Aalst terugkeren. Lichamelijk uitgeput en mentaal gebroken door het gedwongen verblijf in Stalag XI B. Geen werk, depressies, uitzichtloosheid. Hij begint weer te schilderen en te tekenen, legt contacten met andere kunstschilders (bv. Maurice Roggeman).
Na de oorlog wordt hij lid van de communistische partij, levert kunst- en literatuurkritische bijdragen aan het tijdschrift De Roode Vaan. Al jaren daarvoor, vanaf 1942, is hij begonnen aan de eerste opzetten van Madame Odile, dat later kompleet herbewerkt zal gaan worden en dan De Kapellekensbaan zal gaan heten. Zijn werk voor kranten en tijdschriften breidt zich gestaag uit.
In 1953 verschijnt eindelijk De Kapellekensbaan bij de Arbeiderspers in Amsterdam, omdat Belgische uitgeverijen het niet aandurven dit gewaagde proza aan het volk te koop aan te bieden. Samen met Zomer te ter-Muren zal het boek een literair diptiek vormen dat op één van de weinige toppen staat in het Nederlandstalige literaire heuvellandschap. De beide turven zijn geen hapklare brokken waarvan er momenteel zoveel in de rekken van de boekhandel te vinden zijn. Het is doorbijten, maar wie weet door te zetten komt in een hallucinerend universum terecht.
Boon komt op dreef. Zijn romans beginnen te verschijnen met de regelmaat van de klok: Niets gaat ten onder (1956), De bende van Jan de Lichte (1957),, De Paradijsvogel (1958). Vanaf 1959 komen daar zijn befaamde Boontjes bij, zijn dagelijkse column in de ‘Vooruit’. Inmiddels is hij ook begonnen aan zijn ‘Fenomenale Feminateek’, een verzameling blote meiden foto’s die zal uitgroeien tot een collectie van zo’n 25.000 afbeeldingen. Het zal hem de benamingen voil Lewieken en viesentist opleveren. Dat kan niet goed gaan in het katholieke België van die tijd. De erkenning als baanbrekend schrijver blijft derhalve uit. Pas in 1966 is het zover. Europa wentelt. De nieuwe tijd komt er aan. Hij ontvangt de Contantijn-Huygensprijs.
In 1971 verschijnt de documentaire roman Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht. Het zal zijn meest bekroonde werk blijken te worden. In 1993 krijgt de film Daens net geen Oscar, maar de film oogst wereldwijd bewondering.
In 1972 publiceert hij zijn satirische pornoverhaal Mieke Maaikes obscene jeugd. Opnieuw wordt hij verguist. Hoewel zij literaire werk gestaag wordt uitgebreid, beginnen hem echter steeds meer de gevoelens te overheersen dat hij een mislukt schrijver en schilder is. Hij drinkt meer dan goed voor hem is, heeft zelfmoordgedachten en net als Picasso in zijn laatste jaren werpt hij zich voornamelijk op het schilderen van erotisch geladen taferelen. De literatuur volgt dit libidineuze spoor. Eén jaar voor zijn dood publiceert hij Eros en de eenzame man. In 1979 overlijdt hij.
Het eerbetoon komt een aantal jaren later. In 1982 wordt het Louis-Paul Boon Genootschap opgericht. Aanvankelijk verschijnen van dit genootschap, driemaandelijks, de ‘Berichten uit Boonland’, de laatste jaren - na ruzie in het bestuur - is het ‘Boelvaar Poef’ dat de geest van Louis Paul Boon levend houdt.