Christo in Central Park New York
Christmas Greetings from Central Park New York

Tapas en serranoham bij de Vuelta in Venlo
The Day After. Even over half elf ben ik weer terug bij de VUELTA. Nu op het Venlose Nolensplein waar even na half twaalf de etappe naar Luik van start zal gaan. Het is nog droog, en redelijk warm. Maar dat zal in de loop van de dag wel anders worden. Regen, regen en regen. De renners zullen aan het einde van de dag blij zijn deze Arctische omstandigheden in te kunnen ruilen voor de subtropische omgeving van het Iberisch schiereiland.
Ik loop onmiddellijk Peter tegen het lijf. Hij heeft de veren weer losgeschud en wil, net als ik, het spektakel tot de laatste druppel naar binnen werken. De sfeer is anders dan gistermiddag. Het publiek ook. Dat is nu een stuk grijzer. Werkschuw seniorenvolk. Het Duitse kooppubliek dat uit de onderaardse parkeergarage naar de open lucht van het Nolensplein klimt om vervolgens direct richting ‘Zwei Gebrüder’ in te slaan, staat verbaast met de ogen te knipperen: “Was sist hier los? “ Nou, gewoon de Ronde van Spanje in Venlo. Een spektakel dat de Germaanse Kaffeerunners niet echt aanspreekt, zo te zien.
Voordat ik vanmorgen vertrok heb ik thuis nog even gekeken op de officiële website van de VUELTA (www.lavuelta.com). Wil wel eens weten wat de Spaanse organisatie over Venlo te vertellen heeft. En lees onder andere: El centro histórico de la ciudad es un lugar donde se reúnen los habitantes del municipio, reina un ambiente acogedor y cordial y los numerosos restaurantes, terrazas y bares reciben muchos visitantes. Voor de burger vertaald: De historische binnenstad is een plek waar de mensen uit de gemeente bij elkaar komen. Er hangt een gezellige, gemoedelijke sfeer en het centrum wordt druk bezocht. Er zijn veel gezellige terrasjes, restaurants en café’s. Het kon slechter. En bovendien, het is nog waar ook. In ieder geval voor wat gisteravond betrof. Terug naar de actualiteit van de dag.
De Nederlandse en de Spaanse speaker ontvangen op een breed podium de uitgeslapen coureurs. Langzaam druppelen ze op hun fiets de omheining van de Vuelta-kraal binnen. Even verderop staan de VIP’s aan de verschillende buffetten hun hunkerende magen al te vullen met serranoham, tapas en manchego kaas. De glazen wijn gaan ook op dit matineuze uur al routineus naar binnen. Om je heen een bonte mengeling van stevig aangezet Spaans en nerveus Nederlands.
Nadat de renners op het podium de presentielijst getekend hebben worden de vedetten, voordat ze het podium weer afstappen, opgevangen door de speaker. Een kort interview. Terugkijken op de afgelopen dagen. De prognose voor de dag die komen gaat. Heldendaden uit het verleden. Applaus van de tegen de dranghekken aandringende toeschouwers voor Andy Schleck. Of de Nederlandse bergkoning Lars Boom. En natuurlijk voor de leider van het klassement, de Zwitser Fabian Cancellara. Op dat ogenblik weet hij nog niet dat ook hij aan het einde van de dag, vlak voor de finish, slachtoffer zal zijn van de grootste valpartij ook. Want een paar kilometer voor de eindstreep zal het complete peloton onderuit gaan door de ijzersterke combinatie van glad wegdek, snelheid van het peloton, Belgische rotonde vol regenwater, en hoge betonnen trottoirranden.
Om vijf over half twaalf knippen burgemeester Bruls van Venlo en de wedstrijdleider het Spaanse en Nederlandse lint door. De etappe kan beginnen. De bonte meute gaat er gelijk op volle snelheid van door. De groene jongens van Liquigaz nog even als groep bij elkaar, de Astana’s verspreid over het langgerekte peloton evenals de blauwe boys van Quick Step. De Astana’s uit Kazachstan houden zich gedeinst: immers, onzekere tijden voor de ploeg. De nationale trots van de Rabobank heb ik niet zo snel in het vizier. Ik kijk alleen maar tegen ruggen aan. Nog even een rondje Venlo en dan is het zootje de stad uit. In de richting van het Nederlandse hooggebergte. De Cauberg als scherprechter? Ik denk van niet. En dan door de al even zompige Voerstreek om te eindigen in het centrum van Luik, dicht bij het nieuwe wereldwonder van de Spaanse architect Santiago Calatrava, het nieuwe supersonische TGV-station in een sjofele wijk aan de rand van het centrum. De geur van Valencia die de walm van dikke vette friet moet verdrijven.
Als het peloton eenmaal op weg is kennen anderen gelijk hun taak. De dranghekken moeten verwijderd. De promotionele tenten moeten worden afgebroken. En alle VIP’s moeten hun loge verplaatsen naar de rand van de Ardennen. En vanavond weer het vliegtuig in naar Reus, bij Barcelona. Een dag rust. En dan gaat het pas echt beginnen. Van Tarragona naar Madrid. Via de Sierra Nevada, Granada en Cordoba. Een paar weken geleden reden we daar zelf nog rond.
De openstelling van de Vuelta-kraal heeft als voordeel dat je er nu zo naar binnen kunt wandelen. En het heeft nog meer voordelen. Want de restanten van de culinaire ontbijtshow staan te grabbel. Op die manier pik ik toch nog mijn graantje mee. De roodkleurige tapas (mengsels van tomaat, vlees, olijven en andere ingrediënten) zijn veil. De laatste plakken serranoham worden van het bot gesneden. De driehoekjes manchego kaas liggen te uitdagend te glimmen om ze te laten liggen. Alleen aan de wijn waag ik me nog even niet op dit uur. Calvinistisch gedrag. Maar die achterstand haal ik vandaag nog wel in.
Even uit de rails bij de Vuelta, de Ronde van Spanje in Venlo
Ben jezelf niet in Spanje, dan komt Spanje wel naar je toe. De VUELTA in Nederland, hoe bizar kan het zijn? Nog bizarder: de VUELTA komt naar Venlo! Er is een groots onthaal aangekondigd. De stad is er klaar voor. De jaarlijkse Parkfeesten woeden al sinds een paar dagen, en dan kan de VUELTA er ook nog wel bij.
Met Wolf dus naar Venlo op deze stralende zomerdag. Om half vier met Peter en Alcidie afgesproken op de Markt waar de hele middag de Bandera Latina voor het Iberisch gevoel moet zorgen. Mediterrane en Zuid-Amerikaanse muziek. Als je je ogen dicht doet is het of je de rumba flamenca van de Gipsy Kinks hoort. Aan de rand van het met terrassen gevulde plein heeft zich het Spaanse Verkeersbureau genesteld. Daar is paella te krijgen. Maar ik wil geen kater oplopen. Net in Spanje geweest, en daar voldoende uitstekende paella naar binnen gewerkt. Die nasmaak wil ik even koesteren.
Voor het overige valt het met de Spaanse invloed in het centrum van de stad wel mee. Nauwelijks een Spaanse vlag te bekennen. De handel gaat gewoon door. De Duitsers laten zich niet gek maken. En bij de Zwei Gebrüder worden de winkelkarren misschien nog wel voller geladen met Kafee. Of Kartoffeln. Daar heeft de VUELTA geen enkele invloed op.
Toch loopt er nog wel eens een verdwaalde flamencojurk rond. Wolf en Alcidie wapperen met hun Spaanse abanicos (waaiers) om het Iberisch klimaat - het is 26 graden - op hun manier te versymboliseren. We vinden een vrije tafel op het terras van Café Central. Geen wijn , maar bier bij deze temperatuur.
Om kwart over vijf wandelen we richting finish aan de Deken van Oppensingel. Daar staat het inmiddels rijen dik. Bij de meet komen is er niet meer bij. Dan maar honderd meter daarvoor. Wachten op het peloton. Ondertussen zoeft de bescheiden reclamekaravaan voorbij. Of kolonnes motoragenten. De coureurs liggen wat achter op het wedstrijdschema, maar tegen kwart voor zes zoeft het peloton aan je voorbij. Wie er gewonnen heeft dat hoor je een paar minuten later via de speakers: de Nieuwzeelander Henderson. Ken ik niet, maar ik ben ook geen doorgewinterde wielerfanaat. Als de hele meute voorbij is volgen de auto’s van de ploegleiders. Op het dak van de wagens de reservefietsen in slagorde. Stalen geweien blinkend in het zonlicht. Quick Step. Astana. Euskaltel. Lampre. Saxo Bank. En ga nog maar even door. Natuurlijk ook de nationale trots Rabobank. Die na de afgelopen Tour de France misschien iets minder trots geworden is. En: Xacobeo Galicia. Speciaal voor mij in deze ronde. Als opwarmer voor mijn fietstocht met Peter naar Santiago de Compostella, in de lente van 2010. De renners maken onmiddellijk na de eindstreep rechtsomkeert waardoor je er een aantal toch nog redelijk kunt fotograferen. Iets wat bij zo’n massasprint natuurlijk niet echt mogelijk is.
Uit de verte ziet mijn camera dat Cancellara in de gouden leiderstrui gehesen wordt. Nadat de huldigingen achter de rug zijn kun je wat dichter bij het hele spektakel komen. De tv-camera’s zwiepen nog even wat op en meer. Bij de medische controlepost wordt nerveus heen en weer gelopen. Op het gigantische scherm worden de rondemissen nog fraaier in beeld gebracht dan ze al zijn. De uitslagen van de verschillende klassementen scrollen voorbij. De laatste officiële promotionele Vueltapakketten worden aan de man gebracht. De blauwe Spaanse motorbrigade puft uit na de rit Zutphen-Venlo. Bobo’s met onduidelijke opdrachten doen zich te goed aan het beeld van de pitspoezen. En om me heen een duizendvoudige wielergekke menigte. In de verte hoor ik de onvervalste keiharde muziek van de Venlose joekskapel ‘Sokkerpaek’ (o.a. met oud-collega’s André en Karel). Erop af!
Het zootje ongeregeld blaast naast keiharde muziek ook stukjes long naar buiten. Of gemarineerde nier, dat ben ik even kwijt. Want naast heel hard blazen kunnen ze ook heel snel drinken. Tussen de verschillende nummers door (‘Viva Espana’) gaan de volle dienbladen van muzikale hand tot muzikale mond. ‘Het kleine café aan de haven’ blijkt Hotel Americain, want op die plek wordt er oorverdovend gemusiceerd. En gedanst. Zelfs de buitenlandse bestuurders van de volgwagens weten niet wat ze horen. Dit heeft niks meer met flamenco te maken. Dit is gewoon onvervalste kroegmuziek. Op straat. Maar wel bij Spaanse temperaturen. Want ook al gaat het nu naar de avond toe, het blijft Iberisch warm. Een zwoele zomeravond in Venlo. Van de coureurs geen spoor meer, maar ging het eigenlijk niet meer om de randverschijnselen? Het wordt tijd voor een glas.
Op de parade is nog plek. Het worden glazen witte wijn. Aan de smaak te proeven van inferieure Duitse herkomst. Te duur voor de vermeende kwaliteit. Helaas was er geen Spaanse Cava te koop, anders zou die optie meer voor de hand gelegen hebben. We doen het er dus mee. Na een uur of zo een stevige wandeling: vier meter naar rechts. Daar is het terras van het Italiaanse restaurant Portofino. Er komt net een tafel vrij. Nu wordt het Italiaanse witte wijn. Beter maar ook te duur (3 euri per glas) voor de kwaliteit die geboden wordt. Gemma en Peter storten zich op een pizza met zeedieren. Alcidie en ik houden het op lasagna met zalm en kreeftjes (die kreeftjes heb ik niet gezien). De lasagna is redelijk, maar te papperig. De pizza’s veel te zout. De baas is er niet blij mee als dat wordt opgemerkt. En riposteert met “je hebt hem toch opgegeten?”. Nederlandse horeca-horkerigheid met een Maffiose rand.
De avond is nog niet afgelopen, hoewel het al een tijd donker is. De temperatuur blijft mediterraan. En daar beginnen de jongens van ‘Sokkerpaek’ al weer te tetteren. Hebben even een drinkpauze ingelast en gaan nog met herwonnen levenskracht door. Oorverdovend, dus. André is al bezweken onder de druk en is naar huis. Karel lijkt tot het einde door te kunnen gaan. De bar is nog open. Dus wordt er opnieuw een overlevingspakket besteld. Inmiddels is de polonaise al in volle gang. Oma in haar scootmobiel heeft een duopassagier op haar schoot genomen, en draait wat pirouettes op de Parade. Mevrouw Wijdbeens swingt alles wat ze in huis heeft uit haar te wijde broekpak. En de Grote Trom moet soms even uithijgen op een inderhaast aangesleepte barkruk, of opzij springen voor een passerende taxi. Kortom: de VUELTA in Venlo gaat gewoon door. Met of zonder Tom Boonen, Fabian Cancellara of Oscar Freire.
Gemma en ik hebben nog een fikse wandeling tegoed naar Blerick, want daar hebben we ’s middags, de Vuelta-drukte vrezend, de auto geparkeerd. Maar ook op deze zomeravond houden de donkere Wachters van Shinkichi Tajiri op de Maasbrug de wacht over je. Een rustgevende gedachte.
Van 19.00 uur tot bijna half elf vindt er een symposium over de problematiek van de Marokkaanse jongeren plaats onder de titel ’Wajauw – wat is er aan de hand?’. Uitgenodigd hiervoor zijn niet de eerste de besten. Naast Hans Laroes verschijnt ook (met vertraging, want autopech) de Marokkaanse deelraad voorzitter van Slotervaart (Amsterdam), de Rotterdams - Marokkaanse socioloog Illias Elhadioui en de Venlose wethouder Jan Lamers (Welzijn en zorg). Uiteraard mag ook John Bierman, de campusdirecteur, achter de forumtafel kruipen.
In de pauze is er Marokkaans cabaret. Relativeren over de vooroordelen van Marokkanen en Nederlanders. Soms is het hilarisch. Humor, dat is wat we nodig hebben om de spanningen tussen allochtoon en autochtoon weg te nemen. Lachen om elkaars gewoontes. Als dat kan ben je ver genoeg.
Daarnaast moet de onderliggende partij niet al bij voorbaat de zielige rol aannemen, dat thema komt bij verschillende sprekers (Marcouch, Elhadioui, Lamers) wel terug. Praktijkvoorbeelden wisselen af met theoretische onderbouwingen. De theorie komt overigens voor het grootste gedeelte van de socioloog Elhadioui die indruk maakt met zijn scherpe analyse over de discrepantie tussen de thuis-, school- en straatcultuur waarin de Marokkaanse jeugd zijn weg moet zien te vinden. Dat het daarbij niet gemakkelijk is de gemakkelijk geld verdienende, en in te dure auto’s rijdende macho’s als helden aan de kant te zetten, dat lijkt me geen makkie voor de gemiddelde Marokkaanse jongere (vooral jongens, overigens).
Buiten het zich van de ouders worden nieuwe normen en waarden gecreëerd, zoals weerbaarheid, onkwetsbaarheid, waakzaamheid en succes. Geweld, brutaliteit, materialisme, uiterlijk vertoon, anti-intellectualisme, een rebels karakter, straattaal, minachting van de vrouw (als object) en een voorliefde voor de gangstercultuur, het behoort allemaal tot de instant blingbling waarmee veel Marokkaanse jongeren de rest van de wereld de ogen uit wil steken. Het gedrag begint zelfs terrein te winnen bij andere etnische groepen, zelfs de autochtone. Een stevige mismatch tussen schoolcultuur en straatcultuur is daardoor bij voorbaat gecreëerd.
Waarbij de straatcultuur staat voor: snel geld verdienen, weinig structuur, anti-formele regels, dynamiek, doen, agressie en geweld, machogedrag, straattaal, en ‘bijdehand’ zijn met de mond. En de school, ‘ocharm’, zich moet tevreden stellen met: discipline, structuur, orde en regels, denken, geduld, zelfbeheersing, argumenteren, ABN , en ‘bijdehand’ zijn met de pen. Werelden van verschil.
Wat me opvalt is dat het woord islam de hele avond niet valt. En ook dat er nauwelijks gesproken wordt over de zwakke sociale (zowel cultureel els financieel) positie van de Marokkaanse jeugd die de problemen overal veroorzaakt. Vreemd.
De discussie graaft overigens niet erg diep, maar duidelijk is wel dat de huidige crisis en de aankomende massawerkloosheid geen gunstig substraat is waarop integratie en assimilatie welig gedijen. Een handicap daarbij is dat Nederland, Rotterdam en Blerick geen New York zijn. Chinatown, Little Italy, Koreatown en binnenkort de Barrio Mexicano vormen daar geen bedreigingen meer. Harlem, Brooklyn en de Bronx zijn er gedomesticeerd, en iedereen draagt zijn allochtone karakter met verve uit. In de subway staan alle aanwijzingen zowel in het Engels als in het Spaans. In de melting pot is voor iedereen plek. Voor elke cultuur, voor elke taal. Daar steekt de Nederlandse, calvinistische, altijd bezorgde maatschappij wat wereldvreemd bij af. Rotterdam is nog lang geen global village, zolang elke jonge Rif-Marokkaan gezien wordt als een geadopteerde zoon van Bin Laden. En Oud West beschouwd wordt als een dependance van Tora Bora. De verweesde samenleving van blonde Geert.
Om elf uur rijdt opnieuw de taxi voor. Nu de Audi van Peter. Hij zal ons naar Luik vervoeren. Uiteraard zijn de dames ook mee. De auto raken we kwijt op de laatste vrije plek bij de Saint Pholien, want het is er vanwege de grote wekelijkse rommelmarkt (brocante) gigantisch druk. Het weer is uitstekend: zon, wat bewolking zo nu en dan, en 21 graden.
Na een bak stevige koffie op een van de terrassen aan de Place de la Cathédrale is het tijd voor een stevige wandeling via de Boulevard d’Arvroy naar het nieuwe treinstation van Guillemins. Weer een kunstwerk van Santiago Calatrava. Het zal een dikke 20 minuten lopen zijn. En dan klapwiekt plotseling uit de negorij van de stoffige stationsbuurt de zoveelste witte vogel van glas, beton en staal op. Wit uiteraard. Zoals de meester uit Valencia gewoon is.
Hoewel uit verschillende publicaties zou kunnen blijken dat het TGV-station zo goed als af is (‘de laatste hand”), de werkelijkheid is anders. Rondom het gebouw is het nog een enorme bouwput. En ook het station zelf is nog lang niet af. Immense steigers laten werklieden zien die bezig zijn met het plaatsen van het glas. Op andere plekken zijn de glazenwassers al bezig, lopen over de glazen platen in het hemelplafond. De rest van het station zit ook behoorlijk onder het stof, dat vanuit de bouwput en door het af en aan rijden van vrachtwagens alle kanten uit neerslaat. Naar mijn mening zal het nog wel en jaar duren voordta de zaak af en onder controle is. Toch functioneert het gebouw al als treinstation. Het is er echter niet druk.
We lopen over een paar perrons. Je voelt je als een lilliputter onder het majestueuze gewelf. Indrukwekkend. Alsof je in Valencia rondloopt. Jammer is dat het gebouw niet de ruimte gekregen heeft die het verdient. Aan de ene kant wordt het ingesloten door een met veel groen begroeide helling. Aan de andere kant ligt de verloederde wijk, Sjofele arbeidershuizen. En aan open, zanderig busstation. Als Luik weer geld heeft (maar met de huidige kredietcrisis en het imploderen van de staalindustrie hier) zal de voorziene renovatie van de wijk nog wel een aantal jaren op zich laten wachten.
Omdat het inmiddels een uur of twee is, wordt het tijd voor de lunch. Het wordt een van de tegenover het station liggende restaurants. Eenvoudige kost: een grote zanderige salade met dikke Waalse frieten. Met een glas bier. Daarna terug naar het centrum. Lopend. En het is inmiddels behoorlijk warm geworden.
Een terras in de buurt van het Palais des Princes Evêques voor de volgende verfrissing van de dag. Snerpende politiesirenes doorklieven het soezelen. Hier gaat een auto- en motorrally van start. Vervolgens klimmen we naar de bovenstad, een wandeling die over de hoge flanken van de stad naar de Citadelle voert. Uitzichten en dode straatjes zonder leven, hoewel het in de nauwe straatjes een aaneenschakeling van straatjes in. En dan sta je ineens boven op de hoge klif van de Montagne de Bueren die je via 373 treden terugvoert naar het centrum van Luik. Zelf stappen, natuurlijk, en je zo nu en dan vastgrijpen aan de stalen middenleuningen. Als je beneden staat, vindt je dat je terecht een kelk Leffe Brune verdiend hebt. En op de Place du Marché is dat geen probleem. Ook daar zitten de terrassen vol, maar we vinden een plek in de zon. De Leffe gaat erin als wijwater in een dominee.
De poten beginnen aardig te branden, maar als gids moet ik Peter zien af te matten (het zal me niet lukken): alvast een straffe training voordat we volgend jaar naar Compostela fietsen. Door maar weer, naar het gerenoveerde quartier met al die fraaie impasses, in de buurt van de fraaie Saint Barthelémy (helaas is het al na vijf uur, en is de schitterende doopvont niet meer te bewonderen),
Terug naar het centrum is het even overleggen over de rest van het programma. Maar eerst weer aandacht voor de inwendige mens. Op het Place de la Cathédrale eten we een aantal gargantueske schotels weg: steaks grillé, met dikke Waalse frieten en salade. Zelf hou ik het op een typisch Belgisch gerecht: tête de veau. Het smaakt voortreffelijk. Om een uur of negen valt de rekening op tafel: bijna 86 euri. Buiten is het nog redelijk licht, en nog aangenaam van temperatuur. Voor het dessert stel ik een bezoek aan Les Olivettes voor. ‘s Morgens hen ik er in het voorbijgaan al op gewezen. Een café-chantant zoals je er bijna geen meer vindt.
Het is er nog leeg als we binnen stappen. Madame Pipi (de mollige toiletjuffrouw) zit wat voor zich uit te suffen, en luistert naar de pianomuziek van de jonge Gaston (ik noem hem voor het gemak maar even zo. Achter de bar worden glazen gespoeld.
Om ons in de juiste stemming te brengen begint Gaston onmiddellijk zijn zangrepertoire ten gehore te brengen. Zolang we er zitten zal hij van geen ophouden meer weten. Het wordt geleidelijk ook drukker, want het publiek komt op de muziek af als vliegen op het licht. Franse chansons. Bécaud zingt Nathalie - La Place Rouge était vide. Maxime le Forestier of de Waals-Italiaanse mijnwerkerszoon Adamo. Tombe la neige. Zo nu en dan kan hij het niet laten er een Amerikaans nummer tussendoor te gooien. Madame Pipi verdwijnt naar de toiletten in de kelder. Daar moet het geld verdiend worden.
Ik ben al aan mijn tweede Leffe Brune, als er een groep Fransen binnen stapt. Een van de heren wil ook wel eens achter de microfoon. Had ie beter niet kunnen doen. Het is niet allemaal vals wat ie zingt, maar ik hoor toch liever Gaston. Die neemt het roer (de micro) daarna weer snel over en gaat er met nog meer volume tegenaan. Hij ramt de toetsen als een Amerikaanse GI die een Vietcongstrijder uit de bosjes gesleurd heeft. Maar het moet gezegd: hij heeft een fantastische stem. Elvis Presley, dan maar. Om weer snel terug te keren naar het vertrouwde repertoire van Yves Montand, Juliette Gréco en Edith Piaff. Want hij doet alles.
De tent zit bijna vol, als we tegen elf uur opkrassen. Er staat nog een wandeling naar de Saint Pholien op het programma. Aaneengeregen weerspiegelen zich de lichten van de straatlantaarns in het gladde, zwarte water van de Maas. En daarna een rit van bijna anderhalf uur. Langer zelfs, want even voorbij Maastricht staat alle verkeer meer dan een kwartier compleet stil op de autoweg. Als alles zich weer in beweging gezet heeft, is ook duidelijk waarom. De autoweg was even volledig geblokkeerd vanwege een uitgebrande auto, midden op de rijbaan. Veel brandweer en politie. Het wrak lijkt uitgeblust. Als we er voorbij rijden staat de sleepdienst al klaar. Inpakken en wegwezen. Om half een terug op de basis. Van Calatrava naar Les Olivettes: het lijkt op het eerste gezicht een anomalie, maar het kon. In Luik. Op een zonnige zaterdag in mei.
Om half drie vertrekken we richting Hollandse Waterlinie. Hoewel we ’s avonds pas om acht uur in Slot Loevestein moeten zijn voor een concert in de reeks ‘Kastelenserie’. Het weer wordt er gaandeweg steeds beter op. Voorlopig nog zon en wolken, maar tegen het einde van de middag zal het onbewolkt en warm zijn. Op dat ogenblik lopen we door het oude stadje Heusden, een parel in het rivierengebied. Vooraf even langs Slot Loevestein gereden, waar op dat ogenblik nog weinig te doen is. Bonte schapen grazen in de weilanden aan de slotgracht. Ganzen en andere watervogels schrikken op en klapwieken de lucht in. Hier, bij de samenkomst van de Waal en de oude Maas, zijn de uitzichten wijds. Soms wreed verstoord door een plompverloren neergedaalde bedrijfshal. Fraaie dijkhuisjes in het dorpje Poederoijen waar Slot Loevestein toe behoort.
De vestingstad Heusden ligt nog zo’n 15 kilometer van Loevestein, maar dat is, over de goede wegen, snel te doen. Ik plant mijn auto neer aan de rand van het dorp. Daarna wandelen we rustig naar het centrum. Lommerrijke entree boven een met eendenkroos bedekte grachtjes. De meeste oude gevels zijn gerestaureerd. Het doet allemaal wat aan Grave denken, hoewel het hier nog iets authentieker aandoet. Tot aan de haven lopen we door. Fraaie molens en een ophaalbruggetje markeren het oer Hollandse karakter van het oude vestigstadje. In de directe nabijheid van het binnenhaventje liggen een aantal terrassen in de zon. Op een daarvan strijken we neer. Het is er al aardig druk met eters en drinkers.
Bij De Klepperman smaken de grote glazen witte Spaanse wijn ongelooflijk goed. Dat nodigt uit tot eten, want De Klepperman is tevens een gerenommeerd visrestaurant. Ondanks de aantrekkelijke menu’s op de kaart overtuigt de baas ons van de dagaanbieding: een grote moot zal met verse asperges. Hij trekt ons moeiteloos over de streep. Een half uur later blijkt hij meer dan gelijk te hebben: het is een voortreffelijk menu. Zelden zo lekker (zelfs niet in het Noord Limburgse) asperges gegeten. En dat op een zonovergoten terras aan de Bergsche Maas, in het oude vestingstadje Heusden. Tegen 19.00 uur krassen we op. De laatste afspraak, en ook het doel van de dag, wacht immers: Slot Loevestein. Binnen een half uurtje, inclusief de wandeling terug door het dorp, zijn we er.
WIKIPEDIA: Heusden is een gerestaureerde vestingstad in de Nederlandse gemeente Heusden, gelegen aan de Bergsche Maas. Het telt momenteel 1500 inwoners (2007). In 1968 is begonnen met het in oude stijl restaureren van de vestingstad Heusden. Dit grootscheepse restauratieproject loopt al veertig jaar. In deze tijd is veel bereikt, maar de restauratie gaat nog altijd door.
De stad kreeg in 1318 stadsrechten, maar verschillende bronnen vermelden ook andere jaren. Al in het jaar 1210 wordt van een kerk te Heusden melding gemaakt. Heusden was een van de eerste Nederlandse steden met een stadsmuur en werd gebouwd op de strategische grens tussen Brabant, Holland en Gelre. Jacob Kemp ontwierp aan het einde van de 16e eeuw een moderne omwalling volgens Oud Nederlands vestingstelsel. Later werd deze uitgebreid tot de huidige vorm. De vesting heeft vele oorlogen meegemaakt, en lange tijd wist men niet hoe de vestingwerken gerestaureerd moesten worden. Later besloot men dat er een restauratie volgens de kaart van Blaeu uit 1649 moest uitgevoerd worden, inclusief de soms onhandige indelingen.
Heusden heeft - na de restauratie van 1978 - negen bastions, zes ravelijnen, een beschermend eilandje en een natte gracht. Op enkele bastions staan molens en torens. Verder was Heusden ook de geboorteplaats van Gisbertus Voetius (1589-1676).
Hoewel Heusden nooit door de Spaanse troepen belegerd is, vielen toch vele rampen Heusden ten deel. Meerdere keren werd de stad getroffen door de pest. Tijdens de grote brand in 1572 werd bijna de hele stad in de as gelegd. Van het prachtige stadhuis was niets meer van over. In 1680 vond de verwoesting van het kasteel door blikseminslag plaats. De laatste tragische gebeurtenis vond plaats tijdens de laatste gevechtshandelingen in Nederland van de Tweede Wereldoorlog. Terwijl de geallieerden oprukten, zochten de Duitsers hun heil achter een nieuwe linie (de Bergsche Maas). Zij lieten de hoogste punten in de vesting, het stadhuis en twee kerktorens, opblazen. Dit deden de Duitsers ook elders, teneinde de oprukkende geallieerden te beletten hoge gebouwen als uitkijkposten te gebruiken.
De avond daalt langzaam neer over het eeuwenoude slot. Bij binnenkomst word je middels een bronzen plaquette al gelijk herinnerd aan de miraculeuze ontsnapping van Hugo de Groot in de befaamde boekenkist.
Antichambreren in een van de zaaltjes. De grote kandelaars worden al aangestoken. In de hoek grijst een opzichtig opgemaakt bed met baldakijn. Het zaaltje is vanavond omgebouwd tot foyer. De glazen wachten op drinkers. Maar die moeten tot de pauze geduld hebben.
Om kwart over acht start het muzikale deel van de avond, onder de titel: La Notte / La Musique de la Chambre du Roi. Met onder andere muziek van Lully, Clerambault, Monteclair, Delalande, Marais. Muziek uit de tijd van (onder andere) de Franse Zonnekoning Louis XIV. Maar hij zal naar die muziek geluisterd hebben in heel andere entourages. Geen onttakelde Loevesteins. De uitvoerenden hebben allen (3) Spaans (linguïstisch) bloed in de aderen: Nuria Rial (sopraan) en Sergio Alvares (viola da gamba) zijn van 100% Spaanse origine; en Juan Sebastian Lima (luit) is helemaal uit Argentinië ingevlogen.
De entourage doet het helemaal. Grote kandelaars met batterijen kaarsen werpen hun flakkerend licht de donkere ridderzaal in. Het publiek is bijna zonder uitzondering minstens grijs en 55-plus. En blank. La Notte blijkt niet zomaar als motto aan het concert te zijn meegegeven. De ijle klanken (samen met de steeds donker wordende lucht die door het glas in lood nog net te zien is) zouden je zomaar in slaap kunnen wiegen. De inmiddels gerenommeerde Spaanse sopraan zal tijdens het hele concert (ze zingt niet bij alle nummers) blijven zitten. Fantastische stem. Maar de Argentijnse luitspeler doet in muzikaliteit absoluut niet voor haar onder. Virtuoos, en soms heel verstilt, snarenspel. Kortom, een niet alledaagse muziekuitvoering. In de pauze toch nog maar een glas (maar nu rode) wijn naar binnen gewerkt. Het komt het gehoor alleen maar ten goede.
En dan moet je nog door het nachtelijk duister naar huis. Anderhalf uur voor de boeg, want onderweg krijgen we ook nog met file te maken. De A2 is één grote bouwput. Zelfs ’s nachts wordt er doorgewerkt. ‘s Middags had ik kilometers lange files zien staan tussen Zaltbommel en Den Bosch. Die zijn weliswaar niet meer kilometers lang, maar die ene rijstrook waarop het nachtverkeer wordt gedwongen te rijden, zorgt toch nog voor een behoorlijk oponthoud. Over Eindhoven (daar ook sluipdoor routes op de A2, maar geen echt oponthoud) en dan richting Venlo. Even na middernacht zijn we thuis. Wel een glas wijn verdiend voor het slapen gaan. La Notte in Limburg.
WIKIPEDIA: Loevestein is tussen 1358 en 1375 gebouwd door Dirk Loef van Horne, heer van Altena. Tot 1397 zijn enkele delen nog wat verhoogd dan wel gewijzigd. Het verrees op een strategisch gelegen landtong, op de plaats waar de rivieren de Maas en de Waal zich verenigen tot de Boven-Merwede. Het werd gebruikt om tol te heffen. Omdat de omringende grond, het Munnikenland, nogal eens onder water wilde staan, was het echter nooit een aantrekkelijk woonhuis voor edellieden. Zo heeft zich een merkwaardige geschiedenis op Loevestein kunnen voltrekken. Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten was Loevestein een gevangenis voor tegenstanders van Jacoba van Beieren. Ook tijdens de Republiek was Loevestein een staatsgevangenis:
Hugo de Groot zat hier vanaf 1619 een levenslange gevangenisstraf uit, tot hij in 1621 ontsnapte in een boekenkist. In 1631 ontsnapten zeven remonstrantse dominees in een leeg bierfust.
In 1650 liet stadhouder Willem II een zestal statenleden opsluiten op Loevestein, onder wie Jacob de Witt, burgemeester van Dordrecht. De internering was aanleiding voor het ontstaan van de benaming Loevesteinse factie voor de staatsgezinde, antistadhouderlijke groepering in de Republiek. Vanaf de 17e eeuw maakte Loevestein deel uit van de Hollandse Waterlinie.
Vroeg wakker vanwege het harde radiolawaai bij het pasgetrouwde stel naast ons. Zes uur is het. Vrienden hebben het blijkbaar zo afgesteld, dat het geluid niet weg kan. Ze hebben niet alleen de woonkamer omgebouwd tot Chinees restaurant, en de badkamer vol laten lopen met ballonnen (dus ook het geluid van knappende ballonnen), maar ook deze zondagmorgen muziek door de muren geperst. Ik neem aan dat het hierbij blijft.
Om tien voor negen zijn we al op weg naar Boom (in België), een kilometer of vijftien boven Antwerpen, richting Brussel. Het is zo’n anderhalf uur rijden, want het is erg rustig op de autoweg. In het eerste nummer van het reismagazine ESPAÑA had ik een aankondiging van een FERIA ANDALUZA, drie dagen lang in Boom. Op de website wordt het festival als volgt aangekondigd.
Eind mei 2008 wordt de alom gekende Feria Andaluza opnieuw gehouden op het Provinciaal Recreatiedomein “DE SCHORRE” in Boom – Antwerpen. Zie hiervoor ook:
www.deschorre.be en www.alandalus.be
Dit driedaagse en volledig GRATIS intercultureel festival zal doorgaan op vrijdag 30 mei (18:00u – 02:00u), zaterdag 31 mei (12:00u – 02:00u) en zondag 1 juni 2008 (12:00u – 23:00u) Iedereen zal daar kunnen genieten van de typische Spaanse sfeer en in het bijzonder die van Andalusië. Er zullen talrijke aspecten van de Andalusische folklore en cultuur aan bod komen, zoals Flamenco (dans, zang en gitaar), paarden (dressuur en rijkunst), gastronomie en tradities. De Feria Andaluza is een intercultureel festival vol levensvreugde en dans. Alle bezoekers kunnen er genieten van typische spijzen en dranken in een sfeer van vriendschap en solidariteit. De gastronomie en smaak van Andalusië zullen overal aanwezig zijn, met een gevarieerd gamma aan typische gerechten zoals: Jamones de Jabugo, Paella, Calamares, Gambas, Churros en typische dranken van de “Ferias”: zoals Manzanilla, Finos, plaatselijke wijnen, Rebujitos, Sangria, e.a.
Ik parkeer mijn auto op een parkeerplaats aan de Rupel, een zijrivier van de Schelde. Vlakbij zijn oude graansilo’s verbouwd tot luxe appartementen. Het weer is nog niet helemaal Andalusisch, want grijs en dreigend; benauwd ook, want de temperatuur is inmiddels wel tot boven de twintig graden opgelopen.
Het centrum is op loopafstand. Een vriendelijke inwoner loopt met ons mee tot de plek waar we moeten zijn, want beginnen – hoe kan het anders in het katholieke Andalusië? – in de onze Lieve Vrouwekerk op de Grote Markt. Ik zie al Belgische, maar van origine Andalusische vrouwen in flamenco-feestkledij richting kerk lopen. Het is nog een half uur. Dus drinken we eerst maar een kop koffie in een café dat vlak naast de kerk gelegen is. Twee Spaanse cameralieden (die we in de loop van de dag nog vaak tegen het lijf zullen lopen) hebben ook gekozen voor een bak Belgische pleur om wakker te worden.
Het programma voor deze zondag ziet er als volgt uit:
11.00uur Misa Rociera in onze Lieve Vrouwkerk, Grote Markt te Boom.
12.00uur Spaanse folklorestoet vergezeld door Andalusische paarden van de Grote Markt door de straten van Boom, naar “De Schorre” tot aan het terrein van de Feria Andaluza 2008.
12.45uur Officiële Receptie voor de Spaanse en Belgische Autoriteiten.
13.00uur Doorlopend: Flamenco: Andalusische folkloremuziek en dans met de groepen Andalucia Baila, Sabor Flamenco, Aires del Sur, Peña Al Andalus, Camino Flamenco. Afwisselend met moderne latin dans door demo team Fitopia. Muziek en zang met het Spaans dansorkest Chico y Altamira en Grupo Crescendo met hun “Live Latino Show”..
Bovendien kan men buiten in de paardenwei het betere dressuurwerk bewonderen door Andalusische paarden *{color:red}“Pura Raza Español”*
18.00uur Gastoptreden met pure, authentieke Flamenco door companie EL JUNCO uit Sevilla (Spanje), die hun nieuw spektakel JUNQUERIAS komen voorstellen.
19.30uur Fin de Fiesta met afwisselend Grupo Crescendo en het bekende Live Spaanse dansorkest Chico y Altamira, die beiden met hun onweerstaanbare Rumbas, Sevillanas en andere typische latino-muziek iedereen een onvergetelijke afsluiting van de Feria Andaluza 2008 bezorgen!
22.30uur Einde Feria Andaluza 2008.
Een uurtje voordat de authentieke flamencogroep uit Sevilla op zal treden tijden we weer richting Grubbenvorst. Andalusië in België. Corazón, Corazón! Maar we hebben dan ook vanaf half elf hier rondgelopen. Gegeten en gedronken. Met veel muziek en dans om ons heen. En zelfs Andalusische volbloeden.
De tweetalige (Spaans en Vlaams) eucharistieviering in de Onze Lieve Vrouw van Boom kerk is gekoppeld aan de Maria Santísima Virgen del Rocío. Het Mariabeeld van Rocío staat dan ook prominent in de kerk, en verwijst naar de meest massale bedevaart van Rocío, gelegen tussen Cádiz en Sevilla. Rond Pinksteren trekken tienduizenden Andalusiërs te voet en met huifkarren, onder begeleiding van opzwepende flamencomuziek naar het bedevaartsoord. Het is de meest Spaanse, meest Andalusische bedevaart die er is.
Een schaduw van deze bedevaart valt over de kerk in Boom. De mis wordt muzikaal opgeluisterd door een Spaans flamencogezelschap en een Vlaams vouwenkoor. Na afloop van de dienst, die prominent wordt bijgewond door burgemeester en schepenen van de stad, gaat het pas echt los. Dan spat de muziek uit de kelen en uit de instrumenten. Bijna wordt er gedanst. Uit volle flamencoborst wordt meegezongen door de zwierige jurken. Buiten worden we opgewacht door Andalusische paarden bereden door fraai uitgedoste amazones in Spaanse kledij. Ze gaan voorop in de stoet die naar het Feriaterrein in het recreatiepark ‘De Schorre’trekt. Uiteraard onder begeleiding van muziek. Hier en daar wordt halt gehouden om op straat de flamenco te dansen.
Als we op het Feria-terrein arriveren, worden in de grote tent net officiële Spaanse en Belgische bobo’s in het zonnetje gezet. Het zonnetje dat overigens nog maar niet door wil breken. Maar wij hebben honger en schaffen ons een groot bord paella aan, met een paar glazen tinto de verano. Ondertussen is op het grote podium de muziek en de flamenco losgebarsten. En dat zal een paar uur zo door gaan, een bonte rij van optredende verenigingen. Soms behoorlijk op niveau, soms wat minder. Maar steeds met inzet, zij het dat de echte Spaanse passie toch een beetje Belgisch aan doet. De grote tent is inmiddels helemaal vol gelopen met etende Belgen, Spaanse Belgen in de meeste gevallen, want de Spaanse taal doet het goed om ons heen. De geur van tapas, spiezen geroosterd vlees, calamares, serrano wordt stevig gemengd met het ritme van de flamencodanseressen. En dat hapt een stuk lekkerder weg.
Buiten staan wat informatietenten opgesteld, maar daar had ik meer van verwacht. In golfressorts heb ik geen interesse, en in allerlei massages ook niet. Dan zie ik liever de dressuur van de Andalusische volbloeden die aan het einde van de middag op het programma staat.
We lopen rond vier uur terug naar het centrum van Boom, langs de fraaie oevers van de Rupel. Veel wandelaars en bootvluchtelingen, want toeristische vaartochten zijn hier erg in trek zo te zien. De zon is inmiddels uitbundig doorgebroken. Wel wat aan de late kant, maar zo is de cirkel rond: het weer is ook Andalusisch. Jammer, dat we de groep ut Sevilla met hun authentieke flamenco niet meer memaken. Maar we hebben ‘El Arenal’ (Sevilla) van een paar jaar geleden nog in het hoofd. En het zal de laatste keer niet zijn dat we de Feria Andaluza bezoeken. Volgend jaar is er weer een.
De schaatsen kunnen weer in de kast. Het Friese Elfstedencomité zal rustige kerstdagen beleven. Geen onrustige nachten meer, want bij Bartlehiem zal het niet echt dicht vriezen de komende tijd. Een ongekende rust keert terug in het land. Nog voordat Kerstmis is uitgebarsten. Want dat kun je het toch wel noemen. Meer dan 700 miljoen euro’s zijn er over de toonbank gegaan. Als lemmingen stortte het volk zich op de winkelcentra. En het is nog niet gedaan. Ook vandaag, zondag 23 december, zijn de meeste koophallen geopend. Tegen afbraakprijzen kunnen morgen de panklare vleespakketten in de achterbak worden geladen.
Maar dan gisteren. Terwijl mijn vrouw de winkels afstruint, op jacht naar kerstvoedsel en kerstcadeaus voor het nageslacht, rij ik door naar Lottum, Noord Limburg. Inderdaad, het dorp van de dodelijke steekpartij tijdens de jaarlijkse paardenmarkt. Rondom kasteel de Borggaaf is het meest winterse clichébeeld te fotograferen dat je je maar voor kunt stellen. En op de slotgracht wordt geschaatst. Wintertaferelen van Koekkoek. Of Brueghel. Daar doet het aan denken.
De takken van de bomen zijn allemaal met een tweetal centimeter dikke witte vacht bekleed. En over landschap dat voor je in de zon ligt te zonnebaden ligt een hoogpolig tapijt van aangevroren rijp. Bijna honderd foto’s glippen ongemerkt door mijn lens naar binnen. Thuisgekomen meteen downloaden. In inderdaad: winter zoals winter moet zijn. Ik stuur er gelijk een paar naar de weerdienst van RTL. Daar blijken er die dag 8000 binnen gekomen te zijn. De uitzending haal ik dus niet, want de Hollandse winterlandschappen met witte rietkragen, molens en horden schaatsers, nee, dat kan ik ze niet leveren.
Vandaag is het al weer bijna voorbij. De witte vacht is gisteren door een sadistische, te warme zon van alle takken gebrand. Het ijs wordt met de dag onbetrouwbaarder. En nog voor Kertmis zullen ook de nachttemperaturen nog amper onder nul verdwijnen. Winter Wonderland beleeft zijn zoveelste afgang in dit land. Was Al Gore er maar nooit geweest. Dan hadden we ook geen last gehad van de opwarmende aarde. En smeltende poolkappen.
Sinds een kleine week heb ik een nieuwe camera, de Canon A640. Dat betekent – hoewel de ‘oude’ Canon A80 grote overeenkomsten had met dit nieuwe type – veel uitproberen, omdat er toch weer een aantal nieuwe functies aan zijn toegevoegd.
Het laatste zomerse weekend van dit jaar gaf daarvoor optimale kansen. De tekenen van de herfst zijn echter onmiskenbaar. En dat betekent: snel verkleurende bladeren en vooral veel spinnen die je huis omsingelen. Ze weven hun webben op plekken dat je het net niet wilt hebben. En voor dat je het in de gaten hebben stoot je met je kop door zo’n fijnmazige dradencompositie. Maar gelukkig blijft er veel intact. En als het licht van de zon er nog eens doorheen speelt dan ontstaan er fraaie clichébeelden. Een aantal daarvan heb ik gistermiddag (zondag 23 september) digitaal vastgelegd. Daarbij stevig gebruik makend van de zoomfuncties van de A640.
Een dikke bruingrijze spin die zich wentelt in de zon en in haar web. Zo nu en dan klimt hij razend snel naar een van de uithoeken van zijn web om een in zijn netten verstrikt geraakt insect te verorberen. Zo te zien is het prijs schieten geweest de afgelopen dagen, want het geleedpotige, harige beest ziet er volgevreten en voldaan uit. De siësta wordt gehouden in het midden van zijn web dat strak gespannen staat tussen een van de tuinstoelen en een welig tierende bamboestruik. Hier de beelden.
Om acht uur ’s morgens (zondag!) zijn we al op pad. En om half tien lopen we over de Pont des Arches in Luik. Het eerste doel is de markt aan
Daarna het centrum in voor een terras, bij de kathedraal. De eerste Leffe Brune wordt naar binnen geschoven: het is amper elf uur in de ochtend. Voor de noodzakelijk volle aflaat lopen we ook nog even door de kathedraal. De ijle walm van wierook hangt nog na te hijgen van de hoogmis, die net is afgelopen. En dan weer na het andere gedeelte van het centrum: via de Place du Marché naar de buurt rondom de gerestaureerde Saint Barthelémy. Lopen door de verstilde impasses, een dorp in de stad. Met veel bloemen in pittoreske binnentuintjes. Om weer terug te keren op een terras op de Place du Marché voor een maaltijd met kip en friet. Buiten op het terras, want de temperatuur is fantastisch. Zo’n 23 graden.
En dan wordt je ineens binnengezogen in het meest bekende café-chantant van Wallonië, Au Jardin des Olivettes in de Rue Pied du Pont des Arches. Het bruine etablissement heeft de deuren wijd open staan vanwege het zomerweer, en een oude bebrilde, en in een roze bloemetjesjurk gestoken dame zingt op een half meter hoog podiumpje oude Franse chansons. Ik schat de leeftijd van de zangeres op minstens vijfenzeventig. Het café zit stampvol met – toegegeven – wat ouder publiek. De derde leeftijd zit te nippen aan grote kelken Leffe, Ciney of Duvel. Er wordt met enthousiasme geapplaudisseerd na afloop van elk chanson.
We vinden een plek aan een smalle houten tafel, met goed zicht op de bejaarde artiesten. Die zingen om beurt twee oude Franstalige chansons. Piaff , Montand, Bécaud en Brel zijn daarbij favoriet. De gemiddelde leeftijd van de zangers en zangeressen ligt, naar mijn inschatting, boven de zeventig. Ver in de vorige eeuw was er de eeuwige roem, soms regionaal, soms alleen in Luik tot en met de Vrijstaat Outremeuse. Maar hun inzet blijft er niet bij achter. Integendeel. En dat ondanks de soms fysieke hindernissen die genomen moeten worden.
Stéphanie (la petite maman des Olivettes), een hoogbejaarde chansonnière wordt met vereende krachten op de te krappe bühne getild. En daar op een houten stoel gepositioneerd. Dat zingt een stuk steviger. Geeft zelfvertrouwen. En je kunt je concentreren op tekst en melodie. Soms wordt bijna het oude niveau bereikt, soms blijft de chansonnier of chansonnière daar ver van verwijderd. Het volume staat op vol, ondanks de uitstekende geluidsinstallatie.
En van de zangeressen pompt Janine haar populariteit op door aan haar tafelgenoten haar zojuist op de marché aangeschafte strakke strings te showen. Zo sta je - geestelijk - in ieder geval niet in je blote kont te zingen. De heren die optreden hebben ter compensatie hun pantalon tot vlak onder de oksels opgetrokken, ook al wordt het afzakken sowieso al verhinderd door brede bretels. Vlak voor ons is Babar al een kwartier lang bezig om - met behulp van zijn bejaarde vriendin (eveneens ooit eens een bekende zangeres) - een meezinger van minstens een halve eeuw oud uit te zoeken. Babar (inderdaad, van het olifantje!), is een kleine, dikke en beweeglijke Liégeois, en nog even enthousiast als vijftig jaar geleden. Even later klimt hij verhit het podium op. Het wordt Le tango du Congo, een levenslied dat zijn weerga niet kent. Vroeger vertolkt door de beroemde Grand JoJo. Nu meegezongen door de hele tent. Tot op de Cour, de toiletten in de kelder, waar Madame Pipi zorgt voor bijpassende ondergrondse galm. Bovengronds maakt de vertolker van dit levenslied ondertussen alles uit zijn nog ferme klankkast. Maakt er zelfs ondersteunende, theatrale gebaren bij. En illustreert het nog eens met een veelzeggende mimiek. Het publiek kan er niet genoeg van krijgen. Les Olivettes gaat bijna uit zijn houten dak.
Aan de elektrische piano blijft de toetsenman maar onverstoorbaar doorspelen. Soms zijn hoofd in de richting van de artiest wendend om het tempo op elkaar af te stemmen. Ne tirez pas sur le pianiste. Nooit moe. Zijn wapperende haardos en dito snor bewegen nerveus boven de brede bretels die over zijn rug en buik gespannen staan. Zijn dikke vingers blijven onvermoeibaar roffelen over het toetsenbord. Zelfs een plaspauze zit er niet in in al die uren dat we in het café zitten. Soms zingt hij een versregel mee.
Au Jardin des Olivettes is imiddels een internationaal bekend café-chantant. Er werd zelfs een filmdocumentaire, La vie en chantant, over gemaakt die op het Prix Europa Filmfestival
De film is een documentaire over het café Les Olivettes in Luik, waar onder pianobegeleiding door de gasten chansons worden gezongen. ‘Met een gevoelige manier van filmen leidt de regisseur het publiek naar een Belgische wereld vol leven, liefde, ontroering en veel beroerde zangkunsten,’ aldus de jury.
La Vie en chantant: documentaire van Patrick Bisschops De regionale TV van L1 zond de documentaire al een keer uit, in april van dit jaar:
In Les Olivettes treden geen professionele artiesten op, maar de vaste gasten. Zij zijn er voor even ster en vinden er de broodnodige erkenning die zij zoeken. En zingen kunnen ze. Het hele repertoire van Brel, Bécaud, Montand en Piaf komt voorbij. Enkelen hebben inmiddels illustere bijnamen verworven als Het meisje van Parijs, De smalle taille met het grote talent, de Luikse Rudolph Valentino en La petite maman des Olivettes (de 83-jarige Stefanie)…
Les Olivettes heeft een eigen website. Met foto’s en andere wetenswaardigheden. Zelfs de prijzen van de verschillende consumpties zijn er te raadplegen. Ga naar www.lesolivettes.eu
In Nederland is in de jaren zestig van de vorige eeuw Maria Hemelvaart bij het grof religieus vuil gezet. Gelukkig is het Belgische episcopaat niet voor modieuze tijdsdruk, flowerpower en ontkerkelijking gezwicht, en heeft ze Sainte Marie recht overeind kunnen houden. Gelukkig maar, want je kunt het je toch gewoon niet voorstellen, dat het kloppende hart zomaar wordt weggerukt uit de jaarlijkse feestkalender van de République Libre d’Outremeuse in Luik.
Daarom ben ik al ruim voor het middaguur in Outremeuse, samen met Jo en John. De auto parkeer ik gratis op het Place du Congrès, waar de bronzen buste van Georges Simenon, c.q. commissaire Maigret, midden in het bloemperk van het ronde plein, de hele dag zal blijven waken over mijn oude Mazda 626 Cronos. Aan wie kun je je bezit beter toevertrouwen?
De processie hebben we weliswaar gemist. Want die was al voor dag en dauw, om kwart voor tien, vertrokken vanuit de Eglise Saint Nicolas. De tweehonderd kilo wegende Zwarte Maagd Maria van Outremeuse wordt dan door padvinders de kerk uitgedragen en vervolgens in de processie door de straten van de République Libre gevoerd. En dat al sinds de 16e eeuw. Traditie is de ziel van een bevolking.
Die volle aflaat – door het bijwonen van de processie – ben ik dus misgelopen. Maar ik zal het goedmaken door de rest van de dag me in volle hevigheid te storten in het feestgewoel. En het organiseren van feesten, dat kun je moeiteloos aan de bevolking van deze vrijstaat overlaten. Tegen het middaguur wordt er nog volop opgebouwd. Eet- en drinkkramen worden van stevige dekzeilen voorzien, want de dreiging van een bui blijft. Podia worden van apparatuur voorzien. De vaten bier worden nog naar binnen gerold. En fraai uitgedoste muzikanten en danseressen eten nog snel een stevige zak Belgische frieten leeg, want tijdens de grote optocht halverwege de middag zal daar geen tijd meer voor zijn. De eerste pékets (Waalse jenever) worden naar binnen gekieperd. Ze worden met hele barquettes (een smal wit plastic bakje waarin vier of vijf kleine plastic ‘glaasjes’ staan) te koop aangeboden. Tegenwoordig wordt de péket bijgekleurd met frambozen-, aardbeien en andere vruchtenextracten. Ook de péket gaat met zijn tijd mee.
We laten de boel even voor wat het is. Komen wel terug als vanmiddag, zo rond een uur of drie, de grote folkloristische optocht door de straten van Outremeuse zal gaan trekken. Op weg naar de Place du Marché lopen we, voor de eerste volle aflaat van de dag, langs de taveerne van Tchantchès et Nanesse, de oerkinderen van Outremeuse. Eromheen staan in slagorde de rijen houten tafels en banken al klaar om de dorstige bevolking te laven. In een kleine tent opzij staat het blauwe gipsen beeld van de Vierge des Pauvres in alle bescheidenheid toe te zien of het wel allemaal goed zal gaan. Maar ook zij vertoont geen spoor van twijfel.
Op de Place du Marché drinken we onze eerste kelk Leffe Brune. Op het terras van A Pilori, onder een flauwe zon. Die smaakt. Ook hier zijn er – het is immers een vrije dag in België – toch al heel wat mensen op de been. De temperatuur klimt ondertussen op tot een graad of 22. Niet slecht, want de voorspellingen waren niet al te best gisteren.
Na deze kelk tot de bodem te hebben leeg gedronken – ook een volle aflaat? – gaat het richting Les Olivettes, misschien wel het meest bekende café-chantant van België. Het is er nu nog niet vol, maar dat zal in de loop van de dag zeker anders worden. Bij binnenkomst zie ik al bekenden, die een paar dagen geleden ook al de pannen van het houten dak zongen. De energieke Janine, en de nog energiekere Babar met zijn brede bretels strak over de dikke bierbuik gespannen. En andere artiesten waarvan de glorie misschien wel enigszins verbleekt is, maar het enthousiasme dat meervoudig weet te compenseren. Beurtelings klimmen ze op het krappe podium en laten hun klassieke Franse chansons knallen.
Allengs schuifelen er meer gasten naar binnen, aangelokt door de Sirenen van Les Olivettes, waarvan de deur en de ramen uitnodigend wijd open staan naar de Straat, de Rue Pied du Pont des Arches.
Na Babar zijn er weer andere artiesten die de roem van vroeger weer als de geest uit de fles naar boven proberen te krijgen. De vergeelde zwart-wit foto’s van nóg grotere chansonniers die aan alle muren zijn opgeprikt, kijken goedkeurend toe. Aznavour, Montand, Brel. Natuurlijk Brel, wie anders?
Het is half drie. We moeten nog wat eten na al die kelken Leffe. En om drie uur moeten we terug in Outremeuse zijn, als de stoet door de straten gaat trekken. We eten een stevige zak Belgische frieten op de Place de l’Yser waar het publiek al massaal staat te wachten op het begin van le grand cortège folklorique. Daarna posteren we ons tegenover Le Randaxhe, het fameuze café-bar-restaurant waar bij zonnig weer de terrassen breed uitwaaieren over het plein. Mocht het gaan regenen, dan hebben we ons ook nog van een droge plek verzekerd omdat we onder het zeildoek staan van een kraam waar de veelkleurige pékets staan te wachten op dorstige klanten.
De stoet wordt vooraf gegaan door metershoge poppen van de helden van Outremeuse, zoals Tchantchès et Nanesse. Maar zelfs die worden afgetroefd door de sluwe, doch beminnelijke commissaire Maigret, de verbeelding van die andere held van Outremeuse, Georges Simenon.
Vervolgens is de beer los. En is het een eindeloos voorbij trekken van fanfares, harmonieën, folkloristische groepen, dansers, carnavaleske wagens, vuurspuwende draken en roze varkens. Zelfs ezels en paarden zijn van de partij. Het veelkleurige publiek mengt zich soms met de groepen die zelfs uit Stavelot of Malmédy hier naar toe gekomen zijn. Danst en zingt met hen mee. Met glas bier in de hand. De vijf minuten regen kunnen de pret niet drukken. Integendeel, het lijkt wel of het extra energie geeft.
Als je om je heen kijkt zie je pas hoe divers het publiek hier naar toe is getrokken. Natuurlijk, de wijk Outremeuse is sowieso al een mengelmoes van rassen. Het Belgische koloniale verleden is hier opvallend aanwezig. Voor Bar Le Safari zitten pikzwarte Congolezen met pretogen, en in bonte kledij achter een houten stamtafel. Maar ook Noord Afrika, vooral Marokko, is prominent vertegenwoordigd. Soms gehoofddoekt, maar meestal in volkomen geïntegreerde, dus westerse kledij. Dat laten die mooie zwartharige meiden zich niet meer afpakken. En verder gaat het, van Vietnam en India naar Zuid Europa. En allemaal hebben ze hun plek, en hun eigen restaurants gevonden in deze wijk. Maar vandaag verkopen ze allemaal péket. Ook dat is een vorm van integratie. Sainte Marie als Maria Middelares. Een volle aflaat voor iedereen die hier zijn kop laat zien vanmiddag. En dat zijn er tienduizenden, misschien wel honderdduizend alles bij elkaar.
Na afloop van de cortège dromt het publiek naar de lange houten drinktafels of naar de al overvolle cafés. En altijd kom je bekenden tegen. Zoals Maurice en Djoeke, die ineens ook voor Le Randaxhe staan, met een vol glas Jupiler in de hand. Meedrinken, dus. Later op de avond zullen we ze nog een keer treffen. In de Rue Roture. Ook dan met een glas Jupiler in de hand. Wij hebben dan al een tijd op een ander terras doorgebracht, in de Rue Jean d’Outremeuse. Waar we het bier konden laten wegdrinken bij de muziek van ambulante bandjes. Hara Krishna en Django Reinhardt op één muzikale hoop. Het kan. Op andere plekken hebben zich op tientallen, nonchalant verspreide podia andere muziekgezelschappen geposteerd. Er wordt gedanst. Er wordt gezongen. Er wordt gedronken. Vooral veel gedronken. De dag van morgen is nog ver. Maar die zal zwaar zijn voor de meesten. En dan te bedenken dat het feesten nog doorgaat tot in het weekend. Dat levert een veelvoud aan volle aflaten op. De Moeder Gods is royaal deze week.
Drinken maakt hongerig. En dan biedt de Rue Roture de helpende hand. Hoewel we de eerste hand moeten laten glippen. De couscous-tent die we op het oog hadden, zit afgeladen vol. En alleen door het genieten van de naar buiten golvende Arabische muziek kan de honger niet stillen. Maar in de Rue Roture zit je nooit voor een gat gevangen. Een paar deuren verder is het wel raak. Een standaard menu met tomates-mozarella vooraf, en mousse chocolat na. En daartussenin uiteraard de fameuze boulettes liégeoises met friet. Uiteraard met een glas Jupiler. Weer buiten word je onmiddellijk weer meegezogen in de massa die het drinktempo enigszins lijkt te hebben opgevoerd. Het begint al te donkeren, en dat komt niet alleen vanwege het zware wolkendek. Op straat lijkt het nog drukker dan een uur geleden. Jong en oud, exotisch en burgerlijk, lelijk en mooi, legaal en illegaal, zwart en blank, katholiek en islamiet: zelden heb ik een bonter allegaartje bij elkaar gezien. Het kan. In Outremeuse in ieder geval.
Omdat ik nog een lange reis naar Noord Limburg voor de boeg heb, en achter het stuur alcohol niet de juiste combinatie is om zonder gevaar de
Zo’n stadsfeest waar zelfs koningin Beatrix voor naar Venlo afreist, kun je natuurlijk niet aan je voorbij laten gaan. Dus ben ik, samen met mijn vrouw en een van haar vriendinnen, om tien voor negen ’s avonds weer present op de Tajiri Brug. Onverstoorbaar, massief en zwart steken de al bijna vertrouwde Ronins af tegen de strakke lucht die langzaam oranje kleurt. Over ruim een uur wordt hier spektakel voorzien. Ondertussen stroomt de brug al aardig vol. In de overkoepelde feesttent aan de Blerickside maken de muziekgezelschappen zich op. De tap is open.
Na een uur zijn de Ronins nog zwarter geworden, maar ook de lucht is ontdaan van het oranje, en neemt het nachtelijke kobalt het langzaam over. Het wachten loopt op zijn einde. Want daar is de maestro zelf, mister Shinkichi Tajiri, die over de rode loper komt schrijden naar het midden van de brug. Hij wordt in de arm genomen door twee escortdames, in de gunstige zin der betekenis. De in Los Angeles geboren beeldhouwer heeft zo zijn eigen engelen. Maar in de komende uren zal hij er meer treffen op zijn ‘eigen’ brug. De vlerk.
Het kon natuurlijk niet uitblijven, dat Venlose compromis. Een Blericks en een Venloos muziekkorps marcheren naar het midden van de brug. Het treffen had wel een beetje spetterender gemogen, afgemeten naar het vuurwerk dat even later van de brug spat. Maar kom, niet chagrijnig worden, want daar zijn duivelse roodzwarte heksen al die alles in een hels verterend vuur zetten. Als een lopend vuurtje haasten ze zich over de brug. Hun vlammen klauwen de donkere nacht in. Maar hun hitte lost op in de nacht. Gevallen engelen die zich weer eens moeten laten gelden. En de mensen angst willen inboezemen. Maar de bevolking heeft inmiddels een kwartet Ronins achter zich staan, dus hun intimidatiepogingen zullen tot mislukken gedoemd zijn.
Gelukkig is er meester Shinkichi Tajiri zelf die de macht over neemt en de plotseling uit het nachtelijke donker opdoemende witgevleugelde danseressen naar zich toe lokt. Op hoge palen (kenners noemen het stelten) bewegen ze zich naar het midden van de brug om daar uit handen van meester Tajiri het geruststellende vuur te ontvangen dat zit opgesloten in kleine lampions. De boze, vlammenwerpende toverkollen verjaagd. De onbevlekte feeën met hun brede, klapwiekende vleugels nemen de heerschappij van de nacht over. Gracieus, en geenszins houterig, bewegen ze zich over de brug van hun Japans-Amerikaanse meester. Even deinzen we met zijn allen terug, als ze zich te ver voorover buigen. En tussen het gewone volk dreigen te raken. Maar met gevallen engelen zullen we niet meer van doen hebben vanavond. Licht in de duisternis, en dan niet het doemlicht van die losgeslagen bende Eucalypta’s van een paar minuten eerder.
De witte gevleugelde paaldanseressen bewegen zich in de richting naar hun zwarte, ijzeren wachters, want ook zij zullen van het nieuwe licht profiteren. Ze posteren zich heupwiegend voor hun sokkels. Zich zo nu en dan vastklemmend – zonder hun bewegingen te onderbreken – aan de donkerrode lantaarnpalen. Het blijven paaldanseressen. Die niet alleen de Tajiri Brug in vuur en vlam zetten, maar ook het massaal toegestroomde feestpubliek van doen ontvlammen, of op temperatuur brengen voor het muzikale geweld dat meteen daarna vanonder het golvende tentdoek de Maas over dendert.
Good old Ben Verdellen bijt de spits af. Of mister Tajiri dit nog allemaal over zich heen laat komen, betwijfel ik. De meester zal zich ongetwijfeld door zijn twee escortdames, zijn persoonlijke nachtwacht, terug richting Baarlo hebben laten voeren. Als dan tenslotte de band Neet oet Lottum op het podium verschijnt gaan alle remmen los. Het bier is schraal en vloeit onvertraagd uit de tap. Er is geen doorkomen meer aan. Frans Pollux zingt op deze avond de sterren van de hemel. Wie had dat gedacht van een leerling die ik bijna vijftien jaar geleden in de klas had? De Ronins vertrekken echter geen spier.
Eindelijk heeft Venlo zijn visitekaartje. Met de Maaskade wil het nog niet echt lukken (als het al wat wordt), OCE wordt steeds minder een Venloos bedrijf, en op de Floriade moeten we nog een jaar of vijf wachten.
Een strakblauwe lucht boven een driftige golvende Maas, waar politieboten nerveus op en neer varen. Het is half twee, woensdag 2 mei. En ik sta met mijn vrouw op de ge-upgrade Venlose Maasbrug. In afwachting van de komst van koningin Beatrix die rond kwart over twee officieel de vier Ronins van ‘onze’ Shinkichi Tajiri zal onthullen.
Even daarvoor het ik mijn auto praktisch voor de ingang van de Frederik Hendrik Kazerne in Blerick geparkeerd. Het blijkt de plek waar de koningin om 14.00 uur als luchtvracht uit de hemel zal komen vallen. Maar dat wist ik op dat ogenblik nog niet.
De speaker meldt de komst van de koninklijke helikopter. En inderdaad, daar klapwiekt en ronkt de ijzeren vogel in het azuurblauw boven de Blerickse uiterwaarden. Binnen tien minuten wordt ze, in gezelschap van de locale, provinciale, politieke en industriële jetset per auto aangevoerd tot aan het begin van de ‘nieuwe’ Maasbrug. Orkest ‘Temple Tajiri’ staat haar al op te wachten, voordat ze haar koninklijke voeten op de paar honderd meter lange rode loper zet richting middenstip van de brug. Want daar staat het officiële paviljoen, en wordt ze opgewacht door martiale Venlose huzaren. Een zachte zetel zal haar daar worden aangeboden.
In de verte zie ik haar aan komen lopen. Gekleed in een roze mantelpak en een brede bijpassende hoed, die vanwege de nogal straffe oostenwind die over het water blaast, ongetwijfeld stevig zal zijn verankerd. Hier en daar onderbreekt ze haar pontificale voettocht om de plaatselijke bevolking de hand te drukken. Overigens hoor ik om mij heen niet alleen onvervalst Venloos, maar eveneens Pools (de grenzen zijn immers sinds gisteren echt open), Turks en Marokkaans van plaatselijke allochtonen.
De officiële opening gaat relatief snel voorbij. De koningin wordt uitgenodigd op een grote gong te slaan die door moet gaan voor een echte Japanse, maar er staat toch echt met grote letters ‘Adams’ op. Tegelijkertijd tillen vier grote kranen de verhullende gemeentejurken van de vier wachters omhoog. De wachters (ronins) staan in duo’s opgesteld, aan weerszijden op de beginpunten van de brug: twee aan de Blerickse kant, twee aan de Venlose kant. De openbare striptease gaat redelijk snel in zijn werk. Al snel wapperen de gemeentejurken wapperen de roestbruine, ijzeren ronins. Opwaaiende Zomerjurken, zou Oek de Jong zeggen. En dan zijn ze in volle glorie te bewonderen: vier stoere, onverzettelijke ijzervreters. Op het eerste gezicht komen ze nogal agressief over, maar naarmate je ze beter bekijkt zie je dat ze geenszins van plan zijn dood en verderf te zaaien. De ene ronin torst een levensgrote vlinder als schild, de andere heft een ijzeren tulp naar voren als symbool voor zijn vredelievende bedoelingen. Het roestbruin tegen de azuurblauwe lucht maakt het geheel tot een fantastische compositie van scherpe kleuren en lijnen.
Dat Shinkichi Tajiri de juiste persoon was om deze wachters vorm te geven, lijkt mij een goede beslissing. Met zijn beeldhouwkunst geeft hij al meer dan zestig jaar vorm aan de psychologische littekens die de indringende ervaringen van de Tweede Wereldoorlog op hem en ons hebben achtergelaten. Daar kan Venlo over meepraten. Tot twee maal toe werden in de Tweede Wereldoorlog de Maasbruggen in puin gegooid. De brug die in 1957 vervolgens werd herbouwd is nu, in 2007, af. Tajiri heeft met zijn vier Ronins een duidelijk statement afgegeven tegen welke oorlog dan ook. En Venlo een fantastisch visitekaartje bezorgd. Wat mij betreft mag de brug vanaf vandaag worden herdoopt: van ‘stadsbrug’ tot ‘Tajiri-brug’.
Venlo kan trots zijn op zijn brug, de Pont Alexandre III in Parijs waardig. Een binnenkomer van de eerste orde.
Als ik met mijn vrouw terugloop in de richting van mijn geparkeerde auto wordt ik nog geïnterviewd door de Westdeutsche Rundfunk. Omdat de vrouwelijke reporter (van origine blijkt ze Vlaamse) nog iets wil weten over de oorsprong van de brug en de betekenis voor de stad, kan ik er niet omheen om terug te keren naar de tijd dat Venlo frontstad was. En dat de brug vernield werd door het oorlogsgeweld. Maar tegelijkertijd wijs ik haar op de symboliek van de vlinder en de tulp. Europa is in die vijftig jaar wel wat veranderd. En Venlo ook sinds vandaag.
Voor het luttele bedrag van tien euro ben je de hele avond te gast bij de literaire marathon (18.30 - 23.00 uur). De tweede manege van de Géruzet kazerne in Etterbeek/Brussel is omgebouwd tot slagveld in de paardenmodder. Verspreid over de hele hal zinken de scheefgezakte houten kruisen weg in de gelige bodem, die iets weg heeft van gepoft zand. IJzeren barricades, veldtelefoons en communicatiebekabeling voeren je naar het dodelijke oorlogfront. Kwistig over het slagveld liggen de levenloze lichamen van de gesneuvelde militairen. Hun vaalgrauwe koppen steken uit hun vaalblauwe uniformen. De rigor mortis is al uren geleden ingetreden. En ik vroeg mij tevens af hoe lang hoe lang die oorlog nog ging duren, en of ik op de wereld gekomen was om altijd maar oorlog te zien…Hier in de manège gaat de oorlog zoals die gaat.
Niks Star Wars, niks slimme bommen, niks geleide projectielen op dit Géruzetfront. Geen beeldschermen waarop geluidloos de boel wordt opgeblazen. Op dit slagveld voeren we nog steeds een 20e-eeuwse oorlog. Zoals die moet zijn. Met niets ontziend geweld, de stank van lijken in ontbinding, oorverdovend lawaai, zinloos gekerm, en zand dat dof bloed absorbeert. Zo kennen we de oorlog weer.
Aan de zijkanten staan in strak gelid geperste pakken stro opgesteld. In lange rijen. Ze zijn bedoeld als de zitbanken voor de toeschouwers, deze avond. Al urenlang staren doffe ogen uit vaalgrauwe koppen boven vaalblauwe uniformen naar hun minder gelukkige medestrijders. Want ook soldaten houden wel van een verzetje. En wat is er aantrekkelijker dan te kijken naar je maten die daar liggen te creperen. Want jij bent voor even met verlof. En er is bier. En er zijn willige vrouwen. Oorlog als vertier. Moet kunnen, toch?
De manège loopt na half acht redelijk vol. De toeschouwers nestelen zich op hun baal stro of schurken zich tegen de soldaten-met-verlof. Dat moet een beschermd gevoel geven. Het spektakel is dan al begonnen. Boon aan het woord. Ge schrijft uw ‘kleine oorlog’. Ge zoudt liever een ander boek schrijven – groot schoon woelig juist – ge zoudt het dan noemen ‘dit zijn de vloeken en gebeden van den kleinen man tegenover den grooten oorlog, dit zijn de zangen, dit is DE BIJBEL VAN DE OORLOG’ – op een anderen dag wenscht ge echterniets liever dan uw pen stuk te stampen op het vlak van uw schrijftafel – het is zeer plezierig zooiets maar ge zijt verplicht u den dag daarna een nieuwe pen te kopen – want schrijven doet ge toch, het is een natuurlijke behoefte – de eene mensch vloekt zich dood, de andere loopt zijn kop op de muren stuk. Ge schrijft uw ‘kleine oorlog’.
De muziekmaatschappij van de federale politie marcheert naar binnen. Het boek over de oorlog wordt opengeslagen. Voorgelezen. Na het Nederlands volgt in vertaling het sonore Frans van de pikzwarte neger Kabongo. Djembé’s aan het front. En daar heb je The Sugar Riots al. Ze geven hem van katoen, denderen met John Cale over het slagveld en schreeuwen Ready for war te zijn.
Dan is het woord aan Jo Boon. De zoon van, inderdaad. Hij veegt zich het sluike haar voor zijn ogen weg. Gezeten bij zijn veldtelefoon voert hij zijn ‘kleine oorlog’. Zijn ruime grijze broek is geneden op loopgraafformaat. Er soepel in kunnen bewegen is belangrijk om te overleven. De goudvissen van zijn vader worden op het droge gelegd. Spartelen nog wat na. Happen naar lucht. Maar de oorlog is adembenemend. Ook een kleine oorlog. De Sugar Riots reiken hem het mes aan. Ballad of the soldier’s wife. Macky Messer? Nee, het duo Bertold Brecht en Kurt Weil op is het strijdtoneel verschenen. Ook oorlogsveteranen.
Alle oorlogen lijken op alle oorlogen. En rijgen zich als woorden aaneen. De Oorlogsboontjes worden afgewisseld door scènes van de Iberische grootmeester Fernando Arrabal. Even rust aan het front, want er wordt gepicknickt op het slagveld. De gekte verbeeld. Op een even cynische als lachwekkende manier. Maar het eindigt op een manier zoals uiteindelijk alle oorlogen eindigen: met de dood. Dan is al die uitgelatenheid van even daarvoor toch niet voor niets geweest.
En er zijn de getuigenissen van al die gewone, argeloze burgers. Op drift geraakt, moe gezworven, en als wrakhout aangespoeld in een onbekend land. Ver van huis en haard, en gericocheerd tussen de elkaar naar het leven staande partijen. ‘No pasarán’ is het Esperanto van de ontheemde, maar even zo vaak wordt er over hem heen gewalst. Met ingehouden adem luister je naar de persoonlijke verhalen van Manuel Mugica-Gonzalez, van Maria Dermitzaki. Of kijk je naar videoboodschappen van weer andere op drift geraakten. Irak, Rwanda, Darfur: aan deze rozenkrans komt nooit een einde. Elk jaar worden er weer nieuwe kralen aan het snoer toegevoegd. Bidden tot je een ons weegt.
Het spektakel wordt afgewisseld met interventies en tussenteksten. Peter Lombaert komt met zijn vriend van den Borre binnenstrompelen. En Mathilde Demarez neemt de kleine kolendieven op sleeptouw. En er zijn de oorlogsblinden. Twee slechts, op deze avond. Het is maar het topje van de ijsberg. Er zijn de fantassins uit de Grote Oorlog, een eeuw geleden al bijna weer. Waar blijft de tijd?
Maar zijn ook de profiteurs van de oorlog. De vol gevretenen voor wie de oorlog niet lang genoeg kan duren Meneer de Swaem en Meneer Boone. Meneer de president, welterusten - Slaap maar lekker in je mooie witte huis - Denk maar niet te veel aan al die verre kusten - Waar uw jongens zitten, eenzaam, ver van thuis.
Maar Boudewijn de Groot is vanavond niet van de partij. En toch moet ik even aan hem denken. Of het nou Vietnam is of Irak. De soldaat is altijd op herhaling. Of in dekking voor de bom. Gimme Shelter zingen de Sugar Riots de Rolling Stones na. War, children, its just a shot away, Its just a shot away. Maar het had ook Boudewijn de Groot weer mogen zijn.
Ondertussen woedt de Kleine Oorlog van Louis-Paul Boon gewoon verder in dit No man’s land van de G’s land van de Géruzetmanège. De vaalblauwe slachtoffers hebben zich de hele avond muisstil gehouden. Liggen voor dood over hun veldtelefoon. Of gewoon, als een oud vod over een baal stro gedrapeerd.
En anders zijn er wel die woorden van de man uit Aalst. Met alles erop en eraan. Zoals het hoort. De uitgemergelde uit Buchenwald hand in hand met Leen Persijn. Maar er zijn er ook met eenvoudiger verhalen. En als het geen live-verslag is, dan is wel een brief van mijn vriend de schilder. Tweetalig, want we zijn in Etterbeek, Brussel. Hoewel de taal van Boon de taal van alleman is. Zelfs ik twijfelde er aan of het aan dat arme simpele volk lag of aan den geldmuur of omdat er te veel geproduceerd werd, of dat het allemaal een ziekte een deliriumtremens was, ik twijfelde aan alles…
Het is te veel vanavond. De kleine oorlog walst over me heen. Het leger van al die medewerkende acteurs, zangers, schrijvers, kunstenaars, muzikanten, theatermakers, vertellers, videasten, vertalers, vluchtelingen. Met dat leger wil ik wel ten strijde. Om al die generaals en politici, volgepropt met megalomanie en machtshonger, te verslaan. Laten ze zich melden, die grootmuilen. In de manèges van de Géruzetkazerne in Etterbeek. Dan schoppen we ze een geweten. En laten Louis-Paul weten dat we gewonnen hebben, die kleine oorlog. Zijn zoon Jo zal de boodschap overbrengen. Want die was erbij, deze avond.
Kortom, het was een fantastisch evenement, daar in Etterbeek. Geen schot gelost, die avond. Of het moest tijdens de Shotdance door Lisa Da Boit zijn. Jammer dat ik het niet tot het einde heb uitgezeten. Maar er was nog een terugreis naar het noorden voor de boeg. Maar gelukkig hebben die grensoverschrijdingen tegenwoordig geen militaire consequenties meer.
Zaterdag 28 april. Het is half vier in de middag. Voor me staat een mansgroot glas bière artisanale ambrée. En ik zit aan een ruwhouten tafel, met voor me uitzicht op de overvolle Grote Markt in Brussel. Mijn plek is het smalle straatterras van het Café des Brasseurs. Binnen heerst er koelte en glimmen de koperen bierketels. Het hart van Brussel voor me is zonovergoten en de temperatuur haalt de 28 graden, ook op deze zaterdagmiddag in april. Kuddes Japanse toeristen sjokken wezenloos voorbij. De Indiërs rukken inmiddels ook op naar Brussel. En Nederland heeft vakantie. Dat is te zien en te horen. De korte broek voor mannen moest van rijkswege verboden worden, die conclusie mag je wel trekken na het zien van zoveel lelijks onder kniehoogte. Hetzelfde mag straffeloos beweerd worden over opzichtige naveltruitjes, strak getrokken rondom veertigjarige vrouwen met nog niet geliposucteerd drilvlees. Maar het bederft de smaak van mijn bier geenszins. Zelden zo’n lekker glas bier gedronken.
De reden waarom ik in Brussel ben? Een paar weken gelden ontving ik als lid van het Louis-Paul Boongenootschap een uitnodiging en een folder van de Louis-Paul Boonkring in Etterbeek, een van de vele deelgemeenten van mologstad Brussel. Op 28 april staat daar in de Manèges van de Géruzetkazerne van de Federale Politie een expositie en een ‘multimediaal evenement rond oorlogen in Brussel en overal’ op het programma. ’s Middags om twee uur opent de expositie. En vanaf half zeven tot elf uur ’s avonds staat het pièce de résistance op het programma: een literaire marathon met als uitgangspunt de integrale tekst van Louis-Paul Boons ‘Mijn kleine oorlog’: “In st[r]aat van oorlog” is een samenwerking tussen de Louis Paul Boonkring en de Dienst Nederlandse Cultuur van de gemeente Etterbeek met medewerking van onder meer de Nederlandstalige Bibliotheek”, lokt de folder. Daar heb je graag twee uur rijden vanuit Nederland voor over.
“Mijn kleine oorlog” schreef Louis Paul Boon kort na de tweede wereldoorlog. In de hem kenmerkende, wrange stijl, haalt hij in het boek, bijna Céliniaans, zijn persoonlijke oorlogsherinneringen en oorlogsanekdoten op. Het boek is geschreven in een stijl die vaak doet denken aan de écriture automatique. En aan de beruchte Louis-Ferdinand Céline natuurlijk. Ontreddering, verontwaardiging, colère en onmacht van kleine mensen tegenover het onbegrijpelijke gegeven ‘oorlog’: het is het perpetuum mobile in de geschiedenis. De constante in alle oorlogen is dat de gewone man steeds de lul is. Uit de waanzin die oorlog heet, keert hij per definitie terug met verminkingen, trauma’s of gewoon dood. En dat laatste is vaak nog het beste dat hem kan overkomen. Generaals en politici houden meestal straatnamen of namen van pleinen aan die waanzin over. De Brusselse deelgemeente Etterbeek is er van vergeven.
Het jaarprogramma van de Louis-Paul Boonkring in Etterbeek moet de Boonliefhebber over de streep trekken. “Mijn kleine oorlog” wordt het handvat voor een evenement rond het boek zelf, maar ook rond het fenomeen oorlog en de sporen die het militaire bedrijf naliet in het stedelijk weefsel. Bekende en minder bekende mensen lezen ‘Mijn kleine oorlog’ integraal op een locatie die ons krijgshaftig verleden beklemmend dichterbij brengt”. Op die locatie ben ik al rond half drie aanwezig, deze zaterdagmiddag. De grote paardenstallen slaan hun deuren wagenwijd voor mij open. De geur van stro, paardenmest en nat zand slaat me tegemoet. Door het glas in het lange, schuine zadeldak word ik geattaqueerd door de aprilzomer van dit jaar. An unconvienient truth. Tevergeefs. Want binnen is het weldadig koel op deze snikhete middag. De grote manège, is opgedeeld in twee delen, door een groen uitgeslagen witte muur van elkaar gescheiden. Je komt binnen in de ruimte die voor deze dag is gereserveerd voor een expositie gewijd aan de oorlog, en de ‘brandstof’ van elke oorlog: de soldaat.
“Militaire voorzieningen en krijgshaftige gebeurtenissen hebben ontegensprekelijk een stempel gedrukt op de gemeente Etterbeek. De ‘grote kazernes’ zijn daarvan de belangrijkste getuigen. Maar ook een opmerkelijk aantal straatnamen verwijst naar het Belgisch oorlogsverleden en naar ‘helden van weleer’ Ons militair optreden in de kolonie, de Groote Oorlog (14-18), Wereldoorlog II: ze lieten alle hun sporen na in de gemeentelijke geografie, in de namen van straten en pleinen, in het geheugen van mensen”. De tentoonstelling is vormgegeven in een soort snel ingerichte, zanderige stallen, van elkaar gescheiden door groene, kronkelige hekwerken. De naar het leger riekende straatnamen van Etterbeek, in alfabetische slagorde. En uit die straatnamen stijgen de geuren en de geluiden van de oorlog. En als het niet uit de straatnamen opwelt, dan komt het wel tevoorschijn uit de oude foto’s, de plattegronden of de spullen uit het dagelijks leven van soldaat of rijkswachter. Want ook van rijkswachters was Etterbeek vergeven. Destijds. Een bijna Proustiaanse ervaring.
Na een uurtje houd ik het even voor gezien. Brussel lokt. Dus stap ik de metro in en kom weer bovengronds bij het Centraal Station. Daar vandaan is het nauwelijks een paar honderd meter lopen naar de Grote Markt. Een korte break, want om kwart voor vijf word ik weer verwacht voor een afspraak aan het Gemeentehuis van Etterbeek, Oudergemlaan 113. De uitnodiging is me toegestuurd door een vriendelijke juffrouw aan de andere kant van de
Om exact kwart voor vijf zet een taxi mij af voor het Etterbeekse gemeentehuis. Daar staan al een paar martiale gemotoriseerde agenten klaar om het Boongezelschap in het gareel te houden. En daarna te begeleiden naar de manege van de oude Majoor Géruzet. Tegelijkertijd arriveert aan de overkant van de straat een in woestijnkaki gestoken muziekkapel onder leiding van kolonel Guido Denis. Als de stoffige kobaltblauwe bus de militante muzikanten heeft gedumpt, wordt de Belgische driekleur ontvouwd. En de oversteek gemaakt naar het gemeentehuis. Vertegenwoordiger Carlos, van de gemeente Etterbeek, beschaduwd door een strooien panama, verwelkomt het gezelschap. Dan wordt het tijd om zich in de juiste formatie op te stellen. De orders daartoe worden uitgevaardigd door de kolonel.
Dan gaat de pas er in. De genodigden volgen, jonge en oude Boonliefhebbers. Hoewel sommigen mij toevertrouwen nog nooit een boek van de viezentist uit Aalst gelezen te hebben. Een oude francofone heer, waarmee ik deftig door de straten paradeer gaat nog verder: die hele Louis-Paul Boon kent hij niet eens. Maar er wordt weer eens wat georganiseerd in Etterbeek. En daar wil hij wel bij zijn. Of hij ook nog in de loopgraven aan de Somme gelegen heeft, durf ik hem maar niet te vragen. Zo kent elke oorlog zijn meelopers.
We paraderen door de straten van Etterbeek. Het verkeer wordt een halt toegeroepen. Vanaf de trottoirs en vanuit de woningen worden we gadegeslagen door de niet aan het défilé deelnemende deel van de bevolking. Een multiculturele samenleving, hoe zou je in Brussel anders verwachten. Het koloniale verleden in innige omarming met de import van de laatste decennia. Etterbeek als werelddeel. Kongo en de Maghreb onder één Etterbeeks dak. Het blijkt te kunnen in deze smeltkroes van oudsher, waar het Waals en het Vlaams er geen Toren van Babel van gemaakt hebben.
Dan is er een muzikaal intermezzo in de manège, uitgevoerd door de muziekkapel en het zangkoor Pandore, beiden onder strenge leiding van kolonel Guido Denis. Een gezamenlijk gelegenheidsoptreden, naar het zich laat aanhoren. En er zijn korte toespraken. En er is de onthulling van een nieuwe straatnaam om het militaire cordon van staatnamen wat te breken in Etterbeek. Want het wordt de Rue 4 coins du monde / de 4 windstreken Straat. Ik zei het al: Etterbeek is een werelddeel. Maar dan is er champagne. En andere dranken. Buiten. En er zijn kleine hapjes: saucisson en chips. Dat gaat er wel bij deze zomerse temperaturen in april. De vernissage en de receptie van de expositie hebben met goed gevolg plaatsgevonden. Op de plaats rust!
Zondag 15 april, en 29 graden. Vandaag vindt op het Pastoor Vullingsplein in Grubbenvorst de traditionele, jaarlijkse motorzegening plaats. Van heinde en verre ronken een paar duizend motorrijders in de loop van de ochtend Grubbenvorst binnen. En met dit mooie weer komen de tattoos boven billen, onder navels en op borsten uiteraard beter tot hun recht. Want de zwarte leren jacks liggen slap als vaatdoeken op de benzinetanks uit te dampen. In de zware, brede zonnebrillen wordt duizendvoudig het motorspektakel vermenigvuldigd.
Vanaf de kiosk dreunt uit metershoge geluidsboxen Born to be wild. Steppenwolf in Noord Limburg. Easy Rider zelfs. Ik spring op de motor bij Dennis Hopper en Peter Fonda. Ik ben de Jack Nicholson van deze zondag. En neurie mee met Steppenwolf:
Get your motor running
Head out on the highway
Looking for adventure
And whatever comes our way
Yeah darling go make it happen
Take the world in a love embrace
Fire all of your guns at once
And explode into space
Born to be wild
Born to be wild
En inderdaad, daar lopen ze, de lange, grijze wapperende haardossen en de golvende grijze baarden. Als figuranten in de bierreclame van Bavaria. Door het oerbos vol glimmende motoren op het Pastoor Vullingsplein. Woodstock revisited. De zwarte t-shirts staan strak gespannen om de golvende bierbuiken. Het vel getaand en verweerd. Diepe kloven in de nek. En bij de dames beginnen de borsten al aardig te lubberen. Sproeten bevechten de tattoos. Maar er is gelukkig veel maskerend glitter. Kunstzilver, kunstgoud en kunstbrons aan arm, om nek en in mond. Op de terrassen en in de gelegenheidsbars onder opzichtige parasols wordt al volop bier gedronken. Het is heet op deze tweede zomerse dag van het jaar. En er is veel dorst. Laat nou net op deze ochtend de waterleiding in heel het dorp het laten afweten. In de vroege ochtend gesprongen. Het water sijpelt in dunne straaltjes uit de kraan. Dan maar bier. In ongespoelde glazen. Of gewoon uit de fles. Nog beter, eigenlijk.
Om kwart over twaalf begint de dorpspastoor, geëscorteerd door twee serviele misdienaars, aan het opdragen van de mis op de kiosk. De duizenden would be Hell’s Angels schuiven naar voren. Alsof de verschijning van de Heilige Maagd aanstaande is. Maar het mag ook Madonna zijn. Honderden zullen op het einde ook nog de communie ontvangen. Niet dat de devotie hoog genoemd mag worden, want er wordt gewoon doorgeouwehoerd. En ook de piratendoeken gaan niet af. Uit de boxen klinkt snoeihard Knock, knock, knockin’, on heaven’s door. Speciale motorliturgie van Bob Dylan met nihil obstat. De dorpspastoor vertrekt geen krimp. Dan is de dienst ten einde en wordt hem een fors koperen wijwatervat in handen geduwd. En grijpt hij met zijn andere hand de zwarte ragebol beet. Daar zal mee gewijd worden. De vertegenwoordiger van de organiserende Motorclub ’t Murke meldt nog even dat er, gezien de weersomstandigheden, eerst nog gedacht werd aan het monteren van een douchekop waaruit het wijwater omlaag zou sproeien. En waar de motorrijders dan onderdoor konden rijden. Maar dat de pastoor er op gestaan had zelf via liturgisch handwerk de wijding te verrichten.
Zo gezegd, zo gedaan. Opmerkelijk gedisciplineerd rijden vervolgens de motorrijders onder de zwiepende kwast van de dorpspastoor door. Lourdes aan de Maas. Alleen de lichtprocessie ontbreekt. Maar de zon die zich te pletter spettert op de glimmende motorblocks en uitlaten maakt veel goed. Als ik terug loop naar mijn fiets tref ik oud-collega Ad l’Herminez die met zijn zilvergrijze BMW keurig staat te wachten op de virtuele onderdompeling. Vanochtend vroeg is hij al uit Sittard vertrokken. We praten een tijdje om wat ruimte te scheppen in de honderden grommende en dampende machines die ons stapvoets passeren. Of het aan die dampen ligt weet ik niet, maar ineens krijg ik hevig zin in asperges. Die worden op dityzelfde ogenblik op grote schaal gestoken. Door energieke, met busladingen aangevoerde Polen of gebukt staande Anatolische vrouwen die ruimschoots met bonte kleding zijn behangen. Asperges. Met ei en ham. En bier uiteraard. Subtropische temperaturen in Lourdes aan de Maas. We boffen maar, want in de Pyreneeën steken ze geen asperges. Dat wonder is daar nog niet geschied.
Opnieuw Nijmegen vandaag. Omdat we goed in de tijd zitten, eerst een wandeling door het winterse centrum van Nijmegen. De vijvers in het Kronenburger park zijn bevroren. De eenden waggelen op hun brede flappoten over het gladde ijs. Verder is er nauwelijks een wandelaar te bespeuren.
In De Waag, een horeca-etablissement tegen het bronzen beeld van Mariken drinken we koffie en eten vervolgens een kop erwtensoep met brood en katenspek. Daarna nog even verder door het centrum gestruind, en door neerslachtig makende overdekte winkelcentra. Overal volgens dezelfde steriele formule vorm gegeven.
Om kwart voor twee melden we ons bij het MuZIEum, het – volgens eigen zeggen – ervaringsmuseum over zien en niet zien. Het museum ligt in het centrum tussen de spoorlijn die even verderop de Waal oversteekt en de door de gemeente opgezette tippelzone die op dit middagtijdstip nog niet in bedrijf is. Het witte bord meldt dat klanten er tussen 20.00 uur en 02.00 uur terecht kunnen en dat “het afwerken uitsluitend dient te geschieden in de afwerkloods”; de straatprostituee dient minimaal 18 jaar te zijn, verordonneert het bord. Maar dit terzijde. We kwamen immers voor het MuZIEum.
Er is veel te zien en te ervaren in het nog niet zo lang geleden geopende museum. Voor niet alles kunnen we voldoende tijd nemen, omdat we om 14.45 uur zullen deelnemen aan de ‘Dialoog in het donker’, een wandeling van een uur door de absolute duisternis. Het bekijken en ervaren van het blindenschrift, het braille, gaat misschien te kort. Maar voor de andere afdelingen, zoals het Opticum (de theorie van het zien) en het Retrospectum, de tijdmachine (hoe functioneerden blinden in vroegere tijden) nemen we meer tijd. Ook nemen we een ‘lichtbad’ in relaxfauteuils word je ondergedompeld in verschillende kleuren licht.
De ervaring die de meeste indruk maakt is de – zo noem ik die maar, naar Louis-Ferdinand Céline – de ‘Reis naar het einde van de nacht’. We worden ontvangen (nadat we een blindenstok in de hand gekregen hebben) door Johan, die op zijn 12e in de achtertuin van zijn ouders een daar opgegraven granaat uit de Tweede Wereldoorlog liet ontploffen. Met alle fatale gevolgen van dien. Want hij is niet alleen aan beide ogen blind, maar tevens flink verminkt aan zijn handen.
Johan laat ons een uur lang ervaren hoe het is te leven in het donker. Dus lopen we met hem naar zijn kantoor met sprekende computer en een bibliotheek vol brailleboeken. Bezoeken we het Kronenburgerpark en zitten daar op een bank, terwijl het verkeer op de achtergrond voorbij raast en de vogels in de nabijheid dat geluid proberen te overstemmen. Daarna gaat het naar de markt, maar voor we daar arriveren stuiten we op geparkeerde auto’s en fietsen. Op de markt betasten we groenten, ruiken aan kruiden en laten allerlei stoffen door onze handen glijden. Daarna steken we een gevaarlijke weg over (letten daarbij op het getik van het ‘groene’ oversteeklicht) en belanden tenslotte in de bar. Dit keer wel heel letterlijk een dark room. Drinken daar een cola en rekenen af, waarbij we goed moeten uitkijken dat we niet besodemieterd worden met het kleingeld dat we terug krijgen. Maar Johan leert ons voelen. En ook de andere zintuigen (reuk, smaak) te gebruiken om het gemis van de ogen te compenseren.
Al met al een schitterende ervaring. Maar tevens moet ik er niet aan denken niet meer te kunnen zien, en daardoor bijvoorbeeld het schilderen te moeten missen (hoewel ook dat mogelijk is). Johan leidt ons naar het einde van onze reis door de nacht, want die komt voor ons weer als we de uitgang van deze duistere wereld bereiken. Voor hem gaat het gewoon door. Maar hij blijft er opgewekt onder. Fluiten in het donker?
Om vijf uur halen we Raymond op zijn nieuwe werkplek, het NCMLS (het Nijmegen Centre for Molecular Life Sciences). We krijgen een snelle rondleiding door het labyrint van deze spiksplinternieuwe researchtempel.

Een paar bewerkingen van de digitale foto’s van gisteren. Gewoon wat plaatsjes gemaakt met Jasc Paint Shop Pro.
Je laat er gewoon de emailleer-versie op los, en: hoppa: weer een nieuwe foto!
Â
De Indian Summer van de laatste weken weet van geen ophouden. Na de augustus-dip een aangename voortzetting van juli, hoewel het ’s avonds natuurlijk sneller afkoelt.
 Â
Zo nu en dan zijn er fraaie zonsondergangen. Dan grijp je weer naar je Canon A80 en voeg je weer wat beelden toe aan de duizenden die er al mee gemaakt zijn. Thuis klooi je nog even verder en laat je Jasc Paint Shop Pro er op los: altijd met verassend resultaat. Maar de resultaten van die bewerking volgen een andere keer.
Ik laat hier drie foto’s zien die gisteravond tussen 19.00 en 20.00 uur gemaakt zijn. Eigenlijk had ik te laat in de gaten dat de wereld er even heel gekleurd op zou staan. Maar misschien krijgen we binnenkort weer een nieuwe kans.Â
| M | T | W | T | F | S | S |
|---|---|---|---|---|---|---|
| « Jul | ||||||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | ||
| 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 |
| 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |
| 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 |
| 27 | 28 | 29 | 30 | |||
Powered by ME :) !! en MainCore
Blog (c) WordPress 1.5 Theme created by McMike and Mr-Godd