April 29th, 2005

MAM: Maastricht - Amby - Margraten

Posted in: Journaal — admin @ 16:27

Vanochtend moet Gemma weer op controle in het AZM in Maastricht. Het rechteroog is redelijk stabiel, hoewel er weer een klein ‘defect’ wordt geconstateerd onder in het oog. In de oogholte zit oog nog steeds te veel vocht, en tevens is de oogdruk aan de hoge kant (waarde 28). Verder wordt ook het linkeroog onderzocht. Ook hier worden veel zwakke plekken geconstateerd, zodat nu al tien, misschien zelfs twaalf laserbehandelingen worden voorzien. Om het zekere voor het onzekere te nemen. Het gereis naar Maastricht is dus nog lang niet afgelopen.
Daarna (het is inmiddels 12 uur geworden) naar haar moeder in het verzorgingshuis in Amby. Na een snelle en goedkope lunch met chili con carne rijd ik even naar Margraten, terwijl Gemma haar moeder te eten geeft. Het is amper een kwartiertje rijden. Zwaarbewolkt weer, maar veel uitbundig lentegroen.

Netherlands American Cemetery 

NBC in action

In Margraten is men druk in de weer om alles in gereedheid te brengen voor het bezoek van de Amerikaanse president Bush, zondag 8 mei. Tijdens dit bezoek zal de 60e verjaardag gevierd worden van de Overwinning van de Geallieerden in 1945, het einde van de Tweede Wereldoorlog dus. Over ruim een week wordt Bush dus ingevlogen voor het bijwonen van de plechtige ceremonie.
Het is gemakkelijk aan een toegangskaart te komen, en dus tot de 10.000 toegelaten bezoekers die zondag te kunnen horen. Had er niet op gerekend, en zelfs geen paspoort (met het rijbewijs lukt het ook) meegenomen, omdat ik alleen van plan was wat te zien van het inrichten van het oorlogskerkhof. Hetgeen ook te zien was. Met man en macht worden podia gebouwd. Cameraploegen zijn druk in de weer, en met nagelschaartjes - bij wijze van spreken dan - wordt de fenomenale grasmat bijgewerkt. De ruim 8300 hagelwitte kruisen steken fel af tegen het groen van het gras en het grauw van de lucht.

Graf van de onbekende soldaat 

 
Hoewel ik Lucien telefonisch niet kan bereiken, reserveer ik ook maar een toegangskaart voor hem: "This ticket admits one to the ceremony to mark the 60th Anniversary of Victory in Europe Day at the Netherlands American Cemetery in Margraten on Sunday, May 8, 2005". Twee van die tickets heb ik op zak, genummerd uiteraard. En uiteraard niet overdraagbaar, want de inschrijving diende ter plekke te gebeuren.

Vlagvertoon

April 25th, 2005

Uitzending Omroep Venlo:de Jeroen Brouwers special

Posted in: Uncategorized — admin @ 16:45

Vanavond heb ik samen met André de live-uitzending van het programma ‘Lezen en Schrijven’ gepresenteerd. Van mijn kant heb ik ruimschoots aandacht besteed aan Jeroen Brouwers. Een van mijn bijdragen was de bespreking van het volgende:

[hr]



[hr]

JEROEN BROUWERS: HET VERHAAL VAN EEN OEUVRE

door Johan Vandenbroucke (2005; uitgeverij Atlas)

Jeroen Brouwers is op 20 april vijfenzestig geworden. Het Letterkundig Museum in Den Haag heeft ter gelegenheid van dit feit een uitgebreide tentoonstelling aan deze miskende (zo ziet hij het in ieder geval zelf) Nederlandse auteur. Vanaf 8 april tot en met 11 september is er de expositie ‘Liefde, literatuur en dood’ te bezichtigen. Brouwers gefileerd. Daarnaast verschijnen er dit voorjaar allerlei publicaties over en van Brouwers.

Zo is daar in de reeks ‘Schrijvers Prentenboek’ (nummer 54 alweer) de snelle biografie Van Johan Vandenbroucke: “ Jeroen Brouwers, het verhaal van een oeuvre’, en publiceert Brouwers zelf ‘De schemer daalt’ (nummer 7 in zijn reeks Feuilletons).

‘Zo word je schrijver’ heet het eerste hoofdstuk van de biografie van Vandenbroucke. Eigenlijk is de aanduiding ‘biografie’ iets te veel van het goede, want het boek van Vandenbroucke beperkt zich, afgezien van dit eerste hoofdstuk, tot Brouwers als schrijver van een aantal minder geslaagde (in het begin) en meer geslaagde boeken (later).

Op 20 april (ook niet de verjaardag van Adolf Hitler, maar dit terzijde) werd de kleine Jeroen Brouwers geboren in Batavia, Nederlands Indië, toen nog een van de mooiste Nederlandse kroonjuwelen in de koloniale uitstalkast. Aan de koloniale tijd, zijn gevangenschap in het Jappenkamp, bewaart hij minder negatieve herinneringen dan degene waarmee hij de afgelopen jaren regelmatig in de clinch gelegen heeft. Ik heb het over Rudy Kousbroek. Brouwers zelf beweert dan ook dat hij absoluut geen last heeft van een kampsyndroom, maar eerder van een kostschoolsyndroom, hem bezorgd toen hij met de familie uit Nederlands Indië gerepatrieerd werd, en uiteindelijk op een katholieke kostschool terechtkwam. Iets wat hij zijn ouders zeer kwalijk genomen heeft, en dat is dan nog zacht uitgedrukt.

Heel zijn leven heeft Brouwers last gehad van een zwakke gezondheid, iets wat hij overigens ook wel cultiveerde. Hij kent zichzelf een piepende en gierende ademhaling toe opgelopen op éénjarige leeftijd toen hij difteritis kreeg. In zijn verhalen duikt zijn zwakke fysieke constitutie op met de regelmaat van een klok. Vervolgens ondermijnt hij zichzelf door pillen en drank. Een wonder dat hij nog leeft. Vindt hij zelf.

[hr]



[hr]

Zijn literaire carrière was een moeizaam proces. Dat het hem uiteindelijk toch gelukt is, heeft hij zeker te danken aan het feit dat hij op het juiste moment de juiste mensen tegenkwam. En dan denk ik met name aan de Belgische uitgeefster Angèle Manteau en de Belgische auteur Julien Weverbergh. Dat alles neemt niet weg dat bijna zijn hele schrijversleven geklenmerkt wordt door sappelen en op een houtje bijten. Met afgunst ziet hij om zich heen jonge auteurs die op een snellere, misschien ook meer handige manier gestalte geven aan hun carrière. De door hem meest bewonderde succesauteur is zonder meer Harrie Mulisch, die hij adoreert als een literaire groupie.

Iets van die bewondering voor een gevierd auteur is ook terug te vinden bij Johan Vandenbroucke. Vandenbroucke is – voor wie niet met hem bekend is – de auteur van ‘Verzonnen Vrouwen” (1998), zijn debuut. Op dat ogenblik was hij al jaren een Brouwers-fan; daarna is zijn idolatrie alleen nog maar toegenomen. Hij heeft zelfs zijn eigen literaire lier aan de wilgen gehangen om fulltime apologeet van Meester Brouwers te worden.

Zelf noemt Vandenbroucke zijn Brouwers-boek ‘een biografisch portret van de schrijver op basis van zijn teksten’. Dat maakt zijn handen vrij om er in ieder geval geen diepgravende biografie van te hoeven maken. Hetgeen overigens niet betekent dat het geen sympathiek of leesbaar boek geworden is. Zeker wel. Met grote kennis van zaken, merkbaar enthousiasme en een vlotte pen, gewapend met citaten uit zelfs de meest obscure Brouwers-publicaties, schept Vandenbroucke een tweede beeld van de mens Brouwers, vanaf diens geboorte in de exotische contreien van een voormalige Nederlandse kolonie tot op het heden. Vandenbroucke volgt Brouwers via zijn teksten vanaf ‘Het mes op de keel’ (1964, zijn debuut) tot en met het laatste, al door mij genoemde ‘De schemer daalt’, een met literaire bric-à-brac gevulde aflevering van Brouwers’ eenmanstijdschrift ‘Feuilletons’.

Vandenbroucke laat de mens Brouwers samenvallen met de schrijver Brouwers. Uiteindelijk bewijst hij daarmee het gelijk van zijn vertrekpunt: Brouwers IS zijn oeuvre. Een niet erg originele vondst natuurlijk, want die is zeker voor meer schrijvers van toepassing te verklaren.

Veel spannender is Vandenbrouckes beschrijving van Brouwers’ lange, moeizame strijd om schrijver te worden. Mulisch zou deze weg zeker niet hebben willen volgen, want hij blijft beweren dat iemand die schrijver wil worden, helemaal geen schrijver is. Maar misschien vormt Jeroen Brouwers wel de uitzondering. Brouwers’ droom: schrijven om als schrijver geboekstaafd te worden, opgenomen te worden in het literaire Pantheon, deel uit te maken van een select gezelschap gevierde auteurs, zelf tot de literaire historie te gaan behoren. Daar is hij zijn hele leven mee bezig geweest. En nog steeds.

Maar hoe je het ook wendt of keert, na lezing van ‘JEROEN BROUWERS,. HET VERHAAL VAN EEN OEUVRE’ is het moeilijk om níet onder de indruk te raken van Brouwers’ levensfeiten en inspanningen.

Laat ik het Brouwers zelf maar laten zeggen: “het heeft te maken met je lichaam, je hartenklop. Het is werk geweest. Moeizaam en eenzaam. Zwoegen met doorstrepingen, toevoegingen, veranderingen. Schrijven is een ambacht, net als timmeren. Je moet het bijhouden, je mag het nooit laten slabakken. In het begin moet je het nog onder de knie krijgen. Later is het moeilijk, omdat je niet mag toegeven aan je routine”.

En hij voegt er nog aan toe: “Men denkt dat al mijn boeken autobiografisch zijn. Dat is maar heel beperkt waar. Dat misverstand komt doordat ik meestal in de ik-vorm schrijf. Het autobiografische is bijzaak”.

Ik ga eindigen. Jeroen Brouwers schreef in meer dan veertig jaar een imposant en samenhangend oeuvre bij elkaar. Het door Johan Vandenbroucke geschreven Schrijversprentenboek laat verbanden zien tussen leven en werk van Jeroen Brouwers, tussen zijn romans en polemieken, tussen essays en levensberichten, tussen passie en ergernis. Bovenal is het de kroniek van een hartstochtelijk oeuvre, dat vaak de balans opmaakt van een gulzig leven, in meerdere betekenissen uit te leggen.

April 20th, 2005

Opnieuw Céline: Dood op krediet

Posted in: Literair — admin @ 17:42

Vandaag gooi ik er maar even de op één na meest bekende roman van Louis Ferdinand Céline achteraan: MORT A CREDIT (1936); in het Nederlands vertaald als DOOD OP KREDIET. Beter zou zijn geweest de roman ‘Dood op afbetaling’ te noemen. Het boek gaat over de volledige ineenstorting van Célines alter ego, Ferdinand. Het is het boek over de jeugd van deze Ferdinand, Céline zelf dus. want al zijn romans gaan over hem zelf. De hoofdpersoon Ferdinand, die in hachelijke omstandigheden gekweld wordt door herinneringen aan zijn jeugdjaren in de Passage des Béresinas (in werkelijkheid de Passage Choiseul, waar Célines moeder haar garen- en kantwinkeltje dreef) is in wezen niemand anders dan de ontluisterde Bardamu uit de REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT, ook al wordt zijn naam niet genoemd.

 

  

Bardamu wordt langzaam maar zeker van al zijn onderscheidingen beroofd. Hij is niet langer de anarchist pur sang, de bestrijder van de kolonels te velde, de specialisten in de ziekenhuizen, de fabriekdirecteuren in Detroit. Hij is niet langer de minnaar van de Lola’s en de Lolita’s met benen om van te smullen. In DOOD OP KREDIET is Ferdinand een armzalige zieke ziekenfondsarts, een dokter van de ‘armsten van de armen’ (zoals Céline in Clichy).

  

DOOD OP KREDIET zijn de herinneringen van een volwassene aan zijn jeugd, maar dan wel een volwassene die veelal in overspannen toestand van 40 graden koorts verkeert. De neurotische belevenissen hebben vooral betrekking op de Passage des Béresinas, de spelletjes met de klasgenoten van de lagere school, de bejegeningen van de bazen die hem door zijn ouders werden opgedrongen en vooral toch wel op zijn verblijf op de Engelse kostschool, en tenslotte zijn avonturen met de hoogst intelligente megalomane uitvinder Roger-Martin Courtial des Pereires die zelfmoord pleegt met een dubbelloops jachtgeweer dat zijn gezicht en schedel tot een placenta-achtige vleesmassa vermorzelt. De beroemde uitvinder blijkt trouwens achteraf niet Courtial des Pereires, maar doodgewoon Léon Charles Punais te hebben geheten. Hilarische bladzijden.

 

  

De belevenissen van Ferdinand hebben vooral ook betrekking op grootmoeder Caroline en oom Edouard, die tot de menselijkste figuren uit DOOD OP KREDIET behoren. Céline blijkt ineens ook mens te kunnen zijn, en het niet alleen te moeten hebben van cynische grappen en bijna Rabelaisiaanse overdijvingen. Overigens, is de beschrijving van de dood van zijn grootmoeder Caroline een van de meest ontroerende passages van het boek.

Veel meer dan in de REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT vindt Céline in DOOD OP KREDIET het ritme dat hem wereldberoemd zal maken. Ik bedoel hij hijgerige, jachtige tempo in de zinnen waarvan de pompende ademhaling gemarkeerd wordt door de beruchte drie puntjes, die als een soort duidelijk zichtbaar stiksel over de bladzijdes zijn verspreid. Korte staccato zinnen die als door een soort repeteergeweer op de lezer worden afgevuurd.

Als voorbeeld lees ik een fragment uit de passage, waarin Ferdinand en de familie des Pereires wachten op de dokter die ze hebben laten roepen om de pastoor te onderzoeken die een epileptische aanval gekregen heeft.

April 19th, 2005

Reis naar het einde van de nacht

Posted in: Uncategorized — admin @ 16:32

Omdat ik afgelopen week Willem Frederik Hermans als de Nederlandse Louis Ferdinand

Céline heb aangeprezen, lijkt het mij een goede zaak om nu aandacht te besteden aan deze

beroemde, maar eveneens zeer omstreden Franse schrijver.

(Witte rook uit de Sixtijnse kapel: ik hoor overigens zojuist via de tv dat de Duitse (!) kardinaal Ratzinger met 77 van de 115 stemmen tot paus Benedictus XVI gekozen is. De - behoudende - macht blijft dus waar hij de afgelopen jaren al lag) Niks Latijns Amerika, of een ander uit de Nieuwe Wereld.

Terug naar Céline, want daar waren we mee bezig.

Het boek begint met de volgende, sublieme tekst:

Reizen is heel nuttig, het prikkelt je verbeelding. Al het overige geeft maar teleurstelling en last. Onze reis hier is volkomen denkbeeldig. Dat is zijn kracht.

Hij voert ons van het leven naar de dood. Mensen, dieren, steden, dingen, alles berust op fantasie. Het is een roman, een verzonnen verhaal, meer niet. ‘t Staat in ‘Littré’, en die vergist zich nooit.

En trouwens, iedereen kan het doen. Je hoeft je ogen maar te sluiten.

Het is aan de andere kant van het leven.


[hr]

Eerste druk 1932

[hr]

Zo begint de ‘REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT’ (‘Voyage au bout de la nuit’) van de arts en schrijver Louis-Ferdinand Céline, en je zit er onmiddellijk midden in. Een roman van meer dan 600 pagina’s die sinds 1932 steeds weer nieuwe generaties lezers weet te boeien. Elke twee jaar herlees ik – in het Frans en in het Nederlands – dit meesterwerk, en het verveelt nooit.

Ik ben zelf in het bezit van zowel de eerste Franse druk uit 1932 als de eerste Nederlandse uitgave (in de vertaling van J.A. Sandfort). Daarnaast heb ik verschillende andere Nederlandse en Franse edities. In 1988 verscheen bij Gallimard de door Tardi geïllustreerde Franstalige editie met honderden zwart-wit tekeningen. Een fantastische uitgave.

In vergelijking met zijn latere romans bedient hij zich in de ‘REIS’ nog van een vrij traditionele taal, maar vanaf zijn tweede roman (DOOD OP KREDIET), blijkt hij voor het tot uitdrukking brengen van zijn onvrede met betrekking tot het menselijk tekort een geheel eigen stijl te hebben ontwikkeld die sterk afwijkt van het gangbare, geschreven Frans en die wordt gekenmerkt door bijzondere zinsconstructies en veel zelfbedachte, nieuwe woorden, deels ontleend aan de volkstaal. Dat leverde een zeer origineel, sterk ritmisch en melodieus proza op dat hij later zijn ‘deuntje’ zal gaan noemen. De aanzetten daartoe worden in ‘DE REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT’ al gegeven, zeker in het tweede gedeelte van het boek.

In al zijn boeken groeien de woorden van Céline uit tot een hallucinerende weergave van een wereld in verval. Geen vrolijke wereld, dus, ook al valt er heel wat te lachen bij Céline. Zijn tot in het absurde doorgevoerde overdrijvingen, zijn onweerstaanbare humor zorgen er voor dat zijn teksten leesbaar en verteerbaar blijven. Maar vaak vervormt de lach zich tot een wrange grimas. Nooit gaat het zoals het zou moeten gaan met Céline’s alter ego, Bardamu. die in de meeste van zijn boeken aanwezig is.

Korte inhoud van REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT

Zoals gezegd heet de hoofdpersoon in de REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT Ferdinand Bardamu. Deze Ferdinand Bardamu, student medicijnen en afkomstig uit de kleine burgerij, komt bijna per vergissing in het Franse leger terecht. En in de oorlog, in dit geval de Eerste Wereldoorlog. Voor hem betekent dit afzien in de modder en de loopgraven van het Westvlaamse land. Hij is verbijsterd over de absurditeit van de massamoord, waaraan niets en niemand weerstand kan bieden. In al die ellende komt hij zijn alter ego Robinson tegen. Gewond wordt Bardamu afgevoerd naar Frankrijk, waar hij eerst moet recupereren in een psychiatrische kliniek in Parijs, hetgeen hem niet al te slecht afgaat vanwege zijn ontluikende liefde voor Lola.

[hr]

uit de TARDI editie

[hr]

Na de oorlog vertrekt Bardamu naar Afrika, waar hij in het benauwde en afmattende oerwoud werkzaam is voor de Compagnie Pordurière du Petit Congo. Ook daar achtervolgt Robinson hem weer, tot het moment dat Bardamu ziek en geradbraakt besluit Afrika voorgoed te verlaten.

Het wordt Amerika, waar hij - werkzaam in de Ford-fabrieken van Detroit - bevriend raakt met de bordeelhoudster Molly, die hem in bescherming neemt en de enige vrouw in het boek zal zijn die hem om hemzélf heeft liefgehad. dat is misschien voor Bardamu wel de reden waarom hij haar verlaat en naar Europa terugkeert. Maar ook Robinson en Lola hebben zich inmiddels weer op het toneel gemeld.

Bardamu keert terug naar Frankrijk; hij zet er zijn medicijnenstudie voort en wordt tenslotte arts in Rancy. Nadat Robinson te kennen heeft gegeven dat hij wil gaan trouwen met zijn vriendin Madelon wordt Bardamu benoemd als arts in een psychiatrische kliniek in Toulouse. Hij blijft geconfronteerd met de menselijke ellende. Het houdt maar niet op. Naarmate het boek vordert en de avonturen zich aaneenrijgen wordt duidelijk dat alle personages tesamen één kosmisch geheel vormen. De opeenhoping van individuen die ten onder gaan in een gemeenschappelijk inferno van lafheid, angst en vulgariteit.

Tenslotte ontmoeten we weer Bardamu en Robinson, samen met Robinsons vriendin Madelon op weg naar de kermis in Batignolles. Robinson die alles zat is en ook van Madelon af wil wordt uiteindelijk uit zijn ‘lijden’ verlost door Madelon, die hem doodschiet. Misselijk van alles duikt Bardamu een café in, dicht aan de oever van de Seine.

REIS NAAR HET EINDE VAN DE NACHT is een nachtmerrie, een hallucinatie die in 1932 Céline bijna de prestigieuze Prix Goncourt opleverde (hij kwam slechts 3 stemmen tekort). Sinds de verschijning ervan waren de meningen over Céline en zijn ‘REIS’ niet alleen verdeeld volgens de geijkte tweedeling pro of contra, er waren schakeringen en er vonden verschuivingen plaats. Zo wendde links bij iedere nieuwe uitgave van Céline het hoofd af: een racist, een antisemiet, een collaborateur met de Moffen. Maar vanwege Célines pacifisme heeft datzelfde links later, tevergeefs, getracht hem binnen te halen. Rechts, daarentegen, was van mening dat hij onvoldoende had gecollaboreerd. en bovendien was het een vuilschrijver.

Céline werd dus voornamelijk verguisd. En dat was precies waar hij op uit was. Hij was immers voornamelijk gaan schrijven om zich te bevrijden uit het benauwende wereldje van de kleinburgers waarin hij leefde. Céline oogst stormen, hoewel hij beweert geen wind te hebben gezaaid. Hij provoceert. Zijn schrijftalent is luidruchtig, buitensporig. In feite weet hij dat hij slechts schrijft (of leeft)om te worden verguisd. Pas bij zijn laatste ademtocht zal hij daarmee ophouden. Net als Robinson.

April 14th, 2005

Maigret en het lijk aan de kerkdeur (Simenon)

Posted in: Literair — admin @ 16:23

Vandaag met een aantal collega’s naar Eindhoven geweest voor informatie en workshops met betrekking tot de nieuwe inrichting van de Onderbouw (het herontwerp). Alle sessies vonden plaats in het Evoluon, het vroegere ?Exploratorium? (tentoonstellingsgebouw) van Philips. Er heerste een npositieve en geanimeerde sfeer: het leren is wél leuk!
Om 10.00 uur opent Cathy Spierenburg met een goed onderbouwd verhaal over de jeugdcultuur. Spierenburg is de ‘directeur’ van het educatieve programma Z@ppelin (voor 6-12 jarigen). Er volgen veel cijfers over het gebruik van de nieuwe media, en ook het kijkgedrag van oudere jongeren en volwassenen. Ter illustratie interviewt ze vervolgens een aantal Eindhovense jongeren.
Daarna volg ik een sessie met Jack Timmermans, directeur, choreograaf en artistiek leider van het jeugddansgezelschap ‘De Stilte’ uit Breda. Na de lunch een twee uur durende workshop over het vraaggestuurd leren zoals dat op het gymnasium van het ArentheemCollege in Arnhem in de praktijk wordt gebracht.

Maar zoals beloofd voor vandaag het tweede deel van het Simenon-verhaal.
‘Maigret en het lijk aan de kerkdeur’ is een merkwaardig boek, het eerste van een hele reeks romans waarin Simenon gebruikt maakt van zijn kindertijd en zijn leven in Luik. Er komt een huilerige moeder in voor, en een toegewijde vader die geduldig en vol begrip omgaat met zijn misdadige zoon. Ik durf gerust te beweren, dat het met Simenon best anders had kunnen lopen. Dat hij niet het pad van de misdaad is opgegaan heeft dan ook alles met toeval te maken. In zijn romans, en natuurlijk vooral in zijn Maigrets, kon hij later op een legale manier toch nog in de onderwereld blijven vertoeven.
In ‘Maigret en het lijk aan de kerkdeur’ romantiseert Simenon het ware verhaal van Joseph Kleine (in de roman Klein geheten), een vriend van de jonge Simenon, die zich in 1922 zou hebben opgehangen aan de kerkdeur van de Saint-Pholien. Moord of zelfmoord?

MAIGRET EN HET LIJK AAN DE KERKDEUR
In het Duitse Bremen, in een goedkope hotelkamer, schiet ene Louis Jeunet zich een kogel door de keel. Vanwege zijn wat opvallende, zenuwachtige gedrag is hij daarnaar toe gevolgd door Maigret, die hem op het postkantoor een bedrag van 30.000 francs in een bruine envelop heeft zien wikkelen en opsturen naar Parijs. Later zal blijken dat hij deze som geld naar zichzelf opstuurt. Bovendien heeft Maigret op het station de koffer van deze Louis verwisseld met de zijne. Beide nemen een kamer in het hotel. Jeunet treft in zijn koffer slechts oude kranten, Maigret een oud kostuum met bloedvlekken. Voor Jeunet blijkbaar reden genoeg om zich van het leven te beroven.
Maigret achterhaalt de vrouw van Jeunet en krijgt alles te horen over zijn los-vaste werkzaamheden, zijn drankzucht en hun scheiding, twee jaar eerder. Vervolgens reist hij af naar Reims, waar Louis zijn schoenen gekocht zou hebben. In een café komt hij bankdirecteur Belloir tegen die, als Maigret hem de volgende dag thuis bezoekt, visite heeft van Joseph van Damme, een handige zakenman, die Maigret toevallig ook al heeft ontmoet in Bremen, waar hij Jeunet in het lijkenhuis kwam opzoeken.
Het huis van bankdirecteur Belloir loopt verder op dat ogenblik vol met Sef Lombard, fotograaf te Luik, en Gaston Janin, beeldhouwer in Parijs. Het viertal blijkt vroeger samen in Luik te hebben gestudeerd. Een curieuze ontmoeting, vindt ook Maigret, die even later een telefoontje uit Parijs krijgt dat de 30.000 francs afkomstig zijn van de bank van Belloir.
Daarop nodigt van Damme Maigret uit om met hem per taxi terug te reizen naar Parijs. Tijdens panne onderweg tracht van Damme Maigret te verdrinken in de vanwege hevige regenval sterk gestegen Marne.
Dan meldt zich de broer van Louis en blijkt dat Louis een andere naam heeft aangenomen. Zijn echte naam is Jean Lecocq d’Arneville.

Langzaam wordt duidelijk dat het viertal oude vrienden van Louis (Jean) behoort tot een kliek, die erg benauwd is voor iets wat bijna tien jaar geleden in Luik heeft plaatsgevonden.
Maigret achtervolgt van Damme die uit de archieven van de Luikse pers artikelen van 10 jaar eerder steelt. Maigret is steeds te laat om hem daar op te betrappen. Dan ontdekt de inspecteur de armzalige achtergronden van Louis (Jean), en tevens het bewuste krantenartikel, waarin melding gemaakt wordt van de ophanging van Klein, een van de leden van de Luikse vriendenkliek, die deels bestond uit rijke studenten en deels uit arme artiesten, waaronder Klein. Eén persoon wordt nog steeds gemist: Mortier, die echter steeds vanwege zijn rijke achtergrond en zijn opportunistische houding buiten de groep heeft gestaan.
Je moet de afloop van een Maigret niet onthullen. Dat doe ik hier dan ook niet, anders blijft er niets meer te lezen over.

Daags voor Kerstmis is Mortier neergestoken door Klein, met medewerking van de anderen. Vervolgens wordt het lijk in de gestegen Maas gedumpt. Het lijk zal nooit worden gevonden. Louis (Jean) is na de moord bij Klein achtergebleven, die de moord niet kan verwerken en zich twee maanden later verhangt aan de kerkdeur van de Saint-Pholien. Tien jaar lang heeft Louis (Jean) met het bebloede kostuum van Mortier rond gezeuld om de anderen te chanteren. Vandaar o.a. die 30.000 francs van Belloir. Maar ook de anderen hebben veel geld aan hem betaald. Louis (Jean) gebruikt het geld echter niet voor zichzelf, maar verbrandt het gewoon. De moord op Mortier is bijna verjaard, maar Jeunet kan de spanning niet meer verdragen, nu het kostuum van Mortier is verdwenen. In de morsige hotelkamer in Bremen schiet hij zich tenslotte een kogel door de keel.

In dit boek draait alles om het feit dat een misdaad die in Luik was begaan tijdens een bijeenkomst van de vriendenclub ‘Les Compagnons’ op het punt staat te verjaren, want na 10 jaar kan niemand hier voor nog worden vervolgd. Het interessante is dat Simenon dit verhaal acht jaar na de dood van de echte Kleine heeft geschreven, en dat het één jaar later is verschenen. Als er nog mensen in Luik waren wier geweten Simenon in het nauw had willen brengen, zullen zij geen gemakkelijk jaar hebben gehad.

April 13th, 2005

Georges Simenon hangt een lijk aan de kerkdeur

Posted in: Literair — admin @ 17:22

Een aantal maanden geleden zat ik, laat in de decembermiddag, met mijn zwager in de Taverne Saint-Pholien. De Saint-Pholien is een groot bruin café met twee kolossale wedstrijdbiljarts, gelegen schuin tegenover de donkere Saint-Pholienkerk, in het Luikse stadsdeel Outremeuse, waar de jonge Georges Simenon heel wat jaren heeft doorgebracht.
In het café hangt boven de zware, houten tafels een dikke walm van sigarettenrook doorsneden met de zoete geur van Rochefort en Chimay, beide niet te versmaden Trappistenbieren. Aan de bar discussiëren een stuk of vijf somber geklede werklozen, die in een niet aflatend tempo hun Jupilers naar binnen hijsen. Het vijftal wordt geflankeerd door twee blonde dellen, die slechts in beweging komen om op appèl bier aan de andere gasten te serveren. Een Duitse herder ligt slaperig onder het biljart, waaraan een tweetal imitatie-Ceulemansen de ballen doet caramboleren. Aan de tafel naast ons laat een in glimmend leer gehulde blondine, begenadigd met een explosief tietwerk onder haar gespannen witte truitje, haar zojuist gekochte zwarte kanten slipjes zien aan haar naar het café meegetroonde moeder. Die moeder heeft echter meer oog voor haar bier en voor de gekroesde Algerijn, die tegen een flikkerende en bliepende flipperkast staat te hengsten.

Als we naar buiten stappen is de Saint-Pholien vanwege de oprukkende nacht en de grauwgrijze winternevel zelfs op minder dan 25 meter nauwelijks nog te onderscheiden. Thuis aangekomen begin ik, toegegeven het is maar surrogaat, aan de in 1931 geschreven Le pendu du Saint-Pholien, in het Nederlands vertaald onder de titel: Maigret en het lijk aan de kerkdeur. Morgen meer over dit merkwaardig boek.

April 10th, 2005

W.F. Hermans is de Nederlandse Céline

Posted in: Literair — admin @ 10:10

Omdat deze zondag anders verloopt dan we hadden voorzien (wandeling in Zuid Limburg, gevolgd door een diner in Maastricht, samen met de rest van de familie) stort ik me maar op de digitale leesclub van de NRC, sinds kort in bedrijf. Lezers kunnen reageren op een Nederlandstalige klassieker. Deze maand staat ‘Ik heb altijd gelijk’ van W.F. Hermans centraal. Mijn bijdrage van vandaag druk ik hieronder af.
 

Willem Frederik Hermans
‘Ik heb altijd’ gelijk van Willem Frederik Hermans is een typisch tijdgebonden werk, noem het pamflet. Hij improviseert verder op de toon van Gerard Kornelis van het Reve, die op zijn beurt weer literair was geﮦecteerd door Louis Ferdinand Céline. Overigens, alle drie schrijvers uit de kopgroep van de literatuur. Ook bij Hermans klinken de morele bominslagen nog door: de Tweede Wereldoorlog vernietigde meer dan alleen huizen en personen. Alleen heeft Hermans zijn visie op de maatschappij vertaald naar de Nederlandse situatie. Het boek ademt absoluut de sfeer van de - eveneens verguisde - Franse schrijver Céline. De wereld waarin zij leefden (en wij dus ook) is per definitie gedoemd tot rampspoed en verderf. Het komt nooit goed, en in die zin is het werk een nihilistisch-filosofische benadering van de maatschappij en de wereld. We moeten echter niet in paniek raken bij deze defaitische stellingname, althans er niet op reageren zoals Morriën indertijd (1955) deed. Morriën trapte in de val die een open kuil was, gegraven door Hermans zelf. Zie hiervoor ook o.a. in de onlangs verschenen brieven aan Geert van Oorschot (ook al zo’n Nurks)de brief van 5 maart 1955, waarin Hermans reageert op de aanstaande publicatie van ‘De gruwelkamer van W.F. Hermans, of: Ik moet altijd gelijk hebben’. Hadden we maar meer auteurs van het kaliber Willem Frederik Hermans in Nederland, en minder navelstaarders die het moeten hebben van een niet overtuigend zich afzetten tegen hun jeugd, of geen oplossing hebben van hun seksuele frustraties. Wanneer staat er weer een Hermans op? Als laatste nog een opmerking. Overigens denk ik dat Hermans er op een of andere manier ook op geilde dat hij het volk zo in de gordijnen kreeg. Ik sluit dus af met een citaat uit bovengenoemde brief: ” Het is frappant hoe de gehele Nederlandse pers zich als een samenhangende stoot braaksel over mij uitstort. Ik heb hen klaarblijkelijk in hun diepste gevoeligheden geraakt. Ik vind het nog aldoor komisch”.

Louis-Ferdinand Céline

April 5th, 2005

Louis Paul Boon: de Kapellekensbaan revisited

Posted in: Literair — admin @ 18:24

Gisteren kondigde ik al aan het over het grote meesterwerk van de Nederlandse literatuur te gaan hebben. En ik was er, daar op de Kapellekensbaan. Grauwe fabrieksmuren in oktober. Maar Ondineke oogde fris. Het had dan ook pas geregend.

DE KAPELLEKENSBAAN (1953)

De Kapellekensbaan heb ik zo’n vijf jaar geleden voor de eerste keer gelezen. Ik had - zonder het te weten - jarenlang veel gemist. Het is een van de beste boeken uit de Nederlandstalige literatuur. Het is (voor degenen die hem kennen) geschreven in de jachtige stijl van Céline. Hijgend proza, dus, korte stukken tekst die aanvankelijk chaotisch overkomen maar naarmate het boek vordert allemaal hun eigen, passende plaats in het verhaal krijgen. Het is een boek over Aalst, en over de heldin Ondineke. Het verhaal van een leven dat vol idealen begint en al snel vastloopt in het armzalige, armoedige moeras van de brede arbeidersklasse aan de onderkant van de samenleving. Het speelt zich af eind vorige eeuw, maar herhaalt zich nog steeds honderd-, duizendvoudig overal in de wereld. Ook in België. De chaotische montagetechniek van Louis-Paul Boon is filmisch van aard, los van tradities, maar volkomen in de lijn met Eisenstein, Joyce en MTV. Het boek “begint nergens. Het is hier en daar en ginder en alles gebeurt tegelijk”. De Kapellekensbaan is het Dublin van James Joyce, het Berlijn van Döblin, het Brussel een oerwoud van Boon, gesitueerd in de fabrieksstad Aalst.
 
Het verhaal van Ondineke en het surrogaat-geluk in de vorm van het onaanzienlijke beeldhouwertje Oscarke wordt gelardeerd met fragmenten uit het dagelijkse leven van Louis-Paul Boon, zijn wedervaardigheden bij de krant, en een eigentijdse caleidoscopische verzameling Reinaert-verhalen. De gewiekste zegeviert in de maatschappij. Bij Boon is het niet anders. En anders zijn het de rijken wel.

Voor al die figuren die hij op laat draven (Monsieur Colson van tminnisterie, Johan Janssens de dagbladschijver (zijn alter ego), Tippetotje de schilderes enz. enz.) heeft hij een plek gereserveerd. Overdag komt hij ze tegen: thuis, op straat, op het werk; ’s avonds maakt hij er zijn teksten bij.
 
Het Aalst van Boon bestaat niet meer. De dekenfabriek en de garenfabriek zijn al lang verhuist naar de lage lonen landen. De armoedegrens is verschoven naar het oosten en het zuiden. Maar de geest van De Kapellekensbaan is er nog wel degelijk. Een paar jaar geleden las ik in ‘De Limburger’ een artikel van Jo Wijnen over de echte Kapellekensbaan. Van het standbeeld dat er was opgericht van Ondineke was alleen nog de eenzame sokkel te bewonderen. Blijkbaar is Boon voor heel wat huidige Aalstenaren nog steeds de ‘viesentist’ die maar beter niet zich maar beter niet literair zichtbaar in het stadsbeeld dient te vertonen. Misschien moeten we nog een paar jaar wachten, vooraleer de echte doorbraak van Louis-Paul Boon als de grootste Nederlandstalige schrijver zich definitief aankondigt.

April 4th, 2005

Berichten uit Boonland: verschijnt naar hartelust

Posted in: Literair — admin @ 17:38

Vorige week ontving ik als lid van het Louis Paul Boon Genootschap een ‘In Memoriam’ van Jeanneke Boon, de weduwe van Vuil Lowieke, de enige Nederlandstalige schrijver die mijns inziens de Nobelprijs voor literatuur verdiende. Maar niet heeft gekregen. Het ’In Memoriam’ verscheen in de reeks ‘Boon Berichten’ (Mededelingen en berichten van het Louis Paul Boon Genootschap; verschijnt naar hartelust, nummer 20, maart 2005). Het wordt dus hoog tijd om eens wat tijd te besteden aan de grote Aalstenaar. Vandaag de auteur, morgen zijn meesterwerk De Kapellekensbaan.

[op het moment dat ik dit zit te typen zie ik op tv dat het opgebaarde lichaam van de paus - in vol ornaat - de Sint Pieter wordt binnengedragen. Dagenlang zal het hier opgebaard blijven liggen. Vrijdag 8 april volgt de begrafenis. Miljoenen pelgrims worden verwacht.] 

LOUIS-PAUL BOON (1912-1979) en DE KAPELLEKENSBAAN (1953)

Vijfentwintig jaar geleden, op 10 mei 1979, stierf Louis-Paul Boon, aan een hartstilstand, op dag voordat hij te horen zou krijgen dat hij de Nobelprijs voor literatuur zou krijgen. Als eerste Nederlander. Het hoort en beetje bij de tragiek die Boons leven kenmerkt: nooit de erkenning gekregen die hem toekomt. De laatste jaren is er sprake van een zekere Boon-revival, misschien wel vooral omdat zijn stijl van schrijven zo opmerkelijk goed past in onze tijd: fragmentarisch, chaotisch, vervormend en erotisch geladen. Louis-Paul Boons proza is een tekstuele videoclip avant la lettre. 

Op 15 maart 1912 wordt Lodewijk-Paul geboren in een eenvoudige arbeiderswoning aan de Derdermondse Steenweg in het Belgische Aalst. De provinciestad Aalst onderscheidt zich van vele ander, prachtige Vlaamse steden door zijn gore arbeiderswijken, die niet ver verwijderd liggen van de gore textielfabrieken die sinds het eind van de 19e eeuw de stad in de vaart der volkeren moesten opstuwen. Achteraf is het misschien goed dat Lodewijk-Paul, later Louis-Paul genoemd, hier geboren is. De stad zal een enorme literaire voedingsbron voor hem blijken te zijn.

De literaire carrière kondigt zich niet onmiddellijk aan. Hij wil kunstschilder worden en hij schrijft zich derhalve ook in aan de Stedelijke Academie van Schone kunsten, maar hij moet de studie afbreken vanwege tijdelijke arbeidsongeschiktheid van zijn vader, die op dat moment rijtuig- en autoschilder is. Louis-Paul moet helpen het gezin Boon te onderhouden. Hij begint zich te interesseren voor het socialisme en het communisme.

Zijn huwelijk, in 1936, met Jeanneke de Wolf brengt hem naar een vervallen huurhuis aan de Gentsesteenweg te Aalst, dat hij het rattenkot noemt. Hij blijft zijn vader assisteren bij allerlei schilderklussen. Ondertussen bekwaamt hij zich ’s avonds in meer artistieke vormen van schilderen, creëert zich een bescheiden atelier. Overdag huisschilder, ’s avonds artiest. Daarnaast begint hij te schrijven. Leest Döblin (Berlin Alexanderplatz), Kafka (Das Prozess) en met name Louis-Ferdinand Céline (Voyage au bout de la nuit). Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. Céline bezorgt hem een brok van herkenning. Het pessimisme, de afwezigheid van ook maar het minste spoor van vertrouwen in de mensheid van de Franse arts-schrijver spreken hem aan.

Ook Céline zal nadat hij gewond is geraakt in de loopgraven (de modderkuilen) in de Vlaamse zuid-west hoek pas als schrijver op dreef komen. Bij Louis-paul Boon verloopt het niet echt anders. Hij wordt krijgsgevangen gemaakt en overgebracht naar Duitsland, Hannover. Zij detentie duurt echter niet lang, en eind 1940 kan hij al naar Aalst terugkeren. Lichamelijk uitgeput en mentaal gebroken door het gedwongen verblijf in Stalag XI B. Geen werk, depressies, uitzichtloosheid. Hij begint weer te schilderen en te tekenen, legt contacten met andere kunstschilders (bv. Maurice Roggeman).

Na de oorlog wordt hij lid van de communistische partij, levert kunst- en literatuurkritische bijdragen aan het tijdschrift De Roode Vaan. Al jaren daarvoor, vanaf 1942, is hij begonnen aan de eerste opzetten van Madame Odile, dat later kompleet herbewerkt zal gaan worden en dan De Kapellekensbaan zal gaan heten. Zijn werk voor kranten en tijdschriften breidt zich gestaag uit.

In 1953 verschijnt eindelijk De Kapellekensbaan bij de Arbeiderspers in Amsterdam, omdat Belgische uitgeverijen het niet aandurven dit gewaagde proza aan het volk te koop aan te bieden. Samen met Zomer te ter-Muren zal het boek een literair diptiek vormen dat op één van de weinige toppen staat in het Nederlandstalige literaire heuvellandschap. De beide turven zijn geen hapklare brokken waarvan er momenteel zoveel in de rekken van de boekhandel te vinden zijn. Het is doorbijten, maar wie weet door te zetten komt in een hallucinerend universum terecht.

Boon komt op dreef. Zijn romans beginnen te verschijnen met de regelmaat van de klok: Niets gaat ten onder (1956), De bende van Jan de Lichte (1957),, De Paradijsvogel (1958). Vanaf 1959 komen daar zijn befaamde Boontjes bij, zijn dagelijkse column in de ‘Vooruit’. Inmiddels is hij ook begonnen aan zijn ‘Fenomenale Feminateek’, een verzameling blote meiden foto’s die zal uitgroeien tot een collectie van zo’n 25.000 afbeeldingen. Het zal hem de benamingen voil Lewieken en viesentist opleveren. Dat kan niet goed gaan in het katholieke België van die tijd. De erkenning als baanbrekend schrijver blijft derhalve uit. Pas in 1966 is het zover. Europa wentelt. De nieuwe tijd komt er aan. Hij ontvangt de Contantijn-Huygensprijs.

In 1971 verschijnt de documentaire roman Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht. Het zal zijn meest bekroonde werk blijken te worden. In 1993 krijgt de film Daens net geen Oscar, maar de film oogst wereldwijd bewondering.

In 1972 publiceert hij zijn satirische pornoverhaal Mieke Maaikes obscene jeugd. Opnieuw wordt hij verguist. Hoewel zij literaire werk gestaag wordt uitgebreid, beginnen hem echter steeds meer de gevoelens te overheersen dat hij een mislukt schrijver en schilder is. Hij drinkt meer dan goed voor hem is, heeft zelfmoordgedachten en net als Picasso in zijn laatste jaren werpt hij zich voornamelijk op het schilderen van erotisch geladen taferelen. De literatuur volgt dit libidineuze spoor. Eén jaar voor zijn dood publiceert hij Eros en de eenzame man. In 1979 overlijdt hij.

Het eerbetoon komt een aantal jaren later. In 1982 wordt het Louis-Paul Boon Genootschap opgericht. Aanvankelijk verschijnen van dit genootschap, driemaandelijks, de ‘Berichten uit Boonland’, de laatste jaren - na ruzie in het bestuur - is het ‘Boelvaar Poef’ dat de geest van Louis Paul Boon levend houdt.

 
  • ON THE ROAD naar Santiago de Compostela

  • Sint Jacobus leidt me door braamstruiken en naar bierloze cafés

  • New York op doek: nieuwe schilderijen

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 20

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 19

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 18

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 17

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 16

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 15

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 14

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 13

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 12

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 11

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 10

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 9

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 8

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 7

  • Christo in Central Park New York

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 6

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 5

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 4

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 3

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 2

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN 1

  • Sleepless in Manhattan - intro

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 18

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 18

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 17

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 16

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 15

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 14

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 13

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 12

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 11

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 10

  • SLEEPLESS IN MANHATTAN

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 9

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 8

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 7

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 6

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 5

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 4

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 3

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico Garcia Lorca 2

  • Intermezzo: de Vuelta in Venlo 2

  • Intermezzo: de Vuelta in Venlo 1

  • Andalusië: tapas en manzanilla met Federico García Lorca 1

  • BINNENKORT IN DIT THEATER: ANDALUSIË

  • Hermitage: het zomerpaleis van Nicolaas II aan de Amstel

  • Wajauw? Met Ahmed Marcouch en Hans Laroes naar Brooklyn aan de Maas

  • Luik: van nu en toen, van Calatrava en Les Olivettes

  • Geen Pim Pandoer, wel Beethoven in ’s Heerenberg

  • Spaanse La Notte in het Hollandse Slot Loevestein

  • Van Gogh en de kleuren van de nacht in Amsterdam

  • Opnieuw de ruimte in: A Space Odyssey 2

  • Schilderen: een lange winter met gebrande omber sienna

  • Paradise by the dashboard light

  • Shipbreaking op doek. Met dank aan Edward Burtynsky - Work in Progress

  • Ode Maritima aan Fernando Pessoa

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 16

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 15

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 14

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 13

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 12

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 11

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 10

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 9

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 8

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 7

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 6

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 5

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 4

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 3

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 2

  • Manhattan Transfer - New York City Blues - 1

  • MANHATTAN TRANSFER

  • Corrida aan het einde van de Indian Summer

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 14

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 13

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 12

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 11

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 10

  • Intermezzo: Lucien zingt Lee Towers

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 9

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 8

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 7

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 6

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 5

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 4

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 3

  • Valencia: Tapas op de Feria van Calatrava 2

  • Valencia: tapas op de Feria van Calatrava 1

  • VALENCIA: tapas op de Feria van Calatrava

  • Feria Andaluza in Boom België, of all places

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 15 / slot

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 14

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 13

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 12

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 11

  • Corazón onder de Sheltering Sky van Andalusië 10

  • Powered by ME :) !! en MainCore
    Blog (c) WordPress 1.5 Theme created by McMike and Mr-Godd